Wetenschapsfilosofie – les 1 – antw.

Bekijk het satirische filmpje “The Brain as explained by John Cleese” (https://www.youtube.com/watch?v=FQjgsQ5G8ug)

  1. Welk punt denk je dat John Cleese wil maken in dit filmpje? Dat het verklaren van de geest soms tot onnavolgbare redeneringen leidt, door grote groepen mensen niet meer te volgen is, maar dat het ook weinig zegt over wat de geest doet/is.
  2. Lees het tekstboek blz. 143 over de Wiener Kreis en Carnap. Welke doelen had de Wiener Kreis? Om een demarcatiecriterium op te stellen om wetenschap op basis van de natuurwetenschappelijke methode te onderscheiden van niet-wetenschap/meningen.
  3. Wat kunnen we leren van deze satirische film en deze doelen? Zie vraag 1.

Luister het volgende radiofragment (minuut of 10): http://www.bnr.nl/?service=player&type=archief&fragment=20150706231100900http://www.bnr.nl/?service=player&type=archief&fragment=20150706231100900

  • Wat is volgens de onderzoeksleider fundamentele wetenschap? Systematisch, navolgbaar, betrouwbaar, herhaalbaar, empirisch onderzoek.
  • Wat is (volgens jou) het prachtige van onderzoek? eigen mening.

Bekijk het Ted-X filmpje “Why we would trust scientists”: http://filosofie.gruijthuijzen.nl/2015/08/27/waarom-we-wetenschappers-zouden-moeten-vertrouwen/

  • Leg uit waarom we volgens Naomi Oreskes wetenschappers zouden moeten vertrouwen. Wetenschap biedt de meest betrouwbare data om de toekomst te voorstellen. Betrouwbaarder dan bijvoorbeeld poëzie of een dictator.
  • Wat vind jij? Moeten we wetenschappers vertrouwen en waarom? Eigen mening.

4. Geef aan de hand van een voorbeeld aan wat het verschil is tussen verklaren en verstaan. Verklaren is systematisch en onderscheidend. Situatie X is zus en zo. Verstaan is meer in-de-wereld waarbij je aan de hand van verhalen en inleving probeer de ander of een bepaald tijdperk te begrijpen.

5. Wat wordt er verstaan onder de natuurwetenschappelijke methode? De systematische, logische, empirische manier van data verzameling aangevuld met de empirische cyclus.

6. Welke rol speelde Isaac Newton in de “popularisering” van de natuurwetenschappelijke methode? Newton had succes en met zijn succes bewees hij ook dat zijn empirische methode zinvol was en werd deze methode ook populairder… daar waar eeuwen daarvoor mensen nog werden opgehangen voor ongeveer dezelfde wetenschapsbeoefening maar in een tijd waarin de kerk daar niet achter stond.

7. Waardoor was, in tegenstelling tot de tijd van Giordano Bruno en Galileo Galilei, de tijd rijp in 1687 voor Isaac Newton en de wetenschappelijke revolutie waar Newton een grote rol in heeft gespeeld? Zie vraag 6.

8. Waarin onderscheidt de standaardmethode van de natuurwetenschap zich van meningsvorming? De cyclus van inductie en deductie.

9. Waarin onderscheidt wetenschappelijke kennis zich van een mening? Systematisch, logisch en naspeurbaar, etc.

10. In het boek “Het nieuwe atlantis” (1926) van Francis Bacon, schetst Bacon een utopie als gevolg van wetenschap en techniek. Van Bacon komt ook de bekende uitspraak: “Kennis is macht”. Reflecteer op deze uitspraak. Klopt deze uitspraak? Wat zijn de schaduwzijden van deze uitspraak en in lijn daarmee de wetenschap? In hoeverre kunnen we de schaduwzijden van de wetenschap duiden in termen van verstaan/begrijpen en verklaren? Zijn de schaduwzijden van de wetenschap te verklaren of kunnen we deze alleen verstaan/begrijpen? Kun je iets verklaren (wetenschap) dat zelf probeert dingen te verklaren? Kun je verklaren wat verklaren is? Dit is problematisch, daarom moeten we proberen te begrijpen wat wetenschap is/hoe het werkt.

11. Waarin verschil het teleologische wereldbeeld van Aristoteles en het hedendaagse wereldbeeld? Het hedendaagse wereldbeeld gaat uit van relativiteit… Zaak x is relatief aan zaak y. Ook het idee dat het universum een bepaald doel heeft dat eindig is (bijvoorbeeld een paradijs) wordt ook nauwelijks nog ondersteund door de natuurwetenschap.

Wetenschapsfilosofie – les 2

Extra vragen bij: “2. Wat is wetenschappelijk?”

  1. Analyseer het begrip “demarcatiecriterium”.
  2. Waar staat positivisme voor? Verwerk in je antwoord de begrippen kwantiteit en empirie.
  3. Wat is het verschil tussen analytische en synthetische uitspraken? Maak dit duidelijk aan de hand van een voorbeeld.
  4. Leg uit waar het verificatieprincipe voor staat.
  5. Welk model hanteren de logisch-positivisten?
  6. Reflecteer op het profielwerkstuk vanuit het demarcatiecriterium van de logisch-positivisten (verificatie). Verwerk hierin het model en de begrippen kwantiteit en empirie.
  7. Voor logisch-positivisten blijft alleen de logica als onderdeel van de filosofie in de wetenschap over. Metafysica en ethiek behoren volgens de logisch-positivisten tot het domein van de kunst. Ben je het hier mee eens?
  8. Waar staat het inductieprobleem van Hume voor?
  9. Geef een voorbeeld van het confirmatiecriterium als demarcatiecriterium.
  10. Hoe komt het dat het inductieprobleem van Hume ervoor zorgt dat het verificatiecriterium wordt verzwakt tot het confirmatiecriterium?
  11. Extra vragen bij: “2. Wat is wetenschappelijk?”

Extra info (verdieping): https://bigthink.com/robby-berman/neuroscientists-and-philosophers-debate-whether-the-world-exists?utm_medium=Social&facebook=1&utm_source=Facebook&fbclid=IwAR3cDWqhy0NSuMa5J4YnXVheF4W0uLUoIaDIxo-8BkiE5rZCEUJgfFOGVyc#Echobox=1557238085