Scepticisme – par. 4.5 – 4.7 – antw.

Paragraaf 4.5

  1. Leg uit dat er parallellen zijn tussen a. de mogelijkheid van zombies en de mogelijkheid van hallucinaties en b. de mogelijkheid van spectruminversie en de mogelijkheid van illusies. Een filosofische zombie (pag. 115) beschikt over eenzelfde binnenwereld als een niet filosofische zombie. Beiden registreren zaken uit de buitenwereld op eenzelfde manier. De manier hoe (de kwalitatieve ervaring) verschilt. Een Robot kan registeren, maar wellicht anders ervaren. Juist de fenomenale ervaring maakt wellicht dat robots anders zijn dan mensen. We kunnen dus een robot bekijken en zien dat ze van binnen hetzelfde registreren, maar een robot (zo is het idee) kan nooit op eenzelfde manier bijvoorbeeld een concert ervaren zoals een mens dat kan. Hetzelfde vanuit spectruminversie. Dit is het idee dat we allemaal de kleur rood zien, maar dat in werkelijkheid we de kleur rood verschillend ervaren… Maar hoe we deze verschillend ervaren, kunnen we (wellicht) niet weten.
  2. In hoeverre is het direct realisme van Thomas Reid betrouwbaar als het gaat om het gezonde verstand dat als zodanig in staat moet worden geacht dat er andere geesten in de wereld bestaan. De wetenschap lijkt dit enigszins te ondersteunen, maar wat als er AI komt waarbij de robot niet meer te onderscheiden is van een andere geest? Hebben robots dan logischerwijs ook niet gewoon een geest als het gezonde verstand ze ook ervaart als een andere geest? Moeten robots dan ook niet dezelfde rechten krijgen als mensen? Als het gezonde verstand geen onderscheid meer kan maken tussen een robot en een mens EN het gezonde verstand, de ratio, is het criterium op grond waarop we recht baseren, dan wordt het problematisch om AI geen (mensen)rechten te geven.
  3. Leg uit, aan de hand van een moeder en kind die naar elkaar lachen, dat op basis van spiegelneuronen mensen toegang hebben tot elkaars bewustzijn. Spiegelneuronen verraden de onlosmakelijke verbinding tussen mensen die elkaars gedrag kopiëren nog voordat ze hier werkelijk bewust van zijn en discussiëren over zaken (zoals spiegelneuronen). Eerst is de toegang tot elkaar (spiegelneuronen) en daarna kunnen we met elkaar bijvoorbeeld een taal ontwikkelen op grond waarop we kunnen praten over spiegelneuronen.
  4. Kunnen we, in lijn van John Stuart Mill, op basis van een gedragsanalyse toegang krijgen tot andere geesten? Kunnen we andere geesten herkennen door het gedrag dat ze vertonen en hoe dat lijkt op ons eigen gedrag? Dit is het fundament voor veel gedragswetenschappen. De gedragswetenschappen doen onderzoek en blijven altijd vragen stellen. Het feit dat ze vragen blijven stellen, verraadt wellicht al dat ze nog geen 100% toegang hebben gekregen tot het gedrag van mensen en de voorspelbaarheid van dit gedrag. Het blijft heel moeilijk om het gedrag te voorspellen. Lees bijvoorbeeld het volgende artikel: https://www.trouw.nl/home/het-is-crisis-in-de-psychologie-en-er-is-maar-een-manier-om-dat-op-te-lossen~a4c8dacd/. Daarnaast gaan er steeds meer ideeën op dat kunstmatige intelligentie (AI) steeds beter ons gedrag kan voorspellen en beter “weet” wie wij “zijn”.
  5. Wat als robots identiek gedrag vertonen als jij zelf? Wat als jezelf zo bent geconditioneerd dat je bent gaan wennen aan de robot en je wellicht bent gaan aanpassen aan deze robot? Wat als de robot zich is gaan aanpassen aan jou? Wat als robots en mensen zich aan elkaar aanpassen en elkaars gedrag kopiëren? Kunnen we andere geesten dan nog herkennen? Wat zijn dan nog andere geesten? Als we opgroeien in een wereld met robots die op ons lijken dan beïnvloeden robots en geesten elkaar en “wennen” ze aan elkaar. Het blijft dan maar de vraag of ze elkaar nog betekenisvol kunnen onderscheiden. De wederkerige relatie wordt dan heel vanzelfsprekend een onderdeel van het opgroeien en leven.

Paragraaf 4.6

  1. Hebben dieren opvattingen? Zijn deze hetzelfde als opvattingen van mensen? Er is steeds meer onderzoek dat dieren op een bepaald niveau beschikken over denken en moraliteit. Maar dat “niveau” is moeilijk te vatten voor ons mensen.
  2. Geef een voorbeeld (kattenfilmpjes :)) waarbij mensen opvattingen opplakken op iets of iemand die vooral menselijk is maar discutabel is. Dit is nonsense.
  3. Delen mensen en dieren bepaalde concepten? Het taalspel lijkt toch vooral een menselijk taalspel. Is dit niet problematisch als het gaat om de positie van het recht en dierenrechten en de opvatting dat de mens een dier is en niet superieur is aan de rest van de dieren? Kun je deze niet-superioriteit wel stellen in een taalspel dat alleen voor mensen toegankelijk is? Ik zou zelf zeggen van niet, maar dat ligt een beetje aan hoe je een concept definieert.
  4. Is juist de toegankelijkheid van het taalspel niet een teken dat de mens wel superieur is? Wat vind jij? Eigen mening.
  5. Leg aan de hand van de twee principes van Aristoteles uit wat het begrip “Hylemorfisme” betekent. Alle vormen van leven hebben bewustzijnsvormen. Hyle (materie) morphe (vorm). De ziel is de vorm. Planten hebben een vegetatieve ziel, dieren een sensorische en mensen een rationele ziel.
  6. Werk het hylemorfisme uit, zodanig dat je tot het panpsychisme komt. Als je niet alleen levende wezens een ziel toedicht, maar aan alle objecten, dan kom je tot het idee dat alles ziel heeft. Pantheorie is een theorie van alles.
  7. Wat is het verschil tussen panpsychisme en solipsisme? Werk bij het solipsisme de positie van Rene Descartes (cogito ergo sum) ook uit. Rene Descartes komt via 1. Perceptuele vergissingen, 2. Droom, 3. Kwade demon tot de conclusie dat een ding wel zeker is en dat is dat hij twijfelt, dus denkt en dus bestaat: cogito ergo sum. Het enige zekere is dat ik als denkend en twijfelend ding besta. Verder moet aan alles, dus ook andere mensen, andere geesten, alles wat ik zie, getwijfeld worden. Natuurlijk zet Descartes NA cogito ergo sum nog meer stappen om de buitenwereld te bewijzen, maar als we deze stappen niet zetten en stoppen bij cogito ergo sum, dan blijft alleen het denkende ding over als datgene wat zeker bestaat. Panpsychisme gaat juist uit van het idee dat ik niet in mijn eentje besta als denkend ding, maar dat alles een ziel heeft, van een steen tot een andere geest.

Paragraaf 4.7

Geef een samenvatting van de drie deelproblemen en benaderingswijzen in het boek: metafysisch scepticisme, epistemologisch scepticisme en conceptueel scepticisme. Dit kan ook een schrijfopdracht zijn voor punt! Dit is voor jezelf.