HGL – Deel 1

Hoofdstuk 2 Plato en Aristoteles over het goede leven (2.3 t/m 2.7)

6. De kandidaten kunnen Plato’s argumentatie voor de ‘ideale staat’ reconstrueren en evalueren.
Hierbij kunnen zij:
– de kritiek van Plato op de democratie weergeven;
– uitleggen wat bij Plato het verband is tussen de hiërarchische orde in de samenleving en de drie delen van de menselijke ziel;
– beargumenteren dat Plato’s ‘ideale staat’ zowel als een utopie en als eendystopie kan worden beschouwd en daarbij de kritiek van Popper
betrekken.

7. De kandidaten kunnen Aristoteles’ argumentatie dat er verschillende goede staatsvormen zijn, reconstrueren en evalueren. Daarbij kunnen zij: – uitleggen welke rol de rede (logos), de deugd (aretè) en het handelen (energeia) als werkelijkheid van de ziel daarin spelen;
– beargumenteren dat deugdzaamheid en geluk (opgevat als eudaimonia van het praktische leven) uitsluitend bereikt kunnen worden binnen de polis (stadstaat);
– met voorbeelden uitleggen dat staatsvormen volgens Aristoteles kunnen ontaarden.  

8. De kandidaten kunnen de opvatting van Aristoteles over een deugdzaam leven uitleggen en toepassen. Daarbij kunnen zij met voorbeelden: – een definitie geven van deugd en deze definitie uitleggen en toepassen; – uitleggen dat het streven naar geluk (eudaimonia) samenvalt met het goede voor zichzelf en de gemeenschap;
– het onderscheid tussen dianoëtische en ethische deugden uitleggen;
– uitleggen dat de verschillende deugden elkaar vooronderstellen.
Daarnaast kunnen zij uitleggen:
– dat ‘volkomen deugd’ niet is weggelegd voor de massa;
– wat ‘ware vriendschap met zichzelf’ betekent en een afweging maken in hoeverre dit voor mensen in de samenleving van toen mogelijk was en
nu is.
9. De kandidaten kunnen uitleggen en evalueren welke rol de deugd rechtvaardigheid bij Aristoteles speelt bij de zelfverwerkelijking van de mens in de polis. Tevens kunnen zij uitleggen dat volgens Aristoteles het volgen van de wet een vrije handeling is en kunnen zij een standpunt innemen over de vraag of dit in onze tijd ook relevant kan zijn.

10. De kandidaten kunnen aan de hand van de vijf dimensies van het goede leven de opvattingen van Plato en Aristoteles over het goede leven uitleggen, vergelijken, toepassen en beoordelen.
Hoofdstuk 3 Het goede leven in het Christendom (3.3 + 3.4)

12. De kandidaten kunnen uitleggen wat theologale deugden zijn en hoe deze zich verhouden tot de klassieke deugden. Daarbij kunnen zij uitleggen wat liefde als hoogste deugd inhoudt en waarom deze deugd op gespannen voet staat met het hiërarchische denken van Plato en Aristoteles en met hiërarchisch denken in het christendom.  

Hoofdstuk 4 Moderniteit als een project van bevrijding: het autonome individu (4.2 t/m 4.5)
13. De kandidaten kunnen vier opvattingen van ‘het autonome individu’, een kernmotief van de moderniteit, herkennen, weergeven en toepassen, namelijk autonomie als – (religieuze) gewetensvrijheid (protestantisme); – rationele bepaling van plichten (Locke, Kant); – anti-burgerlijke religiositeit (Kierkegaard);
– hoogst-individuele authenticiteit (existentialisme).

14. De kandidaten kunnen uitleggen dat in het protestantisme van de 16e eeuw zowel sprake is van een verinnerlijking (subjectivering) van de moraal (geweten) als van een plichtsethiek. Ze kunnen daarbij uitleggen dat daarmee de vraag naar het goede leven verandert.
15. De kandidaten kunnen de opvatting uitleggen dat het opstellen van burgerrechten mede voortkomt uit de protestantse religieuze levenservaring.
Daarbij kunnen ze uitleggen wat Locke bedoelt met ‘de rechten van het
vrije individu’ en wat Kant voor ogen heeft met ‘het autonome individu’.  
16. De kandidaten kunnen de aan het protestantisme ontsproten kritiek van Kierkegaard op de opvattingen van verlichtingsfilosofen over het autonome individu weergeven, toepassen en evalueren.

17. De kandidaten kunnen de opvatting dat authenticiteit kenmerkend is voor de moderne invulling van het goede leven, uitleggen en evalueren.
Hoofdstuk 6 De moderniteit en de vrije markteconomie: het goede leven op een vulkanische breuklijn (6.2 t/m 6.5)

21. De kandidaten kunnen uitleggen dat volgens Smith welvaart voor een ieder komt door arbeid, arbeidsdeling en vrije markt. Daarbij kunnen ze:
– Smiths opvatting van een markt betrekken en aangeven welke vooronderstellingen hierbij in het geding zijn;
– weergeven welke ‘dehumaniserende effecten’ er volgens Smith bij een vergaande arbeidsdeling zullen optreden.

22. De kandidaten kunnen uitleggen dat volgens Marx de vrije markt, die gebaseerd is op privébezit van productiemiddelen, op gespannen voet staat met het goede leven. Daarbij kunnen ze uitleggen welke rol het kapitaal daarin volgens Marx speelt.

23. De kandidaten kunnen de opvatting dat de vrije markt gepaard gaat met dehumanisering, ecologische uitputting en financiële verstikking weergeven, toepassen, evalueren en hiervan eigen voorbeelden geven.

24. De kandidaten kunnen uitleggen dat er met de invoering van de vrije markt een scheiding plaatsvindt tussen de private en de publieke sfeer, waarbij ook de politiek beperkt en bepaald wordt door het economisch discours.
Ze kunnen daarbij uitleggen:
– dat dit volgens Tronto leidt tot een verschraling van het morele debat in het publieke domein;
– dat zorg volgens Tronto een publieke taak is en daarom onderwerp is
van politiek.
Primaire tekst (4): Joan Tronto – Caring democracy, Markets, Equality and Justice

25. De kandidaten kunnen de neoklassieke (economische) visie dat de kwaliteit van zorg beter wordt door de vrije markt en de tegenovergestelde visie dat de vrije markt schadelijk is voor de kwaliteit van de zorg verdedigen. Daarbij kunnen zij van beide visies voorbeelden geven en de politieke implicaties van deze visies weergeven, toepassen en evalueren.

Primaire tekst (5): Adam Smith –Een onderzoek naar de aard en oorzaken van de rijkdom van naties
26. De kandidaten kunnen de twee redenen weergeven, uitleggen en toepassen waarom arbeidsdeling volgens Smith een typisch menselijk verschijnsel is. Daarbij kunnen zij Smith’ opvatting uitleggen dat samenwerken volgens het principe van welbegrepen eigenbelang leidt tot vergroting van de welvaart voor alle lagen van de bevolking.

27. De kandidaten kunnen uitleggen dat het volgens Smith de taak van de overheid is om de negatieve gevolgen van de arbeidsdeling te voorkomen. Daarbij kunnen zij weergeven wat volgens Smith de negatieve gevolgen van arbeidsdeling zijn en wat in dit verband de functie van onderwijs is.
Primaire tekst (6): Karl Marx –Kritiek op de politieke economie
28. De kandidaten kunnen uitleggen, toepassen en beoordelen dat
volgens Marx de ontwikkeling van de productieverhoudingen
onvermijdelijk tot een sociale revolutie leidt en dat de
sociaal-economische positie van mensen bepalend is voor hun
bewustzijn.
Primaire tekst (7): Karl Marx / Friedrich Engels – Het communistisch
manifest
29. De kandidaten kunnen de opvatting van Marx en Engels over de onvermijdelijke overwinning van het proletariaat op de bourgeoisie weergeven en evalueren. Daarbij kunnen zij uitleggen welke rol loonarbeid, kapitaal, productie- en verkeersmiddelen in de klassenstrijd spelen.