Parlementaire democratie (2) – antw.

VRAGEN  blz. 69

  1. De vragen onder de begincase zijn: Vind je dat de overheid een ongezonde levensstijl sterk moet ontmoedigen? en Bij welke stroming en partij past het tweede standpunt?

Voorbeelduitwerking eerste vraag:

Ja, want:

–      de overheid is verantwoordelijk voor de volksgezondheid;

–      het reduceren van zorgkosten is in het algemeen belang.

Nee, want:

–      het is te grote overheidsbemoeienis;

–      mensen zijn vrij om zelf te kiezen wat ze eten.

Voorbeelduitwerking tweede vraag:

De liberale stroming, omdat de partij:

–      tegen grote inmenging van de overheid is;

–      tegen belasting heffen op suiker en vet is;

–      de vrije keuze van mensen benadrukt;

–      de verantwoordelijkheid niet bij de overheid legt.

Liberalen zijn voor een kleine rol van de overheid en zo veel mogelijk individuele vrijheid.

 

  1. Omdat de standpunten ook verschillen op het gebied van behoud en verandering (conservatief/progressief) en wel of geen internationale samenwerking (kosmopolitisme en nationalisme).

Alleen de links-rechtsindeling schiet dus tekort. Zo hebben de linkse partijen GroenLinks en SP overeenkomstige standpunten op sociaaleconomisch gebied, maar denken zij heel anders over Europese samenwerking.

 

  1. a. Vooral mensen die de waarde ‘vrijheid’ belangrijk vinden, zoals ondernemers. Zij willen zo min mogelijk beperkende maatregelen en een lage belastingdruk.
  2. Het liberalisme wilde de macht van de koning en de confessionelen inperken (= progressief).

Toen de liberalen door het censuskiesrecht macht kregen, wilden zij de arbeiders geen politieke rechten geven (= conservatief).

 

  1. Gespreide verantwoordelijkheid betekent dat zowel burgers als overheid hun verantwoordelijkheid hebben. Dit is kenmerkend voor het politieke midden.

 

  1. 5. Voorbeelduitwerking:

–      Het past bij het streven naar vermindering van de ongelijkheid: door de afdracht wordt de (salaris)kloof tussen kiezers en gekozenen kleiner.

–      Liberalen zullen de regeling afkeuren: je moet de vrijheid hebben om zelf te bepalen wat je met je salaris doet.

 

 

 

  1. 6. Door voortschrijdende globalisering staan internationale kwesties hoger op de publieke en politieke agenda.

Met globalisering samenhangende ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld de economische crisis, Brexit, internationale klimaatverdragen, handelsoorlog met de VS, de komst van vluchtelingen, arbeidsmigranten en buitenlandse studenten, Engels als voertaal op Nederlandse universiteiten.

Dit soort ontwikkelingen brengen bij sommigen gevoelens van verlies (van cultuur, identiteit, van controle op besluitvorming) met zich mee, terwijl anderen vooral de mogelijkheden of zelfs noodzaak zien van internationale samenwerking.

 

  1. Voorbeelduitwerking:

Trump:

–      speelt bewust in op de emoties van het volk (‘boosheid belichamen’);

–      keert zich tegen de gevestigde orde (traditionele media, Democraten en de rechterlijke macht);

–      draagt daadkrachtige en simpel ogende oplossingen aan (muur bij Mexico plaatsen en inreisverbod voor inwoners van een aantal moslimlanden);

–      heeft nationalistische standpunten (‘America first’, handelsoorlogen en tegen immigratie);

–      heeft weinig oog voor de belangen van minderheden (inreisverbod voor inwoners uit een aantal moslimlanden).

 

 

8     IN HET NIEUWS  blz. 70

  1. Voorbeeldantwoord:

–      gemeenschappelijkheid

–      solidariteit

–      collectiviteit

–      gemeenschapszin

–      gelijkheid

–      eenheid

–      trots

  1. Mogelijke verklaringen:

PvdA: het opkomen voor zwakkeren en strijden voor gelijke kansen kan veel Turkse Nederlanders aanspreken.

Inwoners met een niet-westerse achtergrond hebben te maken met discriminatie op de arbeids- en woningmarkt.

CDA: het opkomen voor de vrijheid van bijzonder onderwijs en het onderschrijven van het belang van religie kan veel Turkse Nederlanders aanspreken.

Veel Turkse Nederlanders zijn in meer of mindere mate religieus, al hangen de meesten niet de religie van het CDA (christendom) aan, maar de islam.

  1. Linksboven. DENK is op economisch gebied links en op sociaal-cultureel gebied progressief. De partij is voor verandering en voor een actieve overheid die ongelijkheid vermindert.

 

 

 

9    Samenvatting POLITIEKE ideologieën  blz. 70

 

 

  Socialisme Confessionalisme Liberalisme
Belangrijkste normen en waarden. –     Gelijkwaardigheid.

–     Solidariteit.

–     Harmonie.

–     Naastenliefde.

–     Gezamenlijke verantwoordelijkheid.

–     Rentmeesterschap.

–     Vrijheid (economisch en persoonlijk).

–     Individuele verantwoordelijkheid.

Gewenste sociaaleconomische verhoudingen. –     Zwakkeren beschermen.

–     Gelijke kansen creëren.

–     Eerlijke verdeling van kennis, inkomen en macht.

–     De sterkste schouders dragen de zwaarste lasten.

–     Burgers zorgen voor elkaar.

–     Een sterk maatschappelijk middenveld opbouwen.

–     Goed zorgen voor de door God aan ons toevertrouwde aarde.

–     Burgers nemen verantwoordelijkheid voor hun leven.

–     Vrijheden moeten zo min mogelijk beperkt worden.

 

 

10    POLITIEKE GRAADMETER  blz. 71

 

Deze opdracht kunt u ook klassikaal behandelen.

Bij tijdgebrek kunt u de onderstaande punten 1 t/m 4 overslaan.

 

  1. U geeft aan dat begonnen zal worden met (uiteraard anonieme) verkiezingen in de klas.
  2. De leerlingen moeten eerst weten op welke partijen zij kunnen stemmen. Daartoe zet u nog eens, in samenspraak met de klas, van links naar rechts de Tweede Kamerpartijen op het bord.

U geeft eventueel per partij een korte toelichting: herkomst en ontstaan, belangrijkste ideeën, lijsttrekker.

Politieke partijen van links naar rechts:

SP – PvdD – 50PLUS – GroenLinks – DENK – PvdA – ChristenUnie – D66 – CDA – PVV – FvD – SGP – VVD.

  1. U deelt briefjes uit die dienen als stembiljet. De leerlingen vullen een partij in (zo min mogelijk blanco!). Na het ophalen van de briefjes laat u de uitslag op het bord turven. De leerlingen noteren deze uitslag in hun schrift.
  2. Vraag een aantal leerlingen naar hun stemmotivatie. De verschillende argumenten worden met elkaar vergeleken. Vervolgens kunt u, ook weer in samenspraak met de klas, het volgende dictaat op het bord zetten:

 

Waarom stemt iemand op een bepaalde partij?

Motieven kunnen onder meer zijn:

  1. de standpunten van de partij;
  2. financiële en economische belangen;
  3. de mate waarin de partij politieke macht kan uitoefenen (strategische overwegingen);
  4. levensovertuiging;
  5. beïnvloeding door anderen;
  6. het imago van de lijsttrekker;
  7. het imago van de partij.

Discussievraag: door welke factoren zou iemand zijn keuze eigenlijk het meest moeten laten bepalen?

 

 

  1. U geeft aan dat de politieke graadmeter betrekking heeft op een aantal standpunten van de verschillende partijen. De test helpt de leerlingen bij het ontwikkelen van de eigen politieke voorkeur. Het doel is om de leerlingen een eerste indicatie te geven hoe links of hoe rechts zij zijn. Elke stelling moet beantwoord worden.
  2. U leest de puntenverdeling voor of laat de leerlingen het scoreformulier bekijken op themashavo.nl/politiekegraadmeter. De leerlingen noteren hun puntenaantal telkens in de puntenkolom.

 

  Eens Oneens
1.    Uitkeringen, zoals de bijstand, zijn in ons land veel te hoog. 3 (rechts) 1 (links)
2.    Hulp aan ontwikkelingslanden moet worden vergroot. 1 (links) 3 (rechts)
3.    Grote verschillen tussen inkomens zijn goed, want ze prikkelen mensen om harder te werken. 3 (rechts) 1 (links)
4.    Werklozen moeten, desnoods voor langere tijd, werk onder hun opleidingsniveau aanvaarden. 3 (rechts) 1 (links)
5.    Ons land heeft te veel bestuurders en ambtenaren.
Een kwart van hen kan verdwijnen.
3 (rechts) 1 (links)
6.    Vanwege hun achterstand op de arbeidsmarkt moeten vrouwen bij sollicitaties zo veel mogelijk voorrang krijgen bij gelijke geschiktheid. 1 (links) 3 (rechts)
7.    De overheid moet huurders van woningen zo veel mogelijk beschermen, ook al is dat soms nadelig voor de eigenaar. 1 (links) 3 (rechts)
8.    De pensioengerechtigde leeftijd moet zo snel mogelijk naar 68 jaar. 3 (rechts) 1 (links)
9.    Een vrij ondernemersklimaat zonder ontslagbeperkingen en minimumlonen is noodzakelijk voor een sterke economie. 3 (rechts) 1 (links)
10.    Het is onacceptabel dat bankdirecteuren miljoenen aan bonussen ontvangen. 1 (links) 3 (rechts)
11.    Als woningen of kantoren lange tijd leegstaan, moet de overheid het recht hebben hier woningzoekenden te huisvesten. 1 (links) 3 (rechts)
12.    Het openbaar vervoer moet goedkoper worden gemaakt dan autorijden door de aanleg van snelwegen te stoppen en dat geld aan de spoorwegen te besteden. 1 (links) 3 (rechts)
13.    De zorg- en huurtoeslag moeten worden verhoogd. 1 (links) 3 (rechts)

 

  1. De leerlingen tellen al hun punten op. U schrijft de onderstaande indeling op het bord en noteert het aantal bijbehorende leerlingen.

–      13 t/m 23 (links)

–      24 t/m 28 (midden)

–      29 t/m 39 (rechts)

 

Tip voor de docent: leg uit dat ‘links of rechts’ in het dagelijks spraakgebruik niet uitsluitend slaat op sociaaleconomische standpunten, maar ook op opvattingen over vrijheid en controle, mild en streng overheidsoptreden, en over thema’s als duurzaamheid, pluriformiteit, nationalisme, defensie, migratie, enzovoort.

 

 

11    Kritiek op politieke stromingen  blz. 72

 

Eigen uitwerking leerling.

 

Geef een reactie

5 × 3 =