HGL – Week 11

33. De kandidaten kunnen uitleggen dat MacIntyre het deugdbegrip actualiseert met behulp van de begrippen practice, internal goods en external goods. Daarbij kunnen zij dit deugdbegrip toepassen op praktijken zoals sport, bedrijfsleven, media en onderwijs.

Op pagina 187 wordt het “streven naar een abstract rationele grondslag voor de moraal” begrepen als een weg naar de uitholling van de moraal. Hiermee wordt bedoeld dat de moraal, en daarmee ook Kants categorische imperatief, niet te vatten is op rationele grondslag. Deze rationele, technische grondslag is kort door de bocht: gedraag je zoals je wilt dat iedereen zich zou moeten gedragen. Twee dingen moeten hier worden benadrukt: 1. JIJ gedraagt je zoals JIJ wilt dat… en 2. Dit gedrag LEIDT tot een universeel principe van moraliteit. Punt 1 is strikt individueel. Punt 2 is technisch in termen van “Als…dan…”. Het denken van Kant kan volgens MacIntyre niet los gezien worden van de tijd van de verlichting waarin Kant leefde en is daarmee niet zo universeel zoals verlichtingsfilosofen ons graag willen doen geloven. Kants denken sluit juist aan bij de opkomende burgermaatschappij en het protestantisme (individuele relatie tot God). Maar, being jaren 80 vorige eeuw, geeft MacIntyre aan dat dit individuele leidt tot emotivisme. Mensen handelen vanuit hun individuele gevoelens/emoties, met alle gevolgen van dien. Denk hierbij aan bijvoorbeeld minderheden die op basis van gevoel worden weggezet en wanneer gevraagd wordt naar een gedeelde opvatting over hoe met elkaar samen te leven iemand reageert in termen van: “Ja, dat is gewoon mijn mening”.
MacIntyre zoekt naar een “moreel kompas” (p. 187). Een moreel kompas geeft richting. MacIntyre laat het idee van het individuele autonome subject en daarmee het verlichtingsideaal, los. MacIntyre grijpt terug op Aristoteles’ deugdenethiek. Een ethiek, waarbij het gaat om het oefenen in een bepaalde context, in het streven naar een zo deugdzaam mogelijk leven in dienst van de samenleving. Het is niet voor niets dat op pagina 64 de nadruk door Aristoteles wordt gelegd op verschillende staatsvormen en hoe deze onder druk kunnen komen te staan. Daar waar Plato een hiërarchie aanbrengt aan de staatsvormen van hoog naar laag, benadrukt Aristoteles de verschillende vormen die kunnen optreden.

“De deugd is een intentionele houding (waarin we ons handelingen voornemen), die in het midden ligt voor onszelf, en wel een midden zoals dat redelijk wordt bepaald, dat wil zeggen volgens een redelijkheid waarmee iemand met praktische wijsheid dat zou doen” (Aristoteles)
(EN 1106b36-1107a2) (p. 69 uit HGL)

Een deugdzaam leven draait om het zoeken naar het juiste midden als de redelijke weg naar praktische wijsheid. Veelal wordt geredeneerd vanuit de idee dat de mens de meest ideale wereld voor ogen moet hebben, maar wat is nu noodzakelijk om überhaupt te meest ideale wereld voor ogen te kunnen krijgen? Om je de meest ideale wereld voor te kunnen stellen, is het noodzakelijk om op dit moment in een ideale wereld te leven die nog verbeterd kan worden. De mens staat niet los de dagelijkse praktijk, maar staat in de wereld. En in deze wereld kijkt de mens rond. De mens kijkt naar andere mensen, naar de natuur, omgeving, ontwikkelingen en stelt zich vervolgens een ideale wereld voor. MacIntyre spreekt dan ook over “practice”. In de dagelijkse praktijk (pratice) is het belangrijk om het juiste midden te zoeken. Dat is deugdelijk handelen. Niet op basis van een universeel streven met een Kantiaans categorische imperatief, maar in context zoeken naar een middenweg die werkt voor iedereen.
Een pijnlijk voorbeeld komt voort uit het pragmatisme van de CDA-politicus van Helvert over de vraag of Nederland weer de politieke banden moet gaan aanhalen met het Syrische regime van de dictator Asssad. Wat werkt? Werkt het om principieel en idealistisch (Plato en Kant) het goede en rechtvaardige na te streven of is het beter om gegeven het feit dat Assad nu eenmaal zit waar hij zit het juiste midden te zoeken in een nieuwe omgang met Assad? En wie geeft ons de zekerheid dat ons idee van het goede en rechtvaardige het enige echte zuivere Goddelijke idee is? Een principieel en idealistisch standpunt werkt wellicht niet in alle verschillende (staats)vormen die de wereld rijk is. Maar wat mogen we dan nog hopen als we toestaan dat het slechte geaccepteerd wordt. De diplomaat in het radioprogramma heeft jarenlange ervaring en houdt er een utilistisch standpunt op na (zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen) in plaats van een principieel Kantiaans standpunt. Wat is wijsheid?

Een lichter voorbeeld is ook te geven. Zo bestaat de dagelijkse praktijk van een leraar uit het geven van lessen aan lerenden in veelal een schoolgebouw. Een leraar met veel ervaring raakt vertrouwd met zijn werk, de lerenden en de schoolcontext. De leraar kan van binnenuit met jarenlange ervaring en vertrouwen beschikken over diepgaande kennis. Dit geldt voor alle experts in vakgebieden. Deze experts zijn veel beter in het bepalen van kwaliteiten waar andere experts in het vakgebied aan moeten voldoen, dan mensen zonder diepgaande kennis. Experts bepalen gezamenlijk de internal goods die nagestreefd moeten worden. De taak van het onderwijs zou kunnen zijn om lerenden te leren oefenen in het behalen van specifieke kwaliteiten binnen een specifieke discipline. In de breedste zin zouden lerenden moeten oefenen in het worden van een burger waarbij kunst, sport, cultuur, logica, taal, muziek, wiskunde, etc. allemaal kwaliteiten representeren die daarbij horen.
Naast de internal goods zijn er ook external goods. Dit onderscheid kan helder worden gemaakt aan de hand van het onderscheid tussen intrinsieke motivatie en extrinsieke motivatie. Stel jezelf de vraag: Ben je intrinsiek, vanuit mijn innerlijke overtuiging, gemotiveerd om het goede te doen voor de samenleving of word je extrinsiek gemotiveerd door salaris, bonus of waardering om het goede te doen voor de samenleving? Wanneer (p. 188) bedrijven “primair samenwerkingsverbanden van mensen” zijn (wat zijn ze überhaupt nog anders, zonder mensen geen bedrijven en bedrijvigheid), dan zorgt een nadruk op externe goods (geld/middelen/waardering/hoge punten 🙂 ) er mogelijk voor dat mensen ten koste van andere mensen meer geld, meer middelen en meer waardering willen nastreven. De gerichtheid op externe goederen werkt daarmee corruptie in de hand om maar zo veel mogelijk te kunnen presteren.
MacIntyre (her)introduceert (p. 189) daarom Aristoteles’ deugdenethiek gericht op het zoeken naar het juiste midden, in een praktijk vol samenwerkingsverbanden van mensen, op lange termijn gericht op moed, eerlijkheid en rechtvaardigheid.

Primaire tekst (9): Alasdair MacIntyre – After Virtue Na de deugd. Een moraalfilosofisch onderzoek
39. De kandidaten kunnen aan de hand van een uitgewerkt voorbeeld – afkomstig uit kunst, spel, wetenschap, gezin of politiek – weergeven wat MacIntyre verstaat onder praktijken en daarbij de begrippen interne en externe goederen uitleggen en van elkaar onderscheiden. Daarbij kunnen zij uitleggen dat interne goederen alleen te herkennen of te identificeren zijn door deelname aan een specifieke praktijk.
Prima essay-opdracht, waarbij iedere lerende allereerst een voorbeeld/context/praktijk uitwerkt waarbinnen een bepaalde discipline heerst om vervolgens binnen deze discipline uit te werken wat de internal en external goods zijn en wat vervolgens de relatie is tussen deze “goods”. Geef tevens aan hoe het komt dat mensen uit een andere praktijk bepaalde interne goederen niet kunnen herkennen of identificeren. Probeer ook eens een gedachte-experiment uit te voeren waarbij je op sociale media gaat zoeken naar mensen die interne goederen proberen te herkennen of identificeren zonder enige kennis, ervaring en inzicht uit de werkelijke praktijk. Wellicht kan vervolgens ook aangegeven worden, wat de impact kan zijn van een dergelijke ontwikkeling (online).

40. De kandidaten kunnen deugd definiëren als een verworven menselijke kwaliteit waarvan de uitoefening het mogelijk maakt om interne goederen die behoren tot een bepaalde praktijk te verwerven. Daarbij kunnen zij uitleggen dat:
–  deugden er altijd zijn in relatie tot mensen die met elkaar een praktijk beoefenen en met elkaar doelen en standaarden hebben afgesproken; – deze praktijk zowel een relatie tot beoefenaars in het heden als het verleden betreft;
– onderwerping aan de morele regels van een praktijk nodig is (rechtvaardigheid, moed en eerlijkheid);
– instituties gericht zijn op externe goederen (winst, macht, status), terwijl praktijken gericht zijn op interne goederen;
– praktijken niet zonder instituties kunnen bestaan en interne goederen niet zonder externe goederen; zonder de deugden rechtvaardigheid, moed en eerlijkheid praktijken niet de corrupte macht van instituties kunnen weerstaan.


Nogmaals: MacIntyre (her)introduceert (p. 189) daarom Aristoteles’ deugdenethiek gericht op het zoeken naar het juiste midden, in een praktijk vol samenwerkingsverbanden van mensen, op lange termijn gericht op moed, eerlijkheid en rechtvaardigheid.

Denk eens bij jezelf na… In hoeverre word jij intrinsiek of extrinsiek gedreven om het goede te doen voor je mede-lerenden? En heeft MacIntyre een punt? Zorgt het streven naar extrinsieke goederen voor gelijkheid en het juiste midden of juist niet? Maar kunnen extrinsieke goederen (goede punten) wel zonder intrinsieke goederen? Kun je wel intrinsiek zoeken naar het juiste midden in een samenleving op het gebied van moed, eerlijkheid en rechtvaardigheid, zonder daarmee ook aan te nemen dat er een (externe) samenleving is met mensen die met elkaar omgaan?

Het heeft wellicht geen zin om in Platoonse en Kantiaanse zin te streven naar Goddelijke perfectie, wanneer in de dagelijkse praktijk het vooral een kunst is het juiste midden te vinden. En juist deze praktijk kenmerkt zich door een wisselwerking tussen intrinsieke en extrinsieke goederen… Tussen wat men diep van binnen, intrinsiek nastreeft en wat het buiten in de samenleving heel plat oplevert (extrinsiek).

Noot: Voordat het universele karakter (de categorische imperatief) van Kant wordt geduid als iets van deze tijd, is het noodzakelijk om te vatten waar het diepere probleem ligt. Dit is een diep-filosofisch probleem. Zo kan de volgende vraag gesteld worden: Bestaat de wereld wanneer ik kom te overlijden? Dit is een beetje een dramatische vraag, maar wanneer je stelt dat de wereld niet meer bestaat, wanneer ik overlijd, dan is de wereld eeen idee dat door jouw geest wordt gegenereerd. Wanneer ik stel dat de wereld wel blijft bestaan omdat ik heb waargenomen dat wanneer iemand sterft de wereld gewoon doorgaat, dan baseer ik het bestaan van de wereld (waarheid) op waarneming. Waar het om gaat is de vraag waarop we waarheid kunnen funderen. Op de idee of op onze waarneming? Zelfs de idee dat waarheid wordt gebaseerd op waarneming is en blijft een idee. Zelfs het idee dat we verschillende ideeën hebben, blijft een idee. Het idee dat de wereld na mijn dood blijft voortbestaan blijft een idee. Is het mogelijk om ideeënloos na te denken over waarheid? Hebben we geen ideeën nodig voor het denken zelf? En wanneer je denkt en dus ideeën genereert en verbindt, veranderen deze ideeën dan? Sta je iedere ochtend op met nieuwe ideeën en ziet de wereld er iedere dag helemaal anders uit? Ik denk we juist hele sterke eenheid ervaren qua opvattingen en interpretaties. De mens vertrekt wellicht vanuit een ervaring van eenheid. Maar soms heb je wel eens het gevoel dat anderen jouw idee of iets specifieks verstoren en door de war brengen. Je wordt dan geconfronteerd met anderen in-de-wereld met andere ideeën. En wanneer mensen met elkaar omgaan, proberen ze ideeën met elkaar te vereenzelvigen (vredig of geweldadig of op wat voor manieren dan ook). Uiteindelijk kan het oneindige streven van mensen die met elkaar ideeën delen, wellicht leiden tot het laatste idee. De laatste waarheid.

Maar tot dat moment beschik ik als individu over een eenheid aan ideeën (anders zou ik gek worden) en daarmee geheel eigen wijze van moreel handelen in een wereld die als idee nog niet door alle mensen op aarde wordt gedeeld. In-de-wereld biedt Aristoteles praktische wijsheid. Dit doelt op het streven van het individu om voor iedereen deugdzaam te handelen in-de-wereld op zoek naar het juiste midden. Je zou dit kunnen zien dat een leider probeert de diverse ideeën van mensen in-de-wereld met elkaar in contact te laten komen op een manier waarvan de individuele leider zelfs denkt (ervaring van persoonlijke eenheid) dat dit de weg is naar het juiste midden.

Dus: op individueel niveau vertrekt iemand vanuit een individuele ervaring van eenheid van waaruit iemand op praktisch niveau in-de-wereld voor alle mensen het juiste midden te zoeken door af te wegen welke keuzes in-de-wereld voor iedereen bijdragen aan datgene waarvan het individu denkt dat “werkt”. We komen toch weer terug bij de oude filosofen Plato en Aristoteles, waarbij Plato naar boven wijst (het denken vertrekt vanuit een Goddelijk idee/ideeënwereld) en Aristoteles (het denken vindt in praktische zin plaats in-de-wereld met veel verschillende vormen met andere mensen die ook allemaal vanuit een eigen idee het juiste midden zoeken).
Klik hier voor het wereldberoemde schilderij, inclusief uitleg.