HGL – Week 9

23. De kandidaten kunnen de opvatting dat de vrije markt gepaard gaat met dehumanisering, ecologische uitputting en financiële verstikking weergeven, toepassen, evalueren en hiervan eigen voorbeelden geven.

In hoofdstuk 4 (p. 150) wordt gesproken over de “drie vulkanische breuklijnen”. Een vulkaan is een onderdeel van een landschap. Wanneer een vulkaan uitbarst, dan heeft dit enorm veel impact op het landschap en met name de leefbaarheid van het landschap. Mensen zorgen voor het landschap. De zorg voor het akker wordt ook wel cultus genoemd. Het verzorgen van het akker wordt cultiveren genoemd. De (technische) mens, onderhoudt (cultiveert), in symbolische zin nog steeds, het landschap (akker). Op het akker graast pecus. Pecus is Latijns voor vee. Pecunia werd vooral vroeger als woord gebruikt voor geld. Van oudsher representeert het grazende vee geld (pecunia) en is het aan de mens om het landschap (cultus) waarop het vee (geld) kan grazen te verzorgen (cultiveren). Het landschap kan verstoort worden door uitbarstende vulkanen. Goede zorg, en daarmee het goede leven, zal zich moeten richten op deze uitbarstende vulkanen, zodat het vruchtbare leven zoals we dat kennen kan blijven voortbestaan.

De eerste uitbarsting, die het samen leven (en daarmee ook het landschap en het geld) kan ontwrichten, betreft dehumanisering. Het gaat hierbij om de kritiek vanuit Marx op het principe van “the division of labour” zoals Adam Smith deze formuleerde. Vervreemding ontstaat wanneer mensen slechts een onderdeel van een totaalproces uitvoeren.
Deze vervreemding heeft twee niveaus:
1. De mens als arbeider vervreemdt in juridische zin van zijn arbeid. De arbeider verricht het werk, maar de winsten gaan naar de eigenaar. De arbeider maakt iets wat niet van hem is.
2. De mens als arbeider vervreemdt in menselijke zin van zijn arbeid. Het werk krijgt hierbij steeds meer intrinsieke betekenis. Het werk wordt uitgevoerd omdat de arbeider ervoor betaald krijgt, maar zaken als trots en toewijding en passie zijn niet vanzelfsprekend.
Voor de industrialisatie maakte de goudsmid mooie juwelen en de leerlooier mooie schoenen. De goudsmid en de leerlooier waren in de stad specialist en maakte hun producten helemaal zelf. Wanneer iemand door de stad liep met een paar schoenen van de leerlooier, dan zag de leerlooier dit als iets van zijn hand. Na de industrialisatie en de opkomst van “the division of labout” ontstaat de arbeider die niet meer het totaalproces uitvoert, maar slechts een deeltje en voor wie de schoenen veel minder van betekenis is.
Wanneer, en dat wil niet zeggen dat dat altijd zo is, werk steeds vaker wordt uitgevoerd omdat men er geld mee kan verdienen, dan heeft dan invloed op de betrokkenheid en enthousiasme voor het werk en het bedrijf. Op beroepseer.nl worden vijf bepalende kwaliteiten aangehaald voor “zinvol werk”: zelftranscendent, 2. aangrijpend, episodisch, reflectie en persoonlijk. Aangevuld door de zeven doodzonden van niet-zinvol werk, waarbij het gaat om het mensen losmaken van hun waarden, ingaan tegen hun oordelingsvermogen en losmaken van ondersteunende relaties. Zinvol werk draait vooral om relaties aangaan die jezelf tot denken (reflectie), aangrijpen en van persoonlijke aard zijn.
Wanneer werk louter nog een middel is om geld te verdienen, dan komen we terug op wat Aristoteles (lees nog eens week drie) al het ontwrichtende karakter van de chrematistiek (geldvermeerderingskunst) noemde. De chrematistiek voorbij gaan aan oikonomos (de zorg voor de huishouding / economie). De verdeling van het arbeidsproces vervreemdt de arbeider van het product dat hij of zij maakt. Het product is niet meer van de arbeider. De arbeider werkt slechts voor een deel aan het product omdat hier geld mee verkregen kan worden. Voor de rest dreigt de arbeid zinloos te worden. Veelal zet lopende bandwerk niet aan tot reflectie en relaties (wat natuurlijk niet voor iedereen hoeft te gelden, sommigen mensen kunnen heel gelukkig worden van werk wat door anderen als repetitief wordt ervaren). De arbeider werkt voor geld. De eigenaar ziet de arbeider daarmee ook steeds minder als mens, maar als kostenpost. En wanneer er bezuinigd kan worden op een kostenpost, dan wordt dat gedaan. En aangezien de arbeider vervreemd is geraakt van het product en de relatie steeds zakelijker wordt (ik verricht dit werk om dat geld te krijgen), dan raakt het menselijke steeds verder weg en dreigt zelfs uitgebuit te worden. Denk hierbij aan arbeiders die heel hard werken en alleen op zondag het vlees snijden. Of bedrijven die fabrieken naar lage lonen landen met goedkopere krachten verplaatsen op proberen op arbeidskosten te besparen door robots in te zetten in bijvoorbeeld de zorg of de zelfscankassa’s bij supermarkten en de IKEA.
In een vrije (arbeids)markt is arbeid een kostenpost en worden arbeiders concurrenten van elkaar. Denk hierbij aan veel ZZP-ers in Nederland. Met name in Amsterdam is de concurrentie enorm en liggen de ZZP-uurtarieven erg laag. In de cultuursector ligt het ZZP-loon op een extreem laag niveau. In alle gevallen is het noodzakelijk dat mensen iets bijzonders kunnen wat robots en fabrieksmedewerkers, die repetitieve werkzaamheden die vervangen kunnen worden, aan de lopende band niet kunnen. Banen die moeilijk vervangen kunnen worden zijn banen waar juist het menselijke aanbod komt. Banen zoals dat van de verzorgende en de leraar. Men weet dat voor goed onderwijs het noodzakelijk is om een leraar te hebben. Een website als http://www.coursera.org biedt zogenaamde Massive Open Online Courses (MOOC’s) aan. Iedereen kan online cursussen volgen. Een belangrijk onderdeel van deze MOOC’s is echter het online forum. Een soort van marktplaats waar alle deelnemers met elkaar relaties aangaan door met elkaar de stof te bespreken en betekenis te geven aan de inhoud. Zo gaat de inhoud ook leven. Het is dan ook niet vreemd dat er steeds meer aandacht komt voor de praktijk in het onderwijs. Goed onderwijs en het goede leven draait namelijk niet alleen om het ontvreemdende van het geld verdienen, maar om het relaties aangaan. Vandaar alle aandacht voor samenwerken, persoonsvorming, coaching, etc. De vraag blijft natuurlijk of de aandacht voor relaties ook werkelijk zorgt voor betere relaties en daarmee een beter leven en meer betekenis in het werk. Echter, er komt steeds meer kritiek op de privatisering van bijvoorbeeld onderwijs. Chrematistiek: geld zoekt investering, geld zoekt o.a. onderwijs. Er komen steeds meer bijlesbureaus en Google classroom is een verdienmodel en voor Coursera certificaten moet iemand 45 euro betalen. In hoeverre werkt dit ongelijkheid in de hand?

De tweede uitbarsting benadrukt de ecologische uitputting. Voorheen werd de aarde, en daarmee de natuur, begrepen als een grenzeloos theater waarbinnen de mens vrij kon spelen en beslag kon lessen “op energie en grondstoffen. Dat deze eindig zouden kunnen zijn, werd tot aan de jaren 60 van de twintigste eeuw door vrijwel niemand opgemerkt” (p. 151). Maar tegenwoordig zijn de grenzen van de aarde zelf onderdeel geworden van het theaterspel in geestelijke zin en concrete zin. Geestelijk omdat op 7 december 1972 het eerste beeld “Blue Marble” van de aarde werd gemaakt. Vanaf 1972 heeft iedereen op aarde een beeld (een idee in de geest) van haar eigen aarde. Concreet omdat de grondstoffen op aarde op een gegeven moment gewoon op zijn.
Het vrije spel wordt daarmee begrensd door de ecologische grenzen van de aarde. De mens heeft veel impact op de ecologie en daarmee op de eigen ecologische grenzen van de aarde. De vraag is niet of de mens veel impact heeft, dat is grotendeels aangetoond. De vraag is wel hoeveel impact de mens heeft. Is dat veel of is dat heel erg veel. De grote wordende productiekracht (als gevolg van de division of labour en technologische ontwikkelingen) heeft ervoor gezorgd dat bijvoorbeeld de veeteelt steeds intensief en efficiënter kan ontwikkelen. De Universiteit van Wageningen doet veel onderzoek naar duurzame veehouderij, waarbij het zoekt naar een duurzame, efficiëntie en goedkope oplossing voor veehouderijen. Op deze intensieve veehouderij komt steeds meer kritiek vanuit de hoek van dierenrechten en de milieuschade. Zo komt er een vliegtax, waarbij vliegtickets duurder worden, omdat (een klein deel van) de schade van de vlucht voor het milieu aan de klant wordt doorberekend. Shell heeft bijvoorbeeld een CO2-compensatieregeling, waarbij de klant 1 cent per liter extra mag betalen om zo de milieuschade van de benzine te compenseren. Recent is gebleken dat te veel stikstof in de lucht voor milieu en gezondheid in Nederland schadelijk is en dat de rechter heeft verboden om nog meer huizen te bouwen (terwijl er een tekort is aan huizen), omdat dit bijdraagt aan nog meer stikstof in de lucht. De vraag is hoe het samen leven op de Nederlandse akkers vormgegeven kan worden, zonder dat de economie stopt met bloeien. Ontkennen van de impact van de mens op de natuur is gevaarlijk en kan tot een vulkanische uitbarsting leiden. Ontkennen van de impact van duurdere prijzen op de leefbaarheid en beschikbare woningen kan ook tot een vulkanische uitbarsting leiden. Dan is de impact van ontwikkelingen buiten Nederland, zoals waterschaarste als gevolg van klimaatveranderingen en de bevolkingsgroei nog niet meegenomen. Klimaatveranderingen zorgen voor een onvermijdelijke grote groep vluchtelingen uit het Midden-Oosten en Afrika naar Nederland. De oplossing naast het extra belasten van producten (klimaattax) zal ook gevonden moeten worden in het tegengaan van of leren omgaan met de bevolkingsgroei en de klimaatveranderingen. Filosoof Peter Singer geeft aan, in lijn met de statisticus wijlen Hans Rösling, dat de beste remedie om de bevolkingsgroei, en daarmee de vluchtelingenstromen en klimaatveranderingen weerstand te bieden is via economische vooruitgang en de educatie (en verdere emancipatie) van vrouwen. Zo blijkt dat hoe hoger de opleiding van de vrouw, hoe minder kinderen vrouwen krijgen. Sommigen stellen dat alleen geboortebeperking ons nog kan redden, maar wellicht is het vruchtbaarder om burgers overal ter wereld rijker te maken en vrouwenemancipatie mogelijk te maken.

De derde uitbarsting betreft de financialisering, waarbij de nadruk komt te liggen op “alles dienstbaar” maken “aan financieel gewin“. De film The Big Short draait om de kredietcrisis uit 2008. Kort gezegd gebeurde het volgende begin 20ste eeuw. Veel mensen sloten een hypotheeklening af om een huis te kopen. De regels om een lening te krijgen waren er wel, maar werden niet of niet streng nageleefd of waren simpelweg onvoldoende. Banken verdiende geld door hypotheken te verkopen en daar rente voor te krijgen. Geld lenen werd heel normaal. De rentes gingen ook omlaag. In Nederland kan je tot vandaag zelfs een deel van je hypotheekrente terugkrijgen van de belastingdienst.
De algemene regel is: Hoe goedkoper de lening (dus hoe lager de rente), hoe meer je kan lenen omdat ik alles ook moet kunnen terugbetalen. Wanneer ik weinig rente hoef te betalen, dan kan ik meer geld lenen. Het maakt nogal uit of ik 50% rente moet betalen over 100.000 euro of 5%. Daarnaast krijgen huizenbezitters ook geld terug van de belastingdienst (hypotheekrenteaftrek). Hierdoor kunnen consumenten nog meer lenen omdat ze weten dat ze een deel van de rente terugkrijgen.
Daarnaast verkochten banken ook hypotheekleningen die niet afgelost hoefden te worden. Men ging ervan uit dat de huizen steeds meer waard zouden gaan worden (overwaarde) en dat uiteindelijk het huis verkocht kon worden en de schuld met de meerwaarde kon worden afgelost. In veel gevallen sloten mensen een extra hypotheek af op de (overwaarde). Stel iemand kocht een huis van 200.000 euro met een hypotheek van 200.000 euro en na 10 jaar was het huis 250.000 euro waard, dan kon de eigenaar een extra hypotheeklening afsluiten van 50.000 euro.
In Griekenland is er de zogenaamde Katseli-wet. Deze wet beschermt huiseigenaren die de hypotheeklening niet meer kunnen betalen van hun vaste en enige woonadres. Het eerste huis, de oikos (denk hierbij aan de zorg voor de huishouding – oikonomos), wordt beschermd door het recht. Het eerste huis wordt gezien als een noodzakelijkheid voor het goede leven. Banken mogen deze huizen niet zomaar veilen en bewoners dwingen uit huis te gaan. Het eerste huis is daarmee geen investeringsobject waaruit winst gehaald kan worden. Deze gedachte leefde nauwelijks in Nederland, maar ook in andere westerse landen. Veel Nederlanders zagen het eigen huis als een stabiele bron van kapitaal. De babyboom-generatie (geboren na de tweede wereldoorlog) wordt door de stijging van de huizenprijzen uiteindelijk de rijkste generatie ooit. Deze stijgende huizenprijzen zorgen ervoor dat veel jongeren geen huis kunnen krijgen.
Maar waar komt deze stijging van de huizenprijzen vandaan? Omdat mensen steeds meer konden lenen, gingen verkopers van huizen ook steeds meer geld vragen. Wanneer er weinig huizen te koop staan, dan is er sprake van een verkopersmarkt. De verkoper is in het voordeel, omdat er weinig te koop staan (vandaar dat we ook een serieus probleem hebben t.a.v. het bouwen van nieuwe huizen). De verkoper zal aan de potentiële kopers vragen een bod uit te brengen. De kopers lopen het risico tegen elkaar op te moeten gaan bieden. Omdat de leningen steeds goedkoper worden, kunnen kopers ook steeds meer lenen en gaan ze bedragen bieden die niet zelden buitenproportioneel zijn. Op deze manier ontstaat er een zogenaamde huizenbubbel. Mensen betalen steeds extremere bedragen voor een huis. De banken verkopen natuurlijk graag hypotheken aan deze huizenbezitters. Want mensen betalen altijd braaf hun hypotheekrente. Niemand wil namelijk uit huis gezet worden. De betalingsmoraal van de hypotheekhouder is een baken van zekerheid. Niemand die twijfelt aan het feit dat hypotheekhouders hun hypotheek zullen betalen.
Waar ging het mis? Ten eerste werden hypotheken veel te makkelijk verstrekt. Op de instituten die de banken moesten controleren werd bezuinigd en daarnaast werkte veelal de beste mensen bij de banken en niet bij de slecht betalende controlerende instanties. Veel mensen die bij de controlerende instanties werkten, wilden eigenlijk voor de banken werken omdat ze daar meer geld konden verdienen. De controle was niet voldoende en de hypotheken werden te makkelijk verstrekt.
Ten tweede. Banken konden niet meer hypotheken verkopen dan dat er huizen waren, maar ze wilden wel graag nieuwe financiële producten verkopen om nog meer winst te maken. In The Big Short legt wijlen Chefkok Anthony Bourdain uit wat een Colleteralized Debt Obligation (CDO) is. Een CDO is financieel product dat verkocht kan worden. Het is geen auto of iets tastbaars, maar puur abstract. Een CDO is letterlijk een gedekte schuldobligatie. Een gedekte schuldobligatie bestaat uit hypotheekleningen die gedekt worden door de eigenaren die netjes rente en aflossing betalen. Je kunt als bank een groot pakket aan hypotheken doorverkopen tegen een nieuw percentage aan een andere bank, fonds of persoon. Dan krijgt deze het nieuwe percentage van deze CDO. De meest betrouwbare leningen zijn hypotheekleningen en deze krijgen een zogenaamde triple A status (AAA). Deze leningen worden vrijwel zeker terugbetaald.
Maar er zijn ook minder goede leningen, zoals leningen op creditcards, etc. Anthony Bourdain laat in zijn filmpje zien dat je verse vis voor veel geld kunt verkopen (denk hierbij aan een gezond AAA-product). Maar op een gegeven moment is de vis te oud en moet je deze vis eigenlijk weggooien. De vis levert niet veel meer op (denk hierbij aan steeds mensen die de rentes niet meer betalen van leningen). Dit worden dan slechtere producten die minder opleveren met een zogenaamde B-status of zelfs BBB-status (rommel). Bourdain gooit vervolgens alle oude vis in een pan en maakt er een nieuwe soep van en verkoopt deze soep als een exclusieve soep met een AAA status. Op deze manier maakt Bourdain een nieuw product met een AAA-status maar dat bestaat uit afzonderlijke producten (oude vissen) met een BBB-status. En banken blijven nieuwe producten maken van oude producten tot het moment dat niemand eigenlijk meer weet wat er in welk product zit en hoeveel het oplevert. Denk hierbij aan soep die gemaakt is van tientallen andere soepen. Niemand weet meer zeker wat de ingrediënten zijn. De BBB-producten leveren niet veel op. Hier vinden we het verschil tussen de reële economie en de financiële economie. De reële economie (het geld wat iedereen in de wereld werkelijk bezit) bedraagt 80 biljoen dollar (p. 153). Daarnaast heeft iedereen 190 biljoen dollar schuld. Dit is allemaal de reële economie. De financiële economie bestaat uit de verkoop van financiële producten zoals CDO’s, die niks meer te maken hebben met de reële economie. In deze (ondoorzichtige) financiële economie gaat 1,2 quadriljoen dollar in omloop. Dat is 15x het totale bedrag dat alle mensen bezitten in de hele wereld. Iedereen kan zich voorstellen dat wanneer de financiële economie met 1,2 quadriljoen dollar (p. 153) in elkaar stort, de wereld zeg maar failliet is (of dreigt te gaan) en het kapitalisme ten einde. Veel mensen waren hier in 2008 doodsbang voor.
En op het moment dat het niet zo goed gaat met de economie gaan steeds meer mensen hun hypotheekrente niet meer betalen. Als het aantal niet-betalende mensen boven de 5% komt, dan leveren zelfs de AAA-producten niet genoeg op. En dit gebeurt dus ook. Maar toch blijven de AAA-ratings overeind. De ratings worden niet aangepast. Wie bepaalt deze ratings (AAA of BBB)? Dit wordt gedaan door met name de drie grote ratings agencies: Moody’s Investors ServiceStandard & Poor’s, and Fitch Ratings. Omdat deze bedrijven concurrenten zijn en geld willen verdienen, geven ze niet zelden ratings die de grote banken graag willen hebben om zo de klanten de illusie te geven dat alles prima in orde is. Doen deze bedrijven dat niet, dan dreigen banken naar een concurrent te gaan die wel AAA-ratings wil uitdelen.
Vervolgens verkopen veel banken ook verzekeringen. Een fonds kan bij een bank een verzekering afsluiten voor potentiële verliezen. Stel je voor dat je een huis koopt, dan kun je (in theorie) een verzekering afsluiten tegen een mogelijke waardedaling. Een verzekeraar zal inschatten hoe groot de kans is dat het huis in waarde zal dalen. Hoe kleiner de kans, hoe goedkoper de verzekering. Wanneer het huis dan toch in waarde daalt, zal de verzekeraar het verschil uitbetalen. Omdat niemand ervan uitging dat de huizenmarkt in elkaar zou storten (en dus hypotheekhouders hun leningen niet meer zouden kunnen betalen), werden er geen verzekeringen afgesloten tegen een waardedaling van de huizenmarkt. Toch waren er in 2007 een paar “idioten” zo gek om bij de grote banken langs te gaan voor een nieuw product: een verzekering tegen de daling van de huizenprijzen en huizenmarkt (tegen de huizenbubbel zeg maar). Banken wilden natuurlijk snel geld verdienen en maakten een nieuw product voor deze “idioten”. Deze idioten moesten natuurlijk wel premie betalen hiervoor. Omdat de huizenmarkt nooit zou instorten, was deze premie “gratis geld”… totdat steeds meer mensen hun hypotheek niet meer konden betalen.
Zoals eerder gezegd waren in 2008 heel veel mensen bij de banken doodsbang dat de financiële economie in elkaar zou storten en de reële economie met zich mee zou nemen. Want wanneer banken failliet dreigen te gaan, dan verliezen miljoenen burgers hun spaargeld, aandelen, pensioenen, etc., waardoor ze nog minder kunnen aflossen aan toch al failliete banken. En omdat alle banken overal ter wereld vooral gericht waren op winstmaximalisatie (chrematistiek – de geldvermeerderingskunst) in dienst van de eigenaars (kapitalisten/aandeelhouders, zie nogmaals Gordon Gekko uit de film Wall Street) en vrijwel niemand keek naar de morele gevolgen voor de gewone mensen met een huis, dreigden de ene failliete bank zijn schulden bij andere banken niet meer te kunnen betalen, waardoor die andere banken ook dreigden failliet te gaan. Daarnaast werkten veel banken met complexe algoritmes (zie de film Margin Call) om de beurskoersen en financiële producten te analyseren. Slechts enkelen tot niemand begreep deze algoritmes. Met liet de boel maar gewoon gaan. Gevolg: failliete banken die gered moesten worden door landen die met het belastinggeld van hun inwoners banken gingen redden omdat banken “to big to fail” waren. De banken waren zo groot en de impact op het dagelijkse leven van mensen zou zo enorm zijn, dat de overheden wel moesten helpen. In Amerika ging Lehman Brothers failliet en in Nederland de DSB-bank. Miljoenen mensen werden dakloos en verloren al hun spaargelden. De banken schopten de bal ook terug. Ze gaven aan dat iedereen, en dus ook de klanten, vooral heel veel rente wilden hebben en zichzelf rijk wilden rekenen en dat de banken daarom hele dubieuze producten gingen verkopen. Er was vraag naar en in een vrije markt worden hiervoor producten aangeboden. Mensen hadden zich ook beter kunnen verdiepen in hun leningen. Hier zit iets in, maar dan nog blijven de AAA-ratings dubieus en is het maar de vraag of de gemiddelde huiseigenaar in staat is om over een periode van een 30-jarige hypotheeklening een rationele risico-analyse te maken.
“In Griekenland zorgden dit voor een gigantisch probleem. De Griekse staat had sowieso gelogen over de belastinginkomsten door zwart geld op de balans te zetten. In werkelijkheid gaf de Griekse regering veel te veel geld uit. Tel daarbij de dreigende faillissement van de Griekse banken op en de noodzakelijke redding van de overige EU-landen tegen het faillissement van Griekenland en het totaalplaatje is compleet, waarbij Griekenland, instituten (zoals banken), gezinnen (die hypotheken niet kunnen betalen) en bedrijven (die nauwelijks nog geld krijgen) voor een groot deel “in gijzeling worden genomen” (p. 152). Het blijft de vraag of de onderliggende problemen van de krediet- en huizencrisis uit 2008 voldoende zijn aangepakt en of men genoeg heeft geleerd van deze crisis en de maatregelen toereikend genoeg zijn. De toekomst zal het leren. Anders dreigt wederom een grote groep afhankelijk te worden van geldverstrekkers/vermogenden (veelal grote banken, aandeelhouders of sterke overheden of de 1% rijkste burgers ter wereld). Op deze manier dreigt er een nieuwe vorm van “slavernij”, waarbij het rendement op vermogen sterker groeit dan de groei van de economie, de lonen en koopkracht niet meegroeien met de groei van de economie, vermogen meer rendeert dan inkomen en daarmee een kloof ontstaan tussen de vermogenden en de werkenden. Dit is een systeemfout gebaseerd de nooit bewezen ideologie van het neoliberalisme en haar selectieve interesse voor de onzichtbare hand en nadruk op hebzucht. In juni 2019 schrijft een groepje Amerikaanse superrijken een brief naar de presidentskandidaten in 2020 met de vraag naar meer “wealth tax” (overheidsingrijpen in de vrije markt door het belasten van vermogen en actievere herverdeling van geld). Minister Hoekstra haalt in de HJ Schoo-lezing (2019) “The fear of falling van de middenklasse” aan. Deze vermogenden en politicus zien ook een (te grote) tweedeling ontstaan. Naast mogelijke morele argumenten of de Amerikaanse samenleving dit moet willen, is er zeker ook een technisch argument te geven. Een consumptiemaatschappij gebouwd op de grote middenklasse, de burgerij, staat onder druk wanneer deze groep met hun lonen niet meer dan voorheen kunnen consumeren en de koopkracht voor deze groep hierdoor o.a. (er zijn meer redenen) niet meestijgt. (Los van de (relevante) morele vraag of we wel altijd meer groei en koopkracht voor de mens als homo economicus moeten willen. Hier gaat het specifiek om de verhouding tussen kapitaal/vermogen en werk/loonarbeid)

De mens en menselijke maat heeft plaatsgemaakt voor het geld en de geldvermeerderingskunst (winstmaximalisatie), terwijl banen waarbij het gaat om het welzijn van mensen wereldwijd wordt ervaren als zinvol in tegenstelling tot PR-medewerkers, financiële experts en economen. Toch hebben veel overheden verantwoordelijkheid genomen door een zorgplicht voor banken in te voeren en daarbij garant te staan voor spaargeld tot 100.00 euro (depositogarantiestelsel). Daarnaast komt er steeds meer aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), waarbij bedrijven niet alleen winsten willen maximaliseren voor aandeelhouders, maar een aandeel willen nemen in de (duurzame) economie van de toekomst. De overheid heeft daarmee het idee van de totale vrije markt in lijn met de neoliberale visie gedeeltelijk losgelaten en stimuleert MVO. Een totale vrije markt had alle banken failliet laten gaan en het systeem in elkaar laten storten. De vrije markt zorgt dus niet vanzelfsprekend voor een natuurlijke balans. De vrije markt zorgt voor vervreemding en (extreme) ongelijkheid, waarvoor de gewone burger uiteindelijk via het betalen van belasting voor moet betalen.
(Drie voorbeelden:
1. Denk aan de aanvullende beurs voor studenten met ouders die de studie van hun kind(eren) niet kunnen betalen. Op de website van DUO staat het volgende: “De hoogte van de aanvullende beurs en toelage is afhankelijk van het inkomen van uw ouders.” De mate waarin ouders in staat zijn een studie te betalen, is volgens DUO afhankelijk van het inkomen. Ouders met veel kapitaal (dus een flinke bankrekening) maar zonder inkomen, worden dus gecategoriseerd als ouders die NIET de studie van hun kinderen kunnen betalen. Het komt dus voor dat studenten in luxe leven en een aanvullende beurs krijgen. Wat hieruit duidelijk moet worden is dat kapitaal/vermogen niet wordt meegerekend. Kapitaal zorgt voor meer kapitaal (chrematistiek). Het inkomen is veelal nodig om de dagelijkse zorg voor het huishouding uit te voeren (oikonomie). Mensen met heel veel kapitaal hebben geen inkomen nodig. Zij vergaren “inkomen” uit de investeringen die ze hebben gedaan met hun kapitaal.
2. Denk aan de rijkste families (niet met de hoogste inkomens, maar dus met de hoogste bankrekening) die zelf een bank oprichten (dat mag namelijk gewoon) of een investeringsfonds. Deze bank of investeringsfonds kan vervolgens voor heel weinig geld, geld lenen van de Centrale Europese bank. Tevens kunnen ze stichtingen oprichten die geen belasting betalen en daarnaast deze fondsen en stichtingen onderbrengen in landen waar weinig belasting betaald hoeft te worden. De zogenaamde belastingparadijzen. Leden van deze families kunnen vervolgens via deze bank en fondsen en stichtingen aan goedkope leningen komen en hoeven daarnaast weinig belasting te betalen. Dit is allemaal niet weggelegd voor mensen met alleen een inkomen en (te) weinig kapitaal. Zo worden de verschillen tussen kapitalisten en de “loonarbeider” alleen maar groter.
3. Reken ook eens mee. Stel iemand is fulltime leraar en verdient zo’n 2500 euro netto per maand. Daarnaast heeft deze leraar een huis dat hij of zij verhuurd in Amsterdam van 500.000 euro. De maandelijkse huurinkomsten zijn dan rond de 2000 euro. Daarnaast stijgt de waarde van het huis jaarlijks met zo’n 5% (dit is een nog pessimistische voorspelling). Dat is omgerekend 25.000 euro per jaar, meer dan 2000 euro per maand. Hierdoor verdient de leraar (2000+2000=4000 euro) per maand aan huuropbrengsten en waardestijging, terwijl het maandelijkse inkomen 2500 euro is. Het kapitaal/vermogen/bezit levert daarmee meer op dan het inkomen.

24. De kandidaten kunnen uitleggen dat er met de invoering van de vrije markt een scheiding plaatsvindt tussen de private en de publieke sfeer, waarbij ook de politiek beperkt en bepaald wordt door het economisch discours. 
Ze kunnen daarbij uitleggen: 
– dat dit volgens Tronto leidt tot een verschraling van het morele debat in het publieke domein; 
– dat zorg volgens Tronto een publieke taak is en daarom onderwerp is van politiek.

Het grote probleem is dat we de bestaande situatie niet bekijken vanuit een originele bril maar vanuit de logica van de bestaande situatie zelf, waardoor er geen paradigmashift kan plaatsvinden. Dit is het zelfreferentieel karakter. De oplossing voor bijvoorbeeld het ineenstorten van de huizenmarkt is om de markt nog vrijer te maken of om nog meer te reguleren (ingrijpen van de staat in de vrije markt). In beide gevallen zijn dit bestaande ideeën voor bestaande oplossingen. Dit doet denken aan de uitspraak: “Wij van WC-eend adviseren WC-eend“.
Tronto stelt dat de macht van de politiek op drie manieren begrensd wordt: 1. Scheiding tussen moraal en politiek, 2. Scheiding tussen abstracte moraal en toegepaste moraal en 3. Scheiding tussen publieke (openbaar) en private sfeer (thuis).
Bij de oude Grieken werd er al een onderscheid gemaakt tussen de zorg voor de huishouding (private sfeer) die als zodanig ondergeschikt wat aan de regels van de polis (openbare sfeer). De zorg voor de huishouding was ook een aangelegenheid van slaven (zoals de pedagoog, de huisslaaf die kinderen voorzag in scholing) en vrouwen. De private sfeer van de zorg werd toen al gescheiden van de publieke, politieke (mannelijke) sfeer van de zakelijkheid en de harde regels. De zorg kreeg steeds minder plek in de publieke sfeer. De zakelijke publieke sfeer is een sfeer waarin efficiëntie, zakelijkheid, mannelijkheid, verbetering centraal staat. De zakelijke, rationele mens (man) moet (in de moderne tijd) als een afwegende rekenmachine (homo-economicus) voor zichzelf de beste keuze (utilisme) maken (hebzuchtig), waarbij het doel snel de middelen heiligt (p. 156).
De sfeer van de zorg met daarbij zaken als deugdzaamheid (zie primaire tekst 1), burgerschap, moraal passen niet bij de publieke sfeer (p. 156). Ze worden ook vaak als zweverig beschouwd, net als religie. Dat is prima achter de voordeur, maar de politiek moet mensen niet lastig vallen met dit soort zaken. De zorg wordt ongeschikt gemaakt aan het technische denken, de verzakelijking in een technische, harde taal (bureaucratie en cijfers – denk hierbij aan de algoritmes die de huizenmarkt in 2007 bestuurden).
Volgens Tronto is deze verzakelijking een verschraling van het goede leven en is het juist een taak van onderwijs en politiek om juist de zorg niet alleen voor het huishouden (oikonoms) maar voor het hele land te organiseren, waarbij niet het getal en de zakelijkheid voorop moet staan, maar de zorg als fundament voor de wijze hoe mensen relaties aangaan met elkaar en daarmee samen leven.
Wanneer dit niet gebeurt, dan verzakelijken relaties tot verbindingen (producent-consument) die mensen aangaan op basis van wat het ze oplevert. Liefde is dan alleen maar iets wat voor de ander iets oplevert. Ik hou van jou als jij mij een auto geeft. Wanneer je niks voor mij meer betekent en ik niks aan je heb, dan ontvriend ik je op Instagram of Facebook. Of aan de leraar als producent is in een onderwijsfabriek (school) voor de leerling als consument, waarbij de producent voortdurend wordt afgerekend op basis van targets (eindexamenresultaten) zoals Key Performance Indicators (KPI’s), evaluaties van leraren door leerlingen, wat mogelijk manipulatie van cijfers ter genot van de leerling (en het voortbestaan van de school als bedrijf/fabriek) in de hand werkt. Deze stroming wordt ook wel transactionalisme genoemd: de school handelt in lijn van wat het oplevert. De leraar doet hetzelfde en de leerling ook.

Het transactionalisme ondergraaft de verantwoordelijkheid voor en vertrouwen in elkaar (punt II, p. 158). Een deal is niet alleen maar een deal (punt I, p. 157). Veel Russen wantrouwen Europeanen omdat Europeanen in de jaren 90 zaken hebben gedaan met Russen, maar na de deal meteen weer vertrokken, terwijl de Russen zelf dachten dat ze een vertrouwensband hadden. Vertrouwen (wellicht juist in een land waar veel corruptie is) is voor Russen belangrijk. Het is niet alleen maar een zakelijke overeenkomst. Het opbouwen van een vertrouwensband kost tijd. Daarnaast ondermijnt het transactionalisme (punt III, p. 160) het politieke-sociaal contract. Het gaat hierbij om het contract met de samenleving als geheel waarvoor iedereen ook een verantwoordelijkheid heeft. Het is niet duurzaam en draait om kortstondig gewin, waarbij het gaat om snelle targets halen. In het geval van de failliet gegane DSB-bank gaven medewerkers aan leningen te hebben verkocht aan klanten waarvan ze wisten dat de klanten die niet konden betalen. De medewerkers reden soms huilend naar huis, maar ze moesten nu eenmaal targets (doelen) halen en de klant werd gezien als een homo economicus die zelf ook wel kon uitrekenen wat het beste voor hem was (eigen verantwoordelijkheid).
Trump wordt vaak gezien als een transactionalist: America first! Check het onderstaande filmpje waarbij Trump verantwoordt waarom de Amerikanen zich terugtrekken uit Syrië en de Turken vervolgens Syrië kunnen binnenvallen. Los van de vraag wie er goed of slecht is, gaat het hier om de verantwoording van Trump. Trump geeft aan dat de Koerden vechten voor hun eigen land en de Koerden de Amerikanen ook nooit geholpen hebben en dat de Amerikanen veel geld hebben betaald aan de Koerden.

Primaire tekst
(4): Joan Tronto – Caring democracy, Markets, Equality and Justice 
25. De kandidaten kunnen de neoklassieke (economische) visie dat de kwaliteit van zorg beter wordt door de vrije markt en de tegenovergestelde visie dat de vrije markt schadelijk is voor de kwaliteit van de zorg verdedigen. Daarbij kunnen zij van beide visies voorbeelden geven en de politieke implicaties van deze visies weergeven, toepassen en evalueren.


De neoklassieke (economische) visie gaat uit van de mens die uit eigen belang handelt. Wanneer alle mensen uit eigen belang handelen (en kiezen – homo economicus), dan ontstaat strijd en concurrentie waardoor de producten beter en goedkoper worden voor consumenten. Hierdoor ontstaat er een “onzichtbare hand” die zorgt voor nog meer geld (winstmaximalisatie voor iedereen). Meer geld voor de rijke en arme mensen. Hoe meer geld voor iedereen, hoe rijker ook de armsten in een land. Deze visie gaat ervan uit dat de democratie en de zorg voor elkaar en het huishouding (oikonomos) beter gaat als de verzorgers (iedereen) genoeg geld heeft om van te leven.
Joan Trono vertrekt vanuit een tegenovergestelde visie. De markt wordt als publieke sfeer losgetrokken van de (vrouwelijke) private sfeer (het huis en de zorg thuis voor het huishouden). De publieke sfeer is zakelijk, hard, (mannelijk) en vertrekt vanuit eigenbelang. Tronto benadrukt dat het goede leven niet gaat om de vraag hoe om te gaan met kapitaal en product-consument verhoudingen zoals Locke, Smith en Marx. Het goede leven vertrekt vanuit het idee dat mensen gezonde verbindingen met elkaar moeten aangaan: zorg (voor elkaar). Niet alleen thuis, maar in het hele land. De publieke sfeer is niet alleen iets zakelijks (en mannelijks), maar heeft ook zorg nodig voor elkaar. Dit is noodzakelijk voor een gezonde democratie.
Tronto wil dat de zorg voor elkaar wordt gecultiveerd (p. 398). Tronto definieert drie standaardargumenten (p. 397) (die vaak worden aangehaald maar geen fundamentele oplossing bieden voor het probleem van de zorg) over zorg en samenleving:

  1. Zorg is natuurlijk. Mensen zorgen sowieso voor elkaar, daar hoeven politici in de publieke sfeer geen aandacht aan te schenken. Zorg is iets voor mensen zelf. Wel kan de overheid een zorgsysteem met ziekenhuizen en huisartsen en verzekeringen opbouwen en verder uitbouwen.
    Dit argument is volgens sommigen niet toereikend. Dit argument zorgt ervoor dat er geen debat plaatsvindt over het menselijke aspect van zorg. In de thuiszorg wordt bezuinigd op het menselijke aspect. Dit zou te duur zijn en niet efficiënt genoeg. Steeds meer medewerkers krijgen een minutenschema waarin wordt bijgehouden hoeveel tijd welke cliënt krijgt van de verzorger. Deze efficiëntieslag zorgt ervoor dat de zorg van haar menselijke kant wordt ontdaan. Een gesprekje of kopje koffie met een eenzame oudere zit er steeds minder in, terwijl eenzaamheid en persoonlijke verwaarlozing op termijn de samenleving veel meer kost. Het zou wellicht goedkoper zijn om juist ruimte te geven voor zorg.
    (Ruimte voor een coachgesprek kan ook in dit licht worden begrepen. Ruimte voor persoonlijke zorg voor elkaar, voorbij de targets/ eindexamenresultaten).
  2. Zorg is een product dat op de vrije markt verkocht moet worden (waardoor er vanuit de vrije markt ook natuurlijke vraag voor zorg moet zijn. Denk hierbij aan steeds meer producten die gaan over zorg voor elkaar zoals coaches). Het tot product maken van zorg biedt geen fundamentele oplossing voor het zorgvraagstuk.
    Denk hierbij aan marktwerking in de zorg. Wanneer zorg als een product wordt gezien dan bepaalt de vrije markt wat het kost. Zorg wordt daardoor efficiënter en goedkoper. Dit is de theorie. Echter, de afgelopen jaren zijn een aantal ziekenhuizen failliet gegaan als gevolg van marktwerking. Verschillende cliënten (klanten) zijn hier de dupe van geworden. Vertrouwde banden met doktoren/behandelende artsen werden opeens doorbroken.
    Daarnaast zorgen priveklinieken voor verschillen tussen arm en rijk. Arme mensen krijgen minder luxe zorg dan rijke mensen. Rijke mensen kunnen ook dure zelfscans etc. betalen. Wanneer zorg wordt bepaald door de vrije markt, dan kunnen bepaalde mensen meer en betere zorg inkomen dan andere mensen.
    Daarnaast zijn veel mensen die zorg nodig hebben vaak kwetsbaar. Het is maar zeer de vraag of een kwetsbaar, zorgbehoevend persoon als een homo economicus een rationele afweging kan maken met een (economische) kosten-en-baten analyse van wat zorg voor de eigen gezondheid kan opleveren en wat niet. Kwetsbare mensen kunnen soms angstig zijn en daardoor niet altijd de meest rationele (economische) keuze maken.
    Het laatste punt betreft de onbetaalbaarheid van het tot product maken van alle zorg. In 2016/2017 benadrukt de regering het idee van de participatiesamenleving. Mensen moesten meer participeren in de samenleving. Eigenlijk staat hier dat mensen meer voor elkaar moeten gaan zorgen, omdat de overheid deze zorg op langere termijn niet meer kan (of wil) betalen. Niet alle zorg kan betaald worden uit belastinggeld. De zorg die wordt geboden moet goedkoper en efficiënter (minder menselijk) of worden uitgevoerd door zogenaamde mantelzorgers. Een mantelzorger is een vriend of familielid die langdurige zorg biedt aan iemand anders en daar niet voor betaald krijgt, waarbij soms wel extra (financiële) hulp wordt geboden van uit de overheid. Rijkere mensen kunnen meer zorg inkopen en armere mensen moeten daardoor meer voor elkaar zorgen (wat natuurlijk ook zorgt voor minder betaalde inkomsten, wanneer iemand niet kan werken omdat deze persoon voor een familielid moet zorgen). Kortom: het betalen voor zorg is onbetaalbaar.
  3. Zorgproblemen (tekorten) oplossen door globalisering (meer mensen uit andere landen) en zorgrobots.
    Wellicht dat door robots en buitenlandse werknemers een aantal vacatures kunnen worden ingevuld en het gigantische tekort in de zorg (waar eerst op is bezuinigd) iets worden teruggedrongen. Buitenlandse werknemers en zorgrobots lossen echter het fundamentele probleem niet op. Het fundamentele probleem draait wederom om het goede leven met aandacht voor elkaar en daarmee ook zorg voor elkaar. De vrije arbeidsmarkt krijgt het niet voor elkaar om genoeg mensen te vinden. Zorg is sowieso heel erg duur. En robots kunnen de mens en het menselijke (nog) niet vervangen. Menselijk contact is cruciaal in de zorg. De nadruk op het invullen van vacatures typeert “een verwrongen beeld van de verantwoordelijkheid voor de zorg, dat op den duur de democratische beginsleen van een samenleving zal ondermijnen” (p. 399).

Primaire tekst (4) – Daarbij kunnen zij van beide visies voorbeelden geven en de politieke implicaties van deze visies weergeven, toepassen en evalueren.
Tronto stelt de vraag (p. 400): “Hoe moet zorg tot stand komen in een alomvattende democratie” en plaats de logica van de markt (mannelijke, publieke sfeer) tegenover de logica van de zorg (vrouwelijke, privesfeer).
De neoklassieke (neoliberale) economievisie stelt voor dat een land en daarmee haar bevolking zoveel mogelijk geld (winstmaximalisatie / chrematistiek) moet verdienen, zodat men (het land) steeds rijker wordt en de overheid of de mensen zelf zorg in kan/kunnen kopen.
Tronto’s visie benadrukt dat de “logica van de markt” (p. 400) nooit de vraag over zorg, samenleving en uiteindelijk de democratie zal stellen. De logica van de markt stelt de vraag van winstmaximalisatie en beschouwt alle zaken van zorg voor iets achter de voordeur.
De logica van de markt stelt de vraag hoe winst gemaximaliseerd kan worden. (ook in de gezondheidszorg zelf met concurrerende ziekenhuizen bijvoorbeeld)?

Zorg is echter voor niemand hetzelfde en daarmee ongelijk, particulier en pluralistisch (p. 400). Er is efficiënte geen one-size-fits-all oplossing, maar toch blijft men hiernaar zoeken omdat dit geld maximaliseert. De vraag naar de zorg is een vraag naar macht. Hoe hebben verzorgers/ziekenhuizen/instituten “macht” over mensen die hulpbehoevend zijn? Wat moeten we aan deze ongelijkheid, angst, afhankelijkheid, verschillen, etc. doen? Hoe willen we als samenleving voor elkaar zorgen? Dit zijn fundamentele vragen die de logica van de markt niet zal stellen, omdat deze logica stelt dat dit iets is voor achter de voordeur (in de privesfeer).

Tronto stelt een nieuwe logica van de zorg voor als alternatief voor of naast de logica van de markt (winstmaximalisatie) uit eigen belang. Voor deze logica van de zorg is ook iets te zeggen vanuit het Prisoners Dilemma. Samenwerking, en daarmee de afstemming van en zorg voor elkaar, is op langere termijn het beste voor iedereen.
Wanneer we deze nieuwe logica gaan omarmen, dan heeft dat natuurlijk enorme consequenties voor hoe het land en zorg wordt vormgegeven en hoe we denken over samen leven. Andere politieke partijen zullen dan ook aan de macht komen en het goede leven wordt dan niet meer iets waarbij zorg (opvoeding en samen leven) niet alleen maar een privezaak is voor thuis, maar een gemeenschappelijke taak. Hierdoor komt er bijvoorbeeld meer aandacht op scholen voor burgerschap en Bildung. Daarnaast draagt de logica van de zorg een manier van samen leven uit waar vertrouwen de basis vormt. Mensen zijn van nature geneigd om voor elkaar te zorgen. De mens is van nature goed zo schrijft Rutger Bregman in zijn nieuwe boek “De meeste mensen deugen” en hij haalt hierbij een voorbeeld aan van wat er gebeurt als een groep mensen plotseling aanstromen op een onbewoond eiland. De logica van de vrije markt gaat uit van eigenbelang en hebzucht. In het nobelprijs winnende boek “Lord of the Flies” lijkt de schrijver de logica van de markt verder door te denken. Mensen op een onbewoond eiland zouden uit eigenbelang elkaar geweld aandoen. Bregman onderzoekt jaren later of de stelling van het boek (eigenbelang en geweld) ooit werkelijk heeft plaatsgevonden. De uitkomst is het tegenovergestelde: in de praktijk blijkt (er is helaas maar 1 pratkijkvoorbeeld) dat mensen juist in nood voor elkaar willen zorgen! De logica van de markt en haar thema van eigenbelang gaat in de meeste gevallen niet op. Mensen zorgen veel meer voor elkaar (ook in de publieke sfeer) wanneer ze elkaar nodig hebben. Hebzucht is wellicht iets voor een decadente wereld.
Daarnaast is het relevant om de vraag te stellen of zorg voor elkaar een vrouwelijk iets is. Niet zelden wordt bijvoorbeeld gesteld dat technische jongens geen zin hebben in vage praat over zorg voor elkaar. Ook dit argument wordt wel eens aangegrepen in het licht van coaching. Mannen (en technici) zouden minder gericht zijn op zorg. Waarschijnlijk klopt deze logica niet. Het kan wel zo zijn dat mensen van elkaar leren de logica van de markt en eigenbelang voor waar aan te nemen. Maar wat waar gevonden wordt en wat men elkaar aanleert, is nog niet per definitie waar. In ieder geval moet de vraag naar de heersende logica (markt en/of zorg) nog open staan en verdient de logica van de markt niet het alleen heerschappij in het denken over het organiseren van de wijze hoe mensen samen leven in de publieke sfeer.

Lees ook eens dit stuk over de verschillende inkomens tussen mannen en vrouwen in relatie tot de verschillende mate van zorg voor de huishouding.

CDO