Horeca, bakken en recreatie

Pieter van Boxtel. Pieter is docent Horeca, Bakken en Recreatie (HBR) op het Fioretti College, een VMBO-school in Veghel. Pieter is sinds een paar jaar een nieuwe studie begonnen, Master SEN. Hij heeft mij, als voormalig onderzoekscoördinator op het Fioretti College, gevraagd hem te ondersteunen op weg naar het felbegeerde papiertje.
Ik kende Pieter van de wandelen en zag hem als een markant figuur, zeker van zijn zaak, met liefde voor zijn leerlingen, toegewijd en kritisch. Dat zijn studie ons dichter bij elkaar heeft gebracht doet mij goed. Onderwijs kwam in mij tot leven als ik met Pieter in gesprek ging over zijn studie. Ik kreeg iedere keer weer een brede glimlach op mijn gezicht als ik de theorie en de daarbij behorende kernconcepten bij Pieter in de les tot leven kwamen. Denk hierbij aan gesprekken over de visie van de school, de pedagogische relatie tussen docent en leerling en de vraag tussen enerzijds de ontwikkeling van het kind gericht op het halen van hoge cijfers of anderzijds op het groeien van de leerling als mens.

Dinsdagochtend, 21 februari 2017
Rond 11.00 ’s morgens loop ik de keuken binnen, waar Pieter met zijn leerlingen aan de slag is. Enkele leerlingen kijken me vluchtig aan, maar lijken vooral oog te hebben voor de opdracht van vandaag. En het is vandaag een bijzondere dag. Vandaag koken de leerlingen voor alle Prinsen Carnaval en hun adjudanten inclusief aanhang uit de regio Veghel. Ik knik even naar Pieter en een paar leerlingen en loop vervolgens naar achteren om stilletjes in een hoek het spektakel van een afstandje te kunnen overzien.


Ik zie Pieter tussen zijn leerlingen. Ze begeven zich links achterin rondom een specifieke hoek van de keuken. In deze hoek worden de gerechten klaargelegd en voorzien van de finishing touch voordat ze doorgegeven worden aan een andere groep leerlingen die deze dag de bediening op zich moeten nemen. De nog uit te serveren gangen liggen netjes klaar om uitgeserveerd te worden. Verder is de keuken netjes geordend en opgeruimd. De hoeveelheid licht valt me ook op en dat er aan regelmaat geen gebrek is.
Als snel loop ik naar de groep toe. Ik merk op dat er sprake is van een gezonde groepsdruk. Twee leerlingen overleggen over de presentatie van het eten op bord. Een enigszins haastige Pieter stelt de leerlingen een paar vragen. Het gaat hier niet zozeer over inhoudelijke vragen waarvoor een lange analyse noodzakelijk is. Het gaat hier over vragen van een meester-kok die moet kunnen bouwen op zijn personeel. Pieter vertelt een aantal leerlingen: “Er moeten er acht staan, maar er staan er zeven”. Alle leerlingen voelen feilloos aan waar het hier over gaat. Een leerling reageert direct met “ik ga meteen even kijken”. Met ferme passen loopt hij naar de tafel met gerechten en gaat zelfstandig aan de slag. Bijna tegelijkertijd krijgen twee leerlingen instructies van Pieter over de manier van presenteren.  Enerzijds vertelt Pieter wat ze moeten doen, maar anderzijds ontstaat er juist daardoor ruimte voor de leerlingen om zelf keuzes te maken. Zonder twijfel gaan ze meteen samen aan de slag. Een van de jongens vraagt aan Pieter of hij zelf nog wat mag toevoegen aan het gerecht, op zijn manier. Pieter zegt: “Dat mag je best doen als dat (wat wordt gemist in de presentatie van de gerechten) is gedaan. Kom he! Er lopen genoeg mensen rond. Jij regelt het, ikke niet”. Ik lach even naar Pieter… uit waardering denk ik. Ondertussen loopt een andere leerling mij voorbij. Hij kijkt vluchtig naar mij, maar reageert niet echt… hij heeft iets beters te doen zoals het leveren van groepsprestatie en hoe vriendelijk ik ook kijk… daar ben ik nu even geen onderdeel van. Ik loop nog net niet in de weg.
Pieter komt bij me staan. We maken een paar flauwe grappen, terwijl we samen tevreden naar de groep kijken. De groep heeft zich plots zelfstandig verspreidt over het middengedeelte van de keuken. De werkzaamheden lopen enorm uiteen. Ik zie jongens gerechten klaarmaken op uitgeserveerd te worden. Ik zie de perfectionist van de klas nog even goed de soep doorroeren. Een aantal andere leerlingen zijn alvast overbodige spullen aan het opruimen. Iedereen is in beweging. Wat me ook meteen opvalt is hoe gedetailleerd veel leerlingen met hun werk bezig zijn. Er is zeker geen sprake van een zesjescultuur.
Pieter spreekt de groep aan met: “Super, helemaal goed!” om vervolgens te eindigen met de prachtige woorden: “Als jij erin gelooft, dan geloof ik er ook in!”. Pieter geeft zijn leerlingen het vertrouwen dat ze met iets van betekenis bezig zijn.
Ondertussen arriveren de leerlingen van de bediening. Het is tijd voor de soep om opgediend te worden. Een andere collega geeft door dat er twee onverwachte extra gasten uit Zijtaart aanwezig zijn. Twee meiden gaan meteen aan de slag om in deze twee extra borden te voorzien. Aan een ad hoc mentaliteit,  flexibiliteit en verantwoordelijkheid is zeker geen gebrek bij deze leerlingen.
Ondertussen heeft de pan met soep zich verplaatst van het middengedeelte naar de plek waar deze wordt overgedragen aan de bediening om vervolgens uitgeserveerd te worden. Dat wil overigens niet zeggen dat deze pan zomaar onaangeroerd alleen wordt gelaten. De verantwoordelijke kok blijft roeren totdat de soep wordt geserveerd. Ik heb geen idee of dit nodig is, maar het geeft zeker blijk van passie en toewijding. De leerling laat me weten dat de smaak van de soep “nie normaal” is en dat hij er wel om moet lachen dat hij nog steeds aan het roeren is.
Al roerende komt vervolgens Prins Carnaval in vol ornaat binnengewandeld. Voor de leerlingen is dit een gebeurtenis van betekenis. Ik zie lachende leerlingen die even stilstaan bij de binnenkomst van de Prins. En terwijl Pieter de Prins aan het knuffelen is, gaan de leerlingen weer snel aan de slag.

Na een poosje is het rustiger in de keuken. Ik vraag leerlingen of ze niet gek worden van de chaos in de keuken. De leerlingen zien dit heel anders. De leerlingen geven aan dat je juist daarom leert samenwerken. Ik denk even aan een citaat van Friedrich Nietzsche denken: “Een mens moet chaos in zichzelf hebben, wil hij het leven schenken aan een dansende ster”. Deze leerlingen leven! En ze leven niet voor zichzelf, maar met en voor elkaar! Zonder enige verspreking of stilte vertellen ze over alles wat ze leren tijdens het koken. Feilloos kunnen ze aangeven dat het leren samenwerken iets is, waar ze ook buiten de vier muren van de keuken iets aan hebben. Hier onderscheidt een praktijkvak als HBR zich van de meer abstractere vakken. Een leerling geeft aan dat er in het begin wel kleine ruzies waren, maar dat daarvoor de laatste tijd eigenlijk helemaal geen plek meer is. Er is dan ook niemand die er met de pet naar gooit. Een van de leerlingen verwoordt zijn enthousiasme als volgt: “Maar als je echt samen kunt, ja dan… dan is het echt heel goed!”. Ik word spontaan gelukkig van zijn sprankelende ogen. Leren ze dan ook basisvaardigheden? Ja hoor geven twee leerlingen aan. Het is heel belangrijk om goed te rekenen als je aan het koken bent. En als ik naar het schoolbord kijk, dan valt me op dat er sprake is van een geheel eigen tekensysteem met een systematiek van werken waar veel vakken nog wat van kunnen leren. Ik denk meteen bij mezelf dat het ontzettend jammer is dat er eigenlijk niemand te vinden is die de waarde van een dergelijke keuken-logica weet te verbinden met de basisvaardigheden bij vakken als wiskunde en taal.

Het gesprek sluit positief af met de opmerking dat het gezellig is in de klas en dat het eigenlijk altijd wel leuk is in de klas en dat deze sfeer ook doorzingt tijdens lessen van andere vakken. Na een paar grappen en grollen, laten de leerlingen me weten dat ze elkaar heel goed hebben leren kennen, dat er nauwelijks problemen zijn en dat iedereen heel aardig is. Pieter wordt ook hartstikke aardig bevonden. Wat hierbij opvalt is dat de leerlingen aangeven dat Pieter hartstikke streng is en dat ze dat fijn vinden omdat ze daar ontzettend veel van kunnen leren. Ik bedank de leerlingen en draai me om en denk bij mezelf dat het meesterschap van Pieter enorm gewaardeerd wordt door zijn leerlingen.
Voordat ik vertrek sluit Pieter af met een grap over de noordelijke provincie… Een leerling roept “Groningen! Er zijn aardbevingen daar en er zijn problemen met gas”, waarop Pieter aangeeft dat wanneer het water kookt, het ook kookt op laag vuur. “Heb een beetje begrip voor uw naasten en kook het water op laag vuur”, zegt Pieter. We lachen allemaal, begrijpen de boodschap en de leerlingen roepen in koor: “Bon!”. Het was een inspirerende ochtend.

Bildung?
Wanneer Rob van Otterdijk een eerste versie over Bildung stuurt, lees ik: “Doel van bildung: “learning to be” Bildung vooronderstelt een fundament van algemene kennis en competenties om sociaal te functioneren en bouwt daarop voort. Het gaat om de verwerving van begrip en persoonlijk inzicht met betrekking tot de werkelijkheid en om de ontwikkeling van persoonlijke kwaliteiten om daarin zelfbewust en zinvol te leven. Doel is “learning to be” (UNESCO).”

Ik vraag me af wat mijn leerlingen en collega’s met een dergelijke, abstracte definitie moeten aanvangen. Het is me als filosoof en docent duidelijk dat Bildung elementair is in het onderwijs, maar dat juist de dagelijkse praktijk waarbinnen aan Bildung gedaan wordt, wordt overstemt door een grote hoeveelheid aan terminologieën zoals autonomie, subjectwording, culturele opvoeding, democratische besluitvorming, dialoog, zelfverantwoordelijkheid etc. Mijn aanpak is alledaags en voor de goegemeente wellicht zelfs platvloers. Of ik voldoe aan de definitie weet ik nog niet precies. Wat ik wel kan zeggen is dat ik getuige ben geweest van een intensief leerproces tijdens de les HBR. De leerlingen hebben geleerd wie ze zijn en welke verschillende kwaliteiten ze hebben en dat het belangrijk is om samen te werken. Ik kan niet anders zeggen dan dat Pieter bijdraagt aan het doel van Bildung: “learning to be”. Ik heb leerlingen als mensen zien groeien door actief met elkaar aan de slag te gaan aan een betekenisvolle opdracht. Het “fundament van algemene kennis en competenties om sociaal te functioneren” is enorm sterk aanwezig. Een groot aantal leerlingen maakt zelf keuzes en geeft daarin blijk van autonomie. Ze ontwikkelen zich als individuen. Ze trekken zich aan elkaar op en hebben respect voor elkaar mening. Dit doet me denken aan de basisvaardigheden als democratisch burger. Tevens treden ze met elkaar in dialoog en nemen ze verantwoordelijkheid voor het handelen. Maar deze dialoog en verantwoordelijkheid worden realiteit juist op het moment dat de leerlingen met elkaar aan de slag zijn. Ik kan me goed voorstellen dat deze leerlingen heel anders naar Pieter de meester-kok zouden kijken als Pieter een voor de leerlingen betekenisloos vak zou geven met abstracte begrippen die nimmer leven, maar in boeken gevangen blijven liggen.

Ik besef me opeens dat er enorm veel aan Bildung wordt gedaan, maar dat het moeilijk is om dit helder in woorden uit te drukken en kernconcepten uit de Bildungstheorieën te verbinden met de praktijk. Dit stuk kan dan ook mijns inziens begrepen worden als een persoonlijke woord voor iets wat altijd al bloeit in het vmbo-onderwijs, maar nauwelijks gezien wordt bij gebrek aan verhalen. Ik geef ook les aan VWO-klassen. VWO-ers zijn in staat om hele goede zinnen te construeren en de juiste begrippen toe te passen. Ze hebben snel door welke taalspelletjes centraal staan en wat de verwachtingen zijn. Maar of ze beschikken over een evenredig of beter ontwikkeld fundament van algemene kennis en competenties om sociaal te functioneren is, valt zeer te bezien.
Ik kom tot de conclusie dat vorming niet in absolute termen te vangen is. Misschien is dat wel de reden waarom er zoveel over vorming wordt geschreven en dat we telkens herhalen dat er geen Nederlandse vertaling is voor het Duitse begrip Bildung.
Wat me duidelijk wordt, is dat docenten en leerlingen van alle niveaus enorm veel van elkaar kunnen leren. Ik word me bewust van het feit dat het onterecht is dat we onderwijs in niveaus onderverdelen en dat we Bildungsactiviteiten ook als zodanig onderverdelen. Ik verbaas me nu opeens dat Bildungsonderwijs over het algemeen beter afgestemd wordt op de startsituatie van de HAVO en VWO leerling, dan dat het zich oplost in de dagelijkse bezigheden van de leerlingen in de klas. Ik bedenk me dat ik weer moet gaan oefenen in het stellen van de juiste vragen naar mijn eigen werkzaamheden als docent. Ik dacht me altijd goed uit te kunnen drukken, omdat mijn peergroep mijn jargon wist te reproduceren, maar Pieter heeft mijn ogen doen openen. Ik verplicht mezelf weer de vragen te stellen naar de anderen buiten mijn groep om, op zoek naar een nieuwe wereld met nieuwe vragen en leerlingen en docenten met ontwikkelbehoeften.

Reflectie
Wanneer ik dit verhaal teruggeef aan Pieter, schrijft hij mij het volgende:

”Doordat ik mijn leerlingen in de praktijk leer oplossingsgericht te werken levert dat voor mij en de leerlingen de door jou genoemde resultaten op. Het belangrijkste vind ik dat dit veiligheid en een prettige omgang in en buiten de klas genereert naar elkaar toe. Dit komt volgens mij omdat ze elkaar kunnen helpen in en buiten de school en zich meer openstellen om geholpen te worden. Zodoende heb ik als docent/chef de tijd om de leerling individueel naar een hoger plan te tillen, wat weer een goede band oplevert tussen ons. De erg duidelijke regels in de keuken, werken goed om brandwonden, struikelpartijen en bloederige taferelen te vermijden, maar brengen daarnaast ook duidelijkheid en rust voor de leerling. Na een periode van gewenning, van vaak enige weken, ontstaat er in de klas een emulsie van gemeenschappelijkheid en kwaliteit waar de menig betrokken AVO docenten regelmatig genoeglijk naar komen kijken. Leerlingen vinden het erg leuk als deze leraren complimenten geven aan de klas of aan de leerling persoonlijk. Veel wat ik hierboven heb beschreven helpt de leerling om zich verder te ontwikkelen in de toekomst en dat is wat ik zie als de belangrijkste taak voor mij. Ik besef dat ik van een leerling, in de tijd die mij gegeven is, geen meester-kok kan maken maar wel kan werken aan een individu die zich laat en gaat ontwikkelen richting enerzijds zijn of haar vervolgopleiding, maar ook als mens. In de afgelopen jaren nemen helaas de ”praktijkuren”  in het VMBO steeds verder af. Ik vind dat de leerling daardoor praktisch en sociaal minder sterk het vmbo verlaat. Het bedrijfsleven moet, omdat leerlingen steeds minder vaardigheden en competenties bezitten, zich gaan richten op de basispraktijk van een leerling. Ik zie dat dit irritatie opwerpt bij beide partijen, omdat ze in het bedrijfsleven vaak de didactische en pedagogische kwaliteiten ontberen om deze leerlingen te begeleiden.
Omdat ik als student Master SEN mijzelf naast professional ook in de toekomst moet gedragen als change agent, is het een voorecht om regelmatig met RJ over het onderwijs te praten. Waardoor mijn soms fixed mindset en praktische instelling naast de verfrissende, filosofische inslag van RJ mij vaker out off de box laat denken.”

Zelfreflectie
Voor mij persoonlijk is dit stuk een aanzet tot denken en ontwikkeling. Enerzijds ben ik getuigen geweest van een praktijk waarbinnen leerlingen verschillende Bildungsactiviteiten op een bijna vanzelfsprekende manier eigen maken. Anderzijds ben ik zelf een onderdeel geweest van een praktijk waarbinnen ik samen met Pieter gereflecteerd heb op het onderwijs en de concrete lesactiviteit. Juist dit soort hele eenvoudige en niet al te complexe gespreken over ontwikkeling en onderwijs, en over onze persoonlijke drijfveren als docent in relatie tot collega’s en andere leerlingen, zetten aan tot denken. Ik denk dat dit het meest waardevol is, wat een docent kan overkomen. Het opzoeken van collega’s, het verwoorden van het bezoek in taal, het reflecteren op het verhaal en daarmee het uitdrukken van waarden staat mijns inziens aan de basis van zinvol onderwijs waarbij de docent op zoek gaat naar meerwaarde voor zijn leerlingen. Dat deze meerwaarde dieper is gelegen dan het behalen van een cijfertje mag duidelijk zijn.