Wat maakt de mens? Paragraaf 7.2

Een niet onderzochte les is het niet waard gegeven te worden.

Wat maakt de mens? Paragraaf 7.2

Vraag 1: Op pagina 160, paragraaf 7.2, regel vier staat: “Voor Clark vormt taal het beste voorbeeld van hoe de inlijving van iets uitwendigs ons intelligent handelen en denken naar een hoger niveau tilt.” Het onderstaande bericht komt van een Plus Supermarkt in Boxtel. Blijkbaar zijn een aantal consumenten het Page-toiletpapier gaan plunderen. In het onderstaande bericht wordt het begrip “invasie” gebruikt.

Invasie(def): het vijandelijk binnendringen.
a. Wat voor “uitwendigs” zullen de opstellers van deze aankondiging waarschijnlijk ingelijfd hebben?

b. Op 14 januari 2024 wordt bij het Tv-programma buitenhof (vanaf 12:30m) de genocideaanklacht van Zuid-Afrika richting Israël, en Israëls aanval in de Gazastrook, bij het Internationaal gerechtshof besproken door Geert-Jan Knoops en Liesbeth Zegveld. Ze bespreken de vraag in hoeverre er sprake kan zijn van genocide. Genocide zou volgens Knoops gaan over een conflict tussen twee landen. Gaza en Hamas is geen land. Zegveld stelt dat het de verantwoordelijkheid is van de gehele internationale gemeenschap om genocide te voorkomen.
Ook benoemen beiden dat het bij genocide niet zozeer gaat om de consequentie (gevolgenethiek), maar om het aloude Kantiaanse principe-ethiek, m.a.w.: de intentie. Is het de intentie van Israël om alle Gazanen te verwijderen / vermoorden? Er kan immers ook sprake zijn van massamoord, het schenden van oorlogsrecht, etc.
Er zijn dus verschillende begrippen om over de meest ellendige zaken in de wereld te spreken. Beiden geven aan dat voor veel mensen dergelijke begrippen door elkaar lopen en inwisselbaar worden gebruikt. Vanuit de emotie vindt men iets vreselijk en wil men daar willekeurig begrippen aan koppelen. Toch is dit onwenselijk. We hebben kennen en begrip nodig om te denken. Aristoteles leerde ons al dat we allemaal emotie hebben, tevens het vermogen om gehoor te geven aan deze emoties én kunnen nadenken over hoe we vervolgens gehoor willen geven en willen handelen.
Leg uit dat het niet emotieloos is, wanneer je verschillende begrippen wilt koppelen aan gruwelijke om het boek aan de halen (p. 160, 7.2, alinea 1) “heel tastbare, wereldse aspecten”?

c. Leg uit wat er kan gebeuren met ons begrippenkader wanneer we vervallen (en begrijpelijk ook) in neuraal opportunisme.

Vraag 2: Clark stelt dat symbolen (taal) leiden tot een uitbreiding van de cognitieve mogelijkheden. Er wordt een experiment uitgevoerd met chimpansees. Ze leren de concepten gelijkenis & verschil. Zo kunnen ze twee gelijke bananen onderscheiden en twee gelijke schoenen.
a. Leg uit hoe chimpansees net als mensen met taal leren associëren.

b. Leg ook uit hoe belangrijk het ontwikkelen van associatievermogen is voor i. het abstractievermogen van de mens en ii. de uitbreiding van de cognitieve vermogens (taal nodig om te denken). Verwerk in je antwoord ook Heideggers uitspraak: “De taal is het huis van het Zijn”.

c. Vervolgens leert groep 2 een gele driehoek te verbinden met twee DEZELFDE dingen en een rode cirkel met twee VERSCHILLENDE dingen. Groep 2 is in staat om een associatie te leggen tussen de overeenkomst tussen kopje/schoen (verschil) en banaan/kopje (verschil). Groep 2 is in staat de conclusie te trekken dat er in beide gevallen sprake is van verschil en dat dus de overeenkomst het verschil is. En wanneer er sprake is van kopje/kopje (gelijkenis) enerzijds en banaan/kopje (verschil), dan associeert de chimpansee dit met wat deze heeft geleerd van de rode cirkel: de twee paartjes zijn verschillend. De ene heeft twee overeenkomstige dingen en de andere twee verschillende dingen.
Waarom is associatie en taal een manier om het abstractievermogen van bijvoorbeeld mensen en daarmee de cognitieve uitbreiding te verbeteren?

d. Wat gebeurt er met het abstractievermogen en de cognitieve ontwikkeling van mensen, wanneer we (de verbeelding) het associatieve en fantasierijke menselijke vermogen niet meer of minder triggeren?

Vraag 3: Roze stuk (p. 163).
a. Leg uit hoe we volgens Clarke de taal kunnen gebruiken als steiger om bouwwerken te realiseren.

b. In de opvoeding leren we taal van ouders, docenten, boekjes, vrienden, etc. In onze weg naar volwassenheid leren we in de omgang met onze (uitgebreide) buitenwereld taal en gebruiken we deze taal ook om een steiger te bouwen. Leg uit waarom de weg naar volwassenheid leidt tot het bouwen van steigers en op welk punt volgens jou de steigers afgebroken zouden kunnen worden en het bouwwerk vast op de grond staat.

c. Wat bedoelt Clarke met ene MINDWARE UPGRADE? Geef een voorbeeld uit je eigen leven van een MINDWARE UPGRADE. (Even tussendoor: een typisch technologisch begrip natuurlijk).

d. In de film “The Neverending Story” komt de hoofdrolspeler Atreyu de Gmork tegen. Atreyu ziet dat de wereld langzaam in het niets vergaat. De Gmork is “the servant of The Nothing”. Een wolfachtig wezen die Atreyu moet vermoorden. In de scene hebben Atrey en de Gmork een gesprek. De Gmork zegt dan de Human Phantasy aan het uitsterven is. Ik zou zeggen het associatievermogen, en MINDWARE UPGRADE vindt niet meer plaats :), waardoor we niet ver komen en alles in het niets vergaat. Ik citeer graag (p. 164): “Met ons naakte brein, zonder inzet van externe hulpmiddelen, komen we niet ver”.
De Gmork vertelt Atreyu dat Human Phantasy geen “boundaries” kent. In de tekst op 164 staat: “Maar wanneer we reeksen woorden eenmaal kunnen reciteren, lijstjes kunnen bijhouden, diagrammen kunnen maken en zelfs ‘big data’ kunnen vergaren en opslaan, verleggen we de grenzen van de problemen die we kunnen oplossen, zonder dat er een eind in zicht is”. Met andere woorden: Een NEVERENDING STORY!
Deze film komt uit de jaren 80. De nadruk werd toen gelegd op de menselijke creativiteit. Clark legt met name de nadruk op de noodzaak van externe hulpmiddelen om associaties te kunnen leggen en wellicht creatief te kunnen zijn.

Leg uit dat in de jaren 80 de individuele creativiteit zorgt voor het oneindige voortbestaan van de wereld.
Leg uit dat in lijn met Clark niet zozeer de individuele creativiteit zorgt voor het oneindige voortbestaan, maar de relatie tussen het individu met inzet van buitenwereld met haar “externe hulpmiddelen”. Waarom in de relatie tussen het individu dus extern uitgebreid moet worden om niet in het niets te vervallen.

Vraag 4: Kernbegrip TRANSPARANTIE! Onderaan bladzijde 164 staat “de stok van de blind” (Merleau-Ponty). Leg uit wat het verband is tussen vanzelfsprekendheid, vloeiend en transparant in het gebruiken van externe dingen. Geef ook aan wat het verschil is tussen transparantie en vanzelfsprekendheid enerzijds en het moeten nadenken over hoe je iets externs gebruikt. Geef een eigen voorbeeld.

Primaire tekst 7a.

Vraag 5: Op p. 165 en 166 worden twee experimenten besproken. De kern is dat ons belichaamde lichaam van nature in staat is om voorwerpen (extern) letterlijk in-te-lijven. In-het-lijf te brengen en als een deel van het lijf te ervaren.
a. Een volgend niveau is de relatie tussen het ingelijfde voorwerp en het lijf zelf. Iemand kan een prothese gebruiken om te lopen, maar in het begin zal het niet vanzelf gaan. Leg uit waarom de prothese in het begin nog niet “transparant” is voor het eigen lijf.
b. Geef vier voorbeelden van de door jou ingelijfde voorwerpen.
c. Probeer ook voorwerpen te noemen die je hebt ingelijfd, maar die zich wederkerig ook aan jou hebben weten aan te passen.
d. Leg uit wat een interface is. Wat is het verband tussen het bewust een commando moeten geven aan een interface enerzijds en het feit dat een voorwerp nog niet transparant is.
e. Geef een voorbeeld van hoe de symbiose tussen mens en techniek een Cyborg vormt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

15 − tien =