HGL – Week 12

Voordat Hegel wordt besproken, kunnen de volgende twee bronnen (krantenartikel uit trouw en een inleidend youtube filmpje) een handige inleiding zijn voor het denken van Hegel. Probeer voor jezelf aan het einde van deze week eens de weg van Kant – Hegel – Marx uit te werken.

https://www.trouw.nl/nieuws/de-wake-up-call-van-hegel~b7053c2b/

34. De kandidaten kunnen de opvatting van Hegel uitleggen waarin individuele (subjectieve) vrijheid niet kan worden verwerkelijkt zonder de specifieke sfeer van zedelijkheid, die hij ‘burgerlijke maatschappij’ noemt.

Zeden zijn handelingen die maatschappelijk gezien gewenst en fatsoenlijk zijn. Zeden worden met name bepaald door tradities en normen en waarden in een bepaalde cultuur of samenleving waar iemand leeft. Het zijn gebruiken die worden vastgesteld door een bepaalde groep in de maatschappij.”

Aan het einde van week 11 werd al gesproken over het verschil tussen het individuele streven vanuit een Goddelijk idee en de individuele verantwoordelijkheid moreel te handelen zodanig dat iedereen het zou moeten doen. Het klassieke verlichtingsideaal van Immanuel Kant. Aan de andere kant benadrukte MacIntyre in lijn met Aristoteles de veelvormigheid van de dagelijkse praktijk. In-de-wereld, in de gewone alledaagse praktijk, zijn er verschillende mensen met allemaal eigen belangen en ideeën die niet altijd op elkaar aansluiten. Persoonlijk ervaart iemand eenheid anders wordt men gek, maar in-de-wereld zijn er verschillende mensen met uiteenlopende ideeën. De wereld is daarmee veelvormig en divers.

Hegel probeert het verlichtingsideaal van het autonome individu (persoonlijke vrijheid, p. 191) te verbinden met de dagelijkse veelvormige praktijk. De mens kan alleen een autonoom individu zijn, wanneer er ook een wereld is met een bepaalde ordening waarin iemand individu kan zijn. Autonomie staat daarmee niet los van de wereld waarin iemand zit.
Oftewel in leerling-termen: Je kunt niet vrij zijn als er geen wereld is WAARIN je vrij kunt zijn. Vrijheid en keuzes komen voort uit de wereld waarin je opgroeit. En “gebonden” aan deze wereld waarin je je begeeft, ga je op zoek naar nieuwe manieren om deze wereld en al haar instituties, sociale structuren en culturele en politieke systemen vorm te geven. Hegel (p. 191) onderkent de collectieve context waarbinnen iedereen kan groeien. Een punt waar Kierkegaard, die de individuele relatie tot de eigen innerlijke overtuiging centraal stelt, nauwelijks op lijkt te reageren. Laat de onderstaande uitspraak van Goethe (In de beperking toont zich de meester) eens tot je doordringen. Ben je als studerende vrij als je mag leren wat je wilt of heb je strenge regels en structuren nodig (beperkingen) waar tegenover je je kunt verhouden en je in vrijheid deze structuren kunt hervormen. En dat juist het hervormen en het oefenen een vrije menselijke (individuele subjectieve vrijheid) kwaliteit is. Een kwaliteit die niet kan zonder structuur… zonder wereld, zonder burgerlijke maatschappij! Hegel benadrukt zelfs het aspect van de ordening van de wereld, collectieve sfeer, als iets volstrekt vanzelfsprekends. Iets waar we niet eens echt van bewust zijn. De (p. 191) bijbehorende wijze van doen noemt Hegel zedelijkheid. Hoe vanzelfsprekend was het nog niet zo lang geleden om Zwarte Piet te omarmen tijdens het Sinterklaasfeest, vlees te eten en stikstof uit te storen? Allemaal zaken waar we in korte tijd van bewust zijn geworden en die de vanzelfsprekendheid heeft doorbroken. Voor Hegel is de politieke en sociale structuur en daarmee de zedelijkheid, het vanzelfsprekende samenleven, een noodzakelijke basis voor de samenleving en daarmee het goede leven. De moderne maatschappij, anders dan de oude Grieken, wordt gearticuleerd in een burgerlijke samenleving.

35. De kandidaten kunnen de opvatting van Hegel over Anerkennung als ‘verdubbeling van ons zelfbewustzijn’ uitleggen met behulp van een voorbeeld en daarmee kritiek leveren op de atomaire vrijheidsopvatting.

In de wereld samen met anderen zoekt men naar groepen met wie iemand zich kan identificeren. Denk hierbij in hele platte zin aan voor- en tegenstanders van Zwarte Piet. Sommigen identificeren zich met de voorstanders en sommigen met de tegenstanders. Beide groepen identificeren zich met diegenen die een strijd voeren over het thema Zwarte Piet. Daar waar de oude Grieken het al hadden over de zorg voor het huishouden (Oikonomos) en de vanzelfsprekendheid van de polis en de plek in de polis, geeft Hegel aan dat ieder mens zich thuis wil voelen bij een groep in de wereld. Vervreemding is een kernbegrip bij Hegel. Denk hierbij aan de voorstanders van Zwarte Piet die zich niet meer thuis voelen in het Nederland waarin mensen de Zwarte Piet niet meer willen zien. Op deze manier vervreemden de voorstanders van de tegenstanders. Dit heeft vanzelfsprekend invloed op wat we vanzelfsprekend achten en daarmee ook op de zedelijkheid (politieke en sociale structuren).

Anerkennung gaat lijnrecht in tegen een opvatting die we tegenwoordig vaak horen waarbij vrijheid wordt gereduceerd tot keuzes maken. Je bent als leerling vrij omdat je mag kiezen tussen een paar opdrachten: individuele keuzevrijheid. Individuele keuzevrijheid is vanuit Hegel een beperkte vrijheid! Vrijheid ligt volgens Hegel niet in het kiezen tussen het een of ander, maar ligt daar waar mensen met elkaar omgaan en relaties aangaan met elkaar: erkenning (van de ander). De manier hoe ik mijn leven vorm geef door de jaren heen, hoe ik mezelf ontwikkel, staat niet los van andere mensen en instituten. Het vormgeven aan mezelf in de wereld, samen met anderen, opent vrijheid! Dit is niet louter een individuele keuze!

De verdubbeling van van ons zelfbewustzijn draait om de geest! De geest ondermijnt het atomaire vrijheidsbegrip en de beperkte keuzevrijheid. Vrijheid ontstaat tussen mensen. Daarvoor moeten mensen elkaar erkennen als mensen. Mensen moet elkaar erkennen als mensen die zichzelf en elkaar vorm geven. De wereld geeft mij de context van waaruit ik vrij kan ontwikkelen. Terwijl ik ontwikkel, vorm ik de wereld. Aangezien de wereld bestaat uit mensen, ben ik zelf gevormd door mensen en kan ik van daaruit de wereld met mensen vormgeven.

Besef dat ieder mens op een eigen individuele wijze de gezamenlijke wereld vormt. Er is dus een individueel aspect en een gezamenlijk aspect! Maar! Ieder mens kan niet ontkennen dat andere mensen ook op eigen individuele wijze de gezamenlijke wereld vorm geven. In deze gezamenlijke wereld met allemaal mensen die op eigen individuele wijze vormgeven, verhouden alle mensen zich tot elkaar. Er is sprake van wederkerigheid! Iedereen begrijpt van elkaar dat er gezamenlijke en individuele aspecten spelen en dat we op elkaar aangewezen zijn. We kunnen de ander niet zomaar ontkennen en naast ons neerleggen. Dat zou een ontkenning zijn van de vrijheid van de ander die net als jij zoekt naar het individuele en het vormgeven van het gezamenlijke.

Regelmatig heb ik een discussie met mensen over de vraag wat de vrije wil is. Velen refereren dan naar neurowetenschappers die stellen dat de vrije wil niet bestaat. Maar deze mensen hebben wellicht een beperkte opvatting van vrijheid en vrije wil. Voor deze mensen staat keuzevrijheid centraal! Stel er ligt een appel en een ei voor je neus. Neurowetenschappers stellen dat je hersenen reeds een keuze hebben gemaakt nog voordat je zelf bewust bent van je keuze. Vervolgens strekken ze de conclusie dat de vrije wil niet bestaat. Maar dit is vanuit Hegel onjuist. Vrijheid betreft niet het kiezen tussen een appel of een ei, maar betreft het samen met anderen door de jaren heen vormgeven aan jezelf en de wereld.

36. De kandidaten kunnen de opvatting van Hegel over arbeid uitleggen waarin het individu zijn behoeften ‘bemiddelt’, zichzelf vormt en daarmee zijn eigen vrijheid en geluk verzoent met de gemeenschap. Zij kunnen daarbij ook uitleggen dat in corporaties en in de staat private belangen door wederzijdse erkenning worden verzoend in een bestendige gezamenlijkheid.

Het individu lost niet op in een wij (p. 194). Ik vorm de wereld waarin ik anderen erken in een wederkerige verhouding en de wereld “vormt” mij. Deze wederzijdse erkenning vertaalt zich thuis (oikos), in de politieke en sociale instituten en alle andere vormen in de samenleving/burgerlijke maatschappij. Corporaties, instituten, etc. zijn in zekere zin alleen maar gestructureerde samenwerkingsverbanden die tot stand zijn gekomen door menselijke interactie (Hegel) en waarin experts kunnen groeien (Aristoteles/MacIntyre).

Het verschil met MacIntyre (en in zekere zin ook Aristoteles) kan geduid worden door de praktijk te benadrukken. MacIntyre stelt dat de praktijk experts vormgeeft door te oefenen. Experts weten wat het beste is en welke keuzes gemaakt moeten worden omdat ze ervaring op hebben gedaan in de praktijk.
Voor Hegel is de dagelijkse praktijk een wereld waarin mensen elkaar erkennen en dat uit deze erkenning een wereld wordt vormgegeven met instituten. Neem bijvoorbeeld het economisch systeem. Hegel, in lijn met Adam Smith, gaat niet zozeer uit van een expert zoals een ondernemer die de juiste egoïstische keuzes maakt om ten koste van de ander beter te worden. De mens moet juist de behoeftes van de ander erkennen en juist de wederzijdse erkenning kan ervoor zorgen dat de producent de juiste producten produceert die de consument wil consumeren. En daarnaast is het economisch systeem, zoals dat is georganiseerd, in veel opzichten voor ons vanzelfsprekend en daarnaast ook het product van wederzijdse erkenning en ontwikkeling. Iemand die de gezamenlijkheid niet erkent en anderen daarmee ook niet erkent, zal moeilijk in vrijheid zichzelf kunnen ontwikkelen. Iemand die zelf niks wil bijdragen aan de ontwikkeling van de gezamenlijke wereld, zal zichzelf ook niet ontwikkelen. De dagelijkse praktijk is niet alleen maar een praktische oefening in expert-wording, maar ook een oefening in het samen vorm geven aan de wereld en elkaar en elkaar erkennen als mensen met een individuele behoefte en streven.

Het is dan ook niet vreemd dat Hegel en von Humboldt mensvorming en onderwijs samen laten vallen onder het thema Bildung, waarbij onderwijs erop gericht is lerenden oefenen in het samenleven en vorm geven aan de wijze van samenleven. Hiervoor moet de lerende “gebildet” worden: oefenen in het ervaren van rijkdommen van de samenleving in breedste culturele, sociale, politieke, kunstzinnige, wetenschappelijke, religieuze zin van het woord… brede vorming dus.

Lees in dit kader ook het artikel “Maar welk onderwijsheid willen we?”.