Wat voor wezens zijn wij?

Wat voor wezens zijn wij?                                                                    (Datum: 23-11-2011)

Het geluid van een gitaar, wordt bepaald door een aantal factoren: 1. De toonhoogte, 2. De spanning 3. Het materiaal 4. Het akkoord.

De bespeler van de gitaar is de brug tussen geluid en muziek en het is juist deze overbrugging, waarin de bespeler zijn eigen idioom ontwikkelt. Het is de bespeler die via deze route zijn uniciteit, zijn schreeuw om erkenning, openbaar maakt en zich geworpen voelt in een, buiten hem om existerende muzikale wereld waarin anderen ook hun muzikaliteit willen doen laten gelden met ieder een ‘eigen’ unieke schreeuw om erkenning. Deze schreeuw om erkenning, in de muzikale wereld, lijkt muzikant ‘eigen’ te zijn. Hoe muzikaal een idioom ook klinkt, iedereen wil zich ergens kunnen herkennen in de muzikale wereld, waar zou anders überhaupt de aanleiding vandaan komen om een brug te willen slaan? Juist in deze overbrugging door de muzikant vinden we het gebied van de vrijheid. Een gebied van de vrijheid waar hij zijn mooiste klanken kan doen laten klinken in zijn particuliere schreeuw om de gevoelige harten van anderen te raken, waarmee ik niks heb gezegd over wat mooi en gevoelig is. We vinden de vrijheid in onszelf. Wij overbruggen dat wat tussen geluid en muziek in staat. Dit ‘overbruggen’ brengt ons oneindig veel variatie. Als bespeler van de gitaar tracht ik met mijn particuliere, unieke variatie, de lezer te raken door andere ‘overbruggers’ te overschreeuwen en via deze weg het gevoelige hart te raken met mijn ‘mooi’.

  1. De toonhoogten betreffende het ‘zelf’

Veel ‘overbruggers’ hebben, via het schrift, mijn gevoelige hart geraakt met een voor hun uniek, particulier ‘mooi’ akkoord. Locke, Hume, Gallagher, Damasio, Bermudez, Gibson, Metzinger en Zahavi hebben ieder voor zich, een unieke visie op het ‘zelf’, de ‘persoonlijke identiteit’ gecomponeerd, maar voor mij is ieder afzonderlijke compositie, een afzonderlijke ‘eigen’ gespannen toon, waarmee ik ‘iets eigens’ moet leren componeren. Ik ben vrij zo te componeren, zoals ik denk dat de waarheid me wordt gegeven.

  • Locke

Locke maakt geen verschil tussen bewustzijn en zelfbewustzijn. Het geheugen herinnert zich concepten, voortkomend uit een geschiedenis in retentie[1]. Met deze herinneringen, anticipeert het geheugen op de toekomst, door tot handelen over te gaan. Het geheugen met zijn conceptuele[2] herinneringen en anticipaties op de toekomst, vormt in het nu, de persoonlijke identiteit[3]. Het bewustzijn van deze vorm[4] van persoonlijke identiteit brengt verantwoordelijkheid met zich mee. Maar kunnen we dit geheugen dan simpelweg in een ander lichaam plaatsen, zonder de persoonlijke identiteit te veranderen? Spreken we hier van een onveranderbare, overdraagbare immateriële geest? Waar komt deze immateriële geest vandaan? Staat een persoon los van een lichaam[5]? Staat de geest lost van een persoon?

  • Hume

Volgens Hume bestaat er geen empirisch ‘zelf’ of persoonlijke identiteit. Misschien hebben we een gevoel van ‘zelf’, maar we kunnen nergens een impressie vinden, waarmee we dit gevoel empirisch kunnen verklaren. Er bestaan geen onveranderbare impressies, maar wel percepties. Het ‘zelf’ is een bundel van ‘percepties’. Het is een vergissing te denken dat een bundel van ‘percepties’ onveranderbaar[6] is en dat we daaraan identiteit kunnen koppelen. Wat is dit ‘mysterieuze’, dat deze bundel van percepties tot een vaststaande identiteit koppelt? Wat zijn de verschillende percepties die ik naar boven haal door mijn conceptuele denken? Dat lijkt identiteit, maar deze identiteit wordt gevormd door het geheugen. En daar waar de causale verbanden tussen percepties veranderen, verandert de persoonlijke identiteit mee[7].

  • Gallagher

Vanuit een puur conceptueel onderscheid tussen (a) fenomenale aspecten van de ervaring en (b) prenoetic aspecten van belichaming[8], probeert Gallagher een nieuw idioom te creëren voor de ruimte[9] tussen het Cartesiaanse, eerste persoonsperspectief[10] en de wetenschap, die zich voordoet als een objectief, derde persoon[11]. Een ruimte waarbinnen wordt gesproken over twee losse systemen van body image[12] en body schema[13]. Een ruimte waarbinnen elkaars afhankelijkheid[14] duidelijk wordt als een van beiden ontstemd raakt en opnieuw op elkaar afgestemd moeten worden, door het subject.

Dit stemmen kan bewust conceptueel ervaren worden tijdens het construeren[15] van een body image, waarbij ‘het conceptuele denken’ (CD) het lichaam categoriseert als een fenomeen bestaande uit meerdere afzonderlijke fenomenen en als fenomeen op zichzelf staande in de totaliteit[16]. In tegenstelling tot het body image stemt het body schema zich automatisch, zonder bemiddeling door CD, met de omgeving. In dit stemmen erkent het lichaam ‘bewust’ het ‘zelf’ in de wereld, maar CD is zich hier niet van bewust.[17] Er zijn aangeboren[18] eigenschappen die lijken op een body schema, dat primitief[19] bewust is van de omgeving. Dit primitief bewuste body schema kan, zonder conceptueel hiervan bewust te zijn, op de omgeving reageren[20]. Maar dit reageren, ‘proprioceptive awareness (PA)’, kan ook bijna synchroon lopen met CD[21]. Dit impliceert een onderlinge afhankelijkheid[22]. PA stuurt ‘het motorschema’ (MS) aan, bemiddeld door zintuiglijke ervaring[23], en stemt zo ook de grond (het lichaam) van CD[24]. Omgekeerd stemt CD, PA daar waar nodig. De intentie om CD te gebruiken[25] vindt zijn grond in voor CD onbewuste processen[26], namelijk een aangestuurd MS gevoed door PA.

  • Damasio

Het protozelf, als combinatie van het motorschema[27] en hormonale en humorale toestanden in het lichaam, grondt bewustzijn. In afstemming met objecten vormt ieder wezen images[28]. Ieder wezen is zich bewust van het zelf dat zich afstemt op de objecten, dit noemt Damasio ‘kern-bewustzijn’[29]. Het subject ‘mens’[30] bezit ook een ‘autobiografisch zelf’. Door dit ‘autobiografische zelf’[31] kan subject, voorbij het ‘nu, kijken naar het verleden en de toekomst[32]. Vele processen in het eigen lichaam brengen emoties voort en dezen zorgen voor gevoel. Een mens bezit images van gevoel en kan zich bewust afstemmen op deze images van gevoel. Images van gevoel zijn veranderbaar. In eerste instantie representeert protozelf, objecten in het brein. De verandering, ingezet door gerepresenteerde objecten van buitenaf door protozelf, richting nieuwe images geeft een gevoel[33] weer. Dit gevoel geeft het gevoel van ‘ipseity’[34]. Aaneengeschakelde, tot het subject voorhanden, komende momenten van objecten, worden gevangen door geheugen. Deze gevangen informatie in het geheugen kan door protozelf, ook als object worden gerepresenteerd. Via deze route is het autobiografische zelf gebaseerd op kern-zelf[35].

  • Bermudez

Het kunnen spreken over “ik”, veronderstelt dat er al een ik is dat spreekt over “ik”. Dit ‘talige[36] ik’ lijkt geen absolute voorwaarde voor zelfbewustzijn. Er moet iets niet-taligs vooraf gaan aan zelfbewustzijn. Wat we waarnemen wordt, door het subject, gedeeltelijk gecategoriseerd[37] in concepten en gedeeltelijk autonoom, niet-conceptueel opgenomen. Het onderscheiden van een ‘zelf’ met de wereld kan ook autonoom, niet-conceptueel tot stand komen[38]. Het hele organisme neemt waar[39] en stemt zich af op de wereld. Waarnemingen helpen het organisme aan informatie waar naartoe te bewegen.

  • Gibson

Voor Gibson veranderen wij fysische objecten niet in eigen waardevolle concepten en worden deze concepten niet gevoed door betekenisloze stimuli. Gibson zet zich af tegen ideeën van interne, cognitieve, mentale concepten[40]. Kants idee dat perceptie zonder concepten, blind is, is onwaar volgens Gibson. Gibsons primitieve idee van ecologisch zelfbewustzijn blijkt al aanwezig te zijn in pasgeboren baby’s[41]. Bovenop dit primitieve idee van ecologisch zelfbewustzijn kan een complexere, eventueel conceptuelere vorm van zelfbewustzijn ontstaan[42].

  1. Gespannen tonen

Er zijn zes verschillende tonen gespannen:

Locke: er is geen verschil tussen bewustzijn en zelfbewustzijn. Het bewustzijn bestaat niet uit materie en is ongrijpbaar. Het idee persoon lijkt overdraagbaar van het ene lichaam naar een ander lichaam.

Hume: het ‘zelf’ is een bundel van ‘percepties’. Het is een vergissing te denken dat een bundel van ‘percepties’ onveranderbaar is en dat we daaraan (persoonlijke) identiteit kunnen koppelen.
Gallagher: er is een ruimte tussen het Cartesiaanse, eerste persoonsperspectief en de wetenschap, die zich voordoet als een objectief, derde persoon. Om tot een articulatie te komen, wat er gebeurt in deze ruimte, hebben we een vocabulaire nodig. Het conceptuele onderscheid tussen body schema en body image moet niet zo absoluut gedacht worden, maar gezien worden als noodzakelijk voor de vraag naar de identiteit, het ‘zelf’. Onbewust wordt richting gegeven aan ‘het conceptuele bewustzijn in taal’. Sommigen zullen dit onbewuste zien als een bewuste afstemming van het lichaam op zijn omgeving, los van ‘het conceptuele bewustzijn’ en anderen zullen dit onbewuste zien als een onderdeel van bewustzijn, waarmee het onderscheid dus niet zo absoluut tot stand kan komen.

Damasio: het protozelf is een combinatie tussen motorschema en hormonale en humorale toestanden in het lichaam. Deze combinatie geeft grond aan het bewustzijn. Damasio lost ‘hard problem’ niet op. Waar komen mijn talige concepten met afwegingen, verhoudingen van oordelen en structuren, vandaan?

Bermudez: het onderscheiden van een ‘zelf’ met de wereld kan ook autonoom, niet-conceptueel tot stand komen.

Gibson: een complexe conceptuele vorm van zelfbewustzijn kan alleen gebouwd worden op een primitieve ecologisch zelfbewustzijn.

  1. Het materiaal waarop de tonen gespannen kunnen worden.

Deze zes verschillende tonen spannen zich in mijn conceptuele bewustzijn en via deze route wordt dit bewustzijn van mijn ‘persoonlijke identiteit’, geuit in taal.

  1. Het stemmen van gespannen tonen en het komen tot een akkoord.

Wanneer Locke een toon voortbrengt waarin het bewustzijn onveranderbaar en empirisch onvindbaar is, dan knapt bij mij zijn snaar. Een gevoeligere snaar zou me wel kunnen brengen tot een idee, waarin het bewustzijn hetzelfde is als zelfbewustzijn, maar dan los van het idee dat dit zelfbewustzijn overdraagbaar is. Wanneer Hume speelt dat (persoonlijke) identiteit veranderbaar is, verplicht hij zichzelf continu een melodie te spelen en zijn particuliere tonen telkens weer te stemmen. In deze continuïteit van stemmen, in een continue stroom van toekomst, via het heden naar verleden, begeeft het subject zich in relatie tot de wereld, waarin het subject is geworpen. Gallagher geeft ons een mooi vocabulaire om de continuïteit van stemmen, in relatie tot de wereld, tot poëzie te maken. Een poëzie waarin bewustzijn en zelfbewustzijn, body schema en body image, in de wereld, louter conceptueel gescheiden worden, om een zuivere discussie mogelijk te maken, maar misschien wel in zijn essentie als een gedacht zou moeten worden. Met dank aan Gallagher, construeer ik nu mijn eigen poëzie, waarmee ik de continuïteit van Hume en het idee van Locke, dat bewustzijn en zelfbewustzijn hetzelfde is, in elkaar laat vallen. Damasio geeft aan dat het conceptuele bewustzijn, waar mijn poëzie misschien wel uit voort komt, gestemd wordt door een onderliggend protozelf dat continu de wereld herstemt, zodanig dat het organisme zich ‘juist’ blijft oriënteren. Het conceptuele talige, poëtische, bewustzijn kan dan ook niet zonder dit onderliggend ‘protozelf’. Vervolgens stelt Bermudez dat we niet afhankelijk hoeven te zijn van een talig conceptueel bewustzijn om ‘zelf’ te kunnen formuleren met behulp van taal (moet ik me nu zorgen gaan maken?). Gibson gaat hier verder door te stellen dat het ‘zelf’ tot uiting kan worden gebracht door a piori een primitief ecologisch zelfbewustzijn, dat niet talig en/of conceptueel is, maar wel een grond geeft, waarop talig, poëtisch, conceptueel denken gebouwd kan (blijven) worden.

Toch kom ik niet tot een zuiver akkoord. Ik blijf continu de verschillende tonen stemmen in nieuwe akkoorden. Soms wringen deze akkoorden en soms laat ik mijn ‘persoonlijke smaak’ de boventoon voeren. Continue verandert mijn concept over mijn persoonlijke identiteit, maar ik ervaar mezelf nog steeds net zo sterk als altijd als mezelf. Ik zou niet weten hoe ik mezelf niet zou moeten ervaren, ook al weet ik dat er mensen bestaan met dergelijke ervaringen. Ik denk dat mijn lichaam en daarmee mijn concepten/beelden continu veranderen en dat dit conceptuele denken wat ik nu op zichzelf ook conceptueel denk, voortkomt uit onderliggende processen, protozelf, ecologisch zelfbewustzijn, hormonale processen etc. Toch blijf ik dit in concepten uitbeelden en de ogenblikken van irrationaliteit, van tegenwoordigheid van geest, van openheid, in de wereld, zonder bevooroordeelde, conceptuele structuren van de (menselijke) waarheid, zijn me wel bekend, maar nauwelijks in taal uit te drukken. De ‘amateur’ poëet in mij doet wel eens een poging, dat wat ik voel in taal uit te drukken.

In vergelijking met mijn eerste opdracht, heeft dit dwingende karakter me wel degelijk veranderd. Ik sprak toen over de wetenschap, die mij vast wil pinnen, van hoog naar laag. Ik heb nu een nadrukkelijk breder vocabulaire, waarmee ik dit ‘vastpinnen’ kan articuleren, maar waarmee ik mezelf ook duidelijker kan stemmen als subject in-de-wereld, dat zich nog bewuster wordt van een ‘zelf’ dat zich ook tegenover de wetenschap kan stellen. Iedereen stemt zich om mij heen, maar ik krijg dat “om mij heen” niet zuiver eentonig.  Tegenover de strijd van iedereen, waarin men mij wil overstemmen door mijn akkoord te overschreeuwen, sta ik in een ruimte tussen mij en deze wereld van strijdende akkoorden en vanuit deze ruimte blijf ik schreeuwen, me autonoom vrij voelen en me verbazen. Ik wil de vrijheid nemen eigen akkoorden te stapelen tot een uniek akkoordenschema of tot zelfs een volledige compositie en ervaren hoe ver[43] ik kan gaan met opstapelen. Als musicus wil ik niets minder dan erkenning door diepe ontroering bij de ander, met mijn allermooiste akkoord.

[1] Het concept ‘retentie’ van Husserl bestond in de tijd van Locke nog niet, maar ik vind het hier heel treffend.

[2] We kennen deze identiteit als concept alleen door bemiddelde van een conceptueel denken.

[3] Het is dus niet mogelijk nu een identiteit te hebben op verschillende plekken te zijn en om verschillende identiteiten op dezelfde plek te hebben.

[4] Later zal blijken dat er ook nog, naast het en/of vooraf aan het conceptuele denken, onbewuste door het lichaam bemiddelde vormen bestaan die het intentionele handelen beïnvloeden. Het intentionele handelen wordt daarmee niet louter door een persoonlijke identiteit als het bergen van herinneren gestuurd.

[5] Als iemand zijn geheugen verliest, is deze dan niet meer dezelfde persoon als voorheen? Onthouden we het verleden perfect genoeg om dezelfde persoon te kunnen zijn en blijven?

[6] Veel veranderingen kunnen we nauwelijks met het blote oog in de tijd waarnemen.

[7] Zo ook dus de persoonlijke identiteit.

[8] Embodiment

[9] Deze ruimte tussen het eerste en derde persoonsperspectief wordt ook wel de ‘the explanatory gap’ of ‘the hard problem’ genoemd.

[10] De persoonlijke identiteit als geheugen (Locke).

[11] Een ‘zelf’ als continu veranderende percepties en causale verbanden tussen percepties (Hume).

[12] Het conceptuele (talige) denken dat zich bewust een beeld vormt van het eigen lichaam als concept in taal.

[13] Het denken dat ‘sense’ maakt van de omgeving en bijna automatisch enkele motorische handelingen uitvoert (sensory-motor capacities).

[14] Body image (double dissociation(ontkoppelen/uiteenvallen) ) & body schema (deafferentation, het niet goed of niet verwerken van waarnemingen)

[15] Componeren

[16] Het universum, de wereld, cosmos.

[17] Louter binnen het domein van ‘conceptueel denken’ is er een bewustzijn van body image en on-bewustzijn van body schema

[18] Innate

[19] Primitief en zonder een perspectief van waaruit iets bekeken kan worden, maar een samenwerking tussen de omgeving en het lichaam.

[20] Proprioceptive awareness (PA). Het conceptuele denken hoeft niet over alle handelingen na te denken.

[21] Denk bijvoorbeeld aan een bewuste uiting in taal (conceptueel) en het daarnaast bijna synchroon lopende en ‘passend’ gebaar (motorisch).

[22] Zoals eerder al werd omschreven is het onderscheid vooral een conceptueel onderscheid om zo tot een idioom te kunnen komen voor een nieuwe ruimte tussen eerste en derde persoonsperspectieven.

[23] PA geeft motorcommando’s, maar stuurt ook een efference copy (EC). EC wordt vergeleken met informatie van de zintuigen (re-afferente feedback). Dit systeem noemt Frith ‘self-monitoring’.

[24] Het lichaam dat de geest zijn grond geeft en informeert d.m.v. PA/zintuigen.

[25] Om tot een unieke compositie te komen!

[26] Als het CD onbewust niet goed bemiddeld wordt, kan men zich geen agent meer voelen van het eigen handelen (schizofrenie).

[27] Zie Gallagher

[28] Bewuste eerste persoon, conceptuele ‘images’, maar ook derde persoon onbewuste ‘images’

[29] Core-consciousness

[30] Misschien ook enkele mensapen.

[31] De mens transcendeert het nu, door dit autobiografisch zelf gevuld met concepten/images. (Wat dit autobiografische zelf allemaal te betekenen heeft voor het intentionele handelen, hoe de structuren van images/concepten gevormd en herworden worden, wordt niet verklaard door Damasio).

[32] lees noot 1.

[33] Een gevoel van verandering van de wereld om het subject heen en daarmee, door dit voelen van veranderingen, wordt het subject zich bewust van de wereld om hem heen en van de eigen positie in deze wereld.

[34] Individualiteit/zelfcontrole

[35] Met kernbewustzijn.

[36] Thought-language principle. Contra Heideggers uitspraak: “Die Sprache ist das Haus des Sein”

[37] De laag van het autobiografische waarnemen en het denken in verleden en toekomst d.m.v. taal.

[38] Nonsolipsistic consciousness

[39] Waarnemen is niet direct en direct. Er is altijd interactie tussen organisme en omgeving. Waarnemen is niet louter een cognitieve activiteit. Waarnemen gebeurt continu. (Gibson)

[40] Heidegger stelt dat het conceptuele denken vaak de waarheid verbloemd en dat de wetenschap hier het meeste aan meewerkt. Aan de andere kant is Heidegger heel erg pro-poëzie als ultieme uitdrukking van het ‘ogenblik’ en de directe connectie, met tegenwoordigheid van geest, met de wereld, los van enige rationele gedachten. Daar waar men zich verveelt, leert men de eigen wereld pas echt kennen, louter omdat er niks in de totale wereld is, wat de verveling doet stoppen. Op dat ogenblik, staat het subject in-de-wereld, in relatie met de wereld. Maar vanuit Gibson gedacht neemt het subject automatisch en onbewust informatie op, zonder dat hier enige poëzie aan vooraf gaat. Hierin lijkt Gibson lijnrecht tegenover Heidegger te staan.

[41] Dit blijkt in het huilen, imiteren en reiken van baby’s, waarmee ze zich onderscheiden van de wereld.

[42] Verklaring hoe ik over “ik” kan spreken en denken.

[43] “I’ve been chasing ghosts, and I don’t like it. I wish someone would show me where to draw the line. I’d lay down my sword, if you would take it. And tell everyone back home, I’m doing fine” (John Cale, ‘Dying on the vine’. http://www.youtube.com/watch?v=qOhVEtTsU4I)