Ethiek – 2.5 – Nietzsche – vragen

  1. Wat is het verschil tussen worden en zijn?
  2. Wat is het verschil tussen hebben en zijn? Lees het gedicht van Ed Hoornik
  3. Wat zijn de overeenkomsten tussen Socrates en Nietzsche?
  4. Wat zijn de verschillen tussen Socrates en Nietzsche t.a.v. het moeten streven naar geluk en het cultiveren van deugden en de inzet van rationaliteit, onwetendheid en wilszwakte?
  5. Probeer in eigen woorden de volgende Nietzscheaanse begrippen uit te leggen: “herwaardering van alle waarden”, slavenmoraal en Übermensch.
  6. Maak aan de hand van een eigen voorbeeld duidelijk, wat we van Nietzsche kunnen leren.

Hebben en zijn  

Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werklijkheid, de andre schijn.

Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.
(Ed Hoornik)

Ethiek – par. 2.5 – antw.

  1. Leg uit waar het eerste model van geluk van Martha Nussbaum voor staat. Verwerk in je antwoord haar idee van het onaantrekkelijke van het onsterfelijke/Goddelijke en de noodzaak van (de beperking/begrenzing door) vorm. Het eerste model is gebaseerd op het verhaal van Odysseus. Odysseus slaat een relatie met een Godin af en heeft heimwee naar huis en zijn vrouw. Het Goddelijke is onsterfelijk en perfect, maar volgens Nussbaum is dit voor de mens uiteindelijk niet aantrekkelijk. De mens heeft grenzen nodig. Juist de grenzen van mensen maken het leven mooi. Zonder grenzen geen (nieuwe) muziek of sport of diploma’s. Honger is noodzakelijk om vervolgens als mens de honger te kunnen stillen. Een oneindig leven zonder honger maakt dat de mens iets menselijks verliest: het begeren, liefhebben, streven, leven. Dit is ook het centrale thema van het boek dat dit jaar de libris literatuurprijs heeft gewonnen: De goede zoon. Het eerste model gaat over het aanvaarden van deze grenzen!
  2. Het tweede model van geluk vertrekt net als het eerste model van geluk vanuit het idee van een begrenzende vorm, maar slaat vervolgens een andere weg in. Leg deze weg uit. Het tweede model vertrekt ook vanuit de aanwezigheid van grenzen. Dus: en zijn grenzen net als in het eerste model. De mens kan deze grenzen echter verleggen. Daarmee zijn er nog steeds grenzen (dus geen grenzeloze hemel van de Goden), maar worden deze grenzen verlegd.
    Het eerste en tweede model vertrekken dus vanuit het idee dat er grenzen zijn. Het eerste stelt dat de mens grenzen moet aanvaarden en het tweede stelt dat de mens grenzen moet verleggen.
  3. Reflecteer op een eigen voorbeeld vanuit deze twee modellen van geluk. Eigen voorbeeld…
  4. Waarom is een volledig narcistisch en zinloos leven voor de mens niet mogelijk? Welke rol speelt het streven naar de held hierin? Een narcist leeft alleen voor zichzelf. Maar iemand die niet met anderen maar alleen voor zichzelf leeft, kan niet leven. Een baby kan niet groeien zonder een moeder. Een mens ontwikkelt geen taal zonder anderen. Een mens vindt geen voedsel zonder anderen. Een mens heeft andere mensen nodig om te groeien in tegenstelling tot een bloem. Een bloem leeft van aarde en water.
    Een narcist is misschien wel een parasiet. Een parasiet die leeft in de wetenschap dat de rest van de wereld geen parasiet is en hem onderhoudt.
  5. Zijn mensen religieuze wezens die altijd streven naar iets hogers; een bovenpersoonlijke waarde? Nederlanders hebben helden. Deze helden zijn meer dan het individu waar ze voor staan. Deze helden hebben soms een heldennaam en velen weten vaak niet wat de echte naam is van de held. De held wordt hoog gehouden in een cultuur. Mensen streven vaak om een dergelijke bovenpersoonlijke waarde te hebben in een cultuur. Sommigen willen zelfs het leven geven om een held te worden in de eigen cultuur. Dit geeft wellicht aan dat mensen betekenis willen hebben voor anderen, zelfs als ze hiervoor het leven moeten laten. Dit lijkt me het tegenovergestelde van een narcist. (Of toch niet :)?)
  6. Reflecteer op jouw schoolprestaties en verwerk hierin de attributietheorie enerzijds en het toeschrijven van succes aan de omgeving en het falen aan jezelf anderzijds. Hoe ga jij om met/hoe denk jij over successen?
    Als je erin slaagt een (leer)doel te bereiken dan ligt het aan jezelf en als je er niet in slaagt dan ligt het aan iemand anders. Zo attribueert het goede naar zichzelf en het slechte naar iemand anders.

Ethiek – 2.5 – vragen

  1. Leg uit waar het eerste model van geluk van Martha Nussbaum voor staat. Verwerk in je antwoord haar idee van het onaantrekkelijke van het onsterfelijke/Goddelijke en de noodzaak van (de beperking/begrenzing door) vorm.
  2. Het tweede model van geluk vertrekt net als het eerste model van geluk vanuit het idee van een begrenzende vorm, maar slaat vervolgens een andere weg in. Leg deze weg uit.
  3. Reflecteer op een eigen voorbeeld vanuit deze twee modellen van geluk.
  4. Waarom is een volledig narcistisch en zinloos leven voor de mens niet mogelijk? Welke rol speelt het streven naar de held hierin?
  5. Zijn mensen religieuze wezen die altijd streven naar iets hogers; een bovenpersoonlijke waarde?
  6. Reflecteer op jouw schoolprestaties en verwerk hierin de attributietheorie enerzijds en het toeschrijven van succes aan de omgeving en het falen aan jezelf anderzijds. Hoe ga jij om met/hoe denk jij over successen?

Ethiek – 2.4 – antwoorden

  1. Wie is de grondlegger van de deugdenethiek? Aristoteles
  2. Wat is een deugd? Een deugd is een
    karaktereigenschap die de mens in staat stelt om zijn taken optimaal te vervullen.
  3. Wat wordt bedoeld met “interne doelgerichtheid”? Het idee dat alles uiteindelijk een volmaakt doel in zich draagt.
  4. Wat is het verschil tussen interne doelgerichtheid en bijvoorbeeld externe doelen zoals een leerdoel (waarbij een leerdoel wellicht poogt interne doelen te representeren maar daarmee nog niet samenvalt)? Een leerdoel is in taal geformuleerd. De context, de taal, omgevingsfactoren zijn bepalend voor de richting en inhoud van het leerdoel. Een intern doel is niet zo makkelijk in een taal of in een context uit te drukken. Het heeft te maken met het idee dat alles uiteindelijk terecht komt waar het terecht moet komen (in een ideale situatie). Maar wat dat precies is, blijft veelal onduidelijk.
  5. Filosoof en onderwijskundige Gert Biesta spreekt over opvoeding van pubers in de zin dat zij tot volledig wassendom moeten komen en daarbij samen met bijvoorbeeld leraren leren omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheid. Het volledig tot wassendom komen (volwassen worden dus) is misschien wel het interne doel van de mens… Maar deze mens wordt “geprogrammeerd” van buiten (in de school, door ouders, leraren etc.). Dit noemen we soms ook wel socialisatie. Deze programmering heeft invloed op het volwassen worden. Leg uit wat ik hiermee zou kunnen bedoelen. Is het mogelijk om zodanig te programmeren dat iemand zijn of haar interne doel kan bereiken? Een van de filosofische thema’s is vrijheid. De mens streeft (intern doel) naar vrijheid en met vrijheid volgt ook verantwoordelijkheid. Onderwijs zou een middel kunnen zijn om leerlingen te leren omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheid. Maar hoe leer je iemand omgaan met vrijheid en verantwoordelijkheid zonder dit leren te beperken en op een bepaalde manier te programmeren.
  6. Zijn er überhaupt interne doelen? Wat denk jij? Eigen mening
  7. Wat is de impact van programmering op het bereiken van een of het interne doel om volwassen of gelukkig te worden? Zijn mensen in staat een programmering zodanig vorm te geven dat de ander niet wordt beperkt maar juist bevrijd?
  8. Karakterdeugden gaan over het maken van doordachte keuzes, weloverwogen op zoek naar het juiste midden tussen twee uitersten. Geef hiervan voorbeelden en leg uit. Check bijvoorbeeld het volgende testje dat ik heb gemaakt voor leraren: 
    http://lof2.gruijthuijzen.nl Dit testje bestaat uit 14 deugden, waarbij leraren soms moeilijke keuzes moeten maken… dus moeten zoeken naar een weloverwogen juiste midden.
  9. In hoeverre is de deugdenethiek van Aristoteles context – en praktijkgericht? In verschillende contexten kunnen verschillende afwegingen worden gemaakt. Hierdoor wordt het moeilijk om een universele regel/wet op te stellen, omdat deze regels in verschillende contexten tot ander handelen kan leiden.
  10. Wat is het verschil tussen de deugdenethiek en het consequentialisme enerzijds en de deontologie anderzijds? Deugdenethiek redeneert vanuit een bepaalde context, terwijl consequentialisme gaat over zoveel mogelijk geluk voor iedereen (dus ook buiten de context). Deugdenethiek kan verschillen per situatie, terwijl consequentialisten/Kantianen juist stellen dat je zodanig moet handelen dat iedereen (in alle andere contexten) ook zou moeten handelen.