Parlementaire democratie (9)

9. Denken over democratie

VRAGEN  blz. 108

1.    De stelling bij de begincase is: “Invoering van een kiesdrempel verbetert de democratie in Nederland.”

Voorbeelduitwerking:

Eens, want:

–      met minder (kleine) partijen gaat de besluitvorming sneller.

–      met minder partijen wordt de politiek overzichtelijker en begrijpelijker voor kiezers.

Oneens, want met een kiesdrempel sluit je een deel van kiezers uit en dat is juist ondemocratisch.

2.    Egypte kent geen democratische traditie en aan sommige randvoorwaarden wordt niet voldaan, zoals:

–      Grondrechten worden niet gerespecteerd door leger en politie.

–      Er is weinig sociale cohesie door spanningen tussen etnische en religieuze groepen.

–      Burgers gaan door gebrek aan vertrouwen niet stemmen.

Bij de parlementsverkiezingen van 2015 was de opkomst slechts 26,6 procent.

3.    –      Art. 3 (benoembaarheid).

–      Art. 4 (kiesrecht).

–      Art. 7 (recht op meningsuiting).

–      Art. 8 (recht op vereniging).

–      Art. 9 (recht op vergadering/betoging).

Eventueel ook artikel 6, godsdienstvrijheid, zodat elke confessionele partij kan meedoen.

4.    Voorbeelduitwerking:

Te grote tegenstellingen in opvattingen bemoeilijken de besluitvorming. Dat zie je bijvoorbeeld in de VS bij de verschillen tussen republikeinen en democraten of tussen de orthodoxe en liberale joden in Israël.

Er moet een zekere bereidheid bestaan om samen naar een oplossing te zoeken.

5.    a.    Representatie betekent dat er sprake is van een vertegenwoordiging van het volk.

Representativiteit slaat op de mate waarin opvattingen van volksvertegenwoordigers overeenkomen met die van burgers.

In de Kamer zitten vertegenwoordigers van het volk. Ze zijn immers door dat volk gekozen. Maar de standpunten van de volksvertegenwoordigers kunnen bij sommige onderwerpen afwijken van die van het volk. In dat geval is er wel representatie, maar geen of beperkte representativiteit.

b.    In een districtenstelsel, omdat daar veel stemmen verloren gaan (‘The winner takes it all’).

Binnen het stelsel van evenredige vertegenwoordiging worden alle uitgebrachte stemmen verdeeld over het beschikbare aantal zetels.

6.    Voorbeelduitwerking:

Vóór de opkomstplicht, want:

–      het verhoogt de politieke participatie.

–      het leidt tot een betere representatie van de bevolking in het parlement.

–      mensen houden zich meer bezig met het algemeen belang van het land.

–      meer politieke participatie zorgt voor meer sociale cohesie.

Tegen de opkomstplicht, want:

–      de kans op willekeurig (niet inhoudelijk) stemmen neemt toe.

–      willekeurig stemmen leidt tot een minder representatieve volksvertegenwoordiging.

–      niet stemmen geeft blijk van weinig vertrouwen in de politiek. Dat is een belangrijk signaal voor politici.

–      de vrijheid van burgers om zelf te bepalen of ze stemmen, wordt beperkt.

7     VERTROUWEN ONDER DE LOEP  blz. 109

a.    Tweede Kamer: 66 procent. EU: bijna 50 procent.

Mogelijke verklaring:

–      De EU is voor de kiezer ver van zijn bed.

–      Er is relatief weinig media-aandacht voor de EU.

b.    Ja, ruim 60 procent van de Nederlanders is tevreden en Nederland staat daarmee op de tweede plaats.

Die resultaten sluiten aan bij Van der Meers conclusie dat er in Nederland een groot vertrouwen is in de democratie.

c.    Eigen uitwerking. Er moet een keuze zijn gemaakt uit een van onderstaande punten:

–      Bijna een op de drie kiezers onderschrijft de stelling: ‘Wat de regering ook doet, voor het dagelijks leven heeft het weinig nut.’

–      Bijna een op de twee kiezers (46 procent) onderschrijft de stelling: ‘Ik denk niet dat Kamerleden en ministers veel geven om wat mensen zoals ik denken.’

–      Een op de twee kiezers onderschrijft de stelling: ‘Mensen zoals ik hebben geen enkele invloed op wat de regering doet.’

–      Een ruime meerderheid van de kiezers (62 procent) onderschrijft de stelling: ‘Kamerleden letten te veel op het belang van enkele machtige groepen, in plaats van op het algemeen belang.’

8     NEPPARLEMENT  blz. 109

a.    Met representativiteit: er zijn wel vertegenwoordigers (representatie) in het parlement, maar volgens Wilders komen hun opvattingen over de opvang van vluchtelingen niet overeen met die van de bevolking.

b.    Voorbeelduitwerking:

Voor een goede vertegenwoordiging van de bevolking is het nodig dat mensen uit alle lagen van de bevolking participeren. Anders krijg je een politieke elite waarin de bevolking zich niet herkent.

9     IN HET NIEUWS  blz. 110

a.    Voorbeelduitwerking:

Ja, kiezers die je de mogelijkheid ontneemt om zich direct over een wet uit te spreken, neem je niet serieus.

Nee, door afschaffing neemt het kabinet de bevolking juist serieus, want dit participatiemiddel is een wassen neus.

Meestgehoorde kritiek op het raadgevend referendum is dat kiezers niet werkelijk invloed kunnen uitoefenen doordat de uitslag niet bindend is.

b.    Hij zal negatief zijn over afschaffing. Van Reybrouck vindt dat de burger ook zijn stem moet kunnen laten horen tussen twee verkiezingen in.

c.    Dat er onder de bevolking voldoende legitimiteit is voor het besluit.

10    LAGERHUISDEBAT  blz. 110

Zie ook ‘Gereedschap voor discussie en debat’ (bladzijde 14 en 15 van het werkboek) en het document Inleiding en extra’s van de Docentenhandleiding I VWO 2018-2019.

Voorbeelden van argumenten:

“In een democratie horen burgers het staatshoofd te kiezen.”

Argumenten voor:

–      Een democratie is een regering door het volk: elk openbaar ambt moet door burgers bekleed kunnen worden, dus ook dat van staatshoofd.

–      Democratie betekent dat het volk inspraak heeft. Bij een staatshoofd dat burgers zelf gekozen hebben is dat het geval.

Argumenten tegen:

–      Er zijn talloze overheidsfuncties waarvoor burgers geen kandidaten kunnen kiezen. Dat doet geen afbreuk aan de democratie, zolang de bevolking maar invloed heeft op de besluitvorming.

       Denk bij niet-verkiesbare functies aan minister, staatssecretaris, burgemeester, wethouder, ambtenaar.

–      Het staatshoofd is niet actief betrokken bij wetgeving. Het maakt voor het democratische gehalte van een land dus niet uit of burgers het staatshoofd wel of niet kunnen kiezen.

“De burgemeesters en de rechters van de Hoge Raad moeten door de bevolking gekozen worden.”

Argumenten voor:

–      Dit vergroot de participatie van burgers.

–      Burgemeesters en rechters van de Hoge Raad kunnen op deze manier rekenen op voldoende legitimiteit.

Argumenten tegen:

–      De populairste kandidaat is niet altijd de beste.

–      Verkiezingen houden kost veel belastinggeld.

“Als het opkomstpercentage bij landelijke verkiezingen onder de 50 procent zakt, kun je een land geen democratie meer noemen.”

Argumenten voor:

–      Participatie van burgers is een randvoorwaarde voor een goed functionerende democratie.

–      Er is dan onvoldoende sprake van representativiteit.

Argument tegen:

–      Dat weinig burgers hun stem uitbrengen kan erop duiden dat ze tevreden zijn met de gang van zaken.

“Alleen mensen met een vwo-diploma mogen politicus worden.”

NB De stelling moet luiden: “Alleen mensen met minimaal een vwo-diploma mogen politicus worden.”

Argumenten voor:

–      Voor het nemen van complexe en verantwoordelijke beslissingen zijn veel kennis en vaardigheden nodig. Dankzij minimaal een vwo-diploma beschikt de politicus hierover.

–      Een minimaal kennisniveau zorgt voor minder niveauverschillen tussen politici en vergemakkelijkt de communicatie en het onderlinge begrip.

Dat vergemakkelijkt en versnelt weer de besluitvorming.

Argumenten tegen:

–      De eis is ongrondwettelijk, iedere burger in Nederland heeft vanaf 18 jaar passief kiesrecht.

–      Dan kunnen heel veel mensen niet meer hun stem laten horen, met als gevolg toenemend wantrouwen in en afnemend draagvlak voor politieke besluiten.

“Mensen die niks weten van het nieuws en de politiek mogen geen stempas krijgen.”

Argument voor:

–      Pas als je weet wat er speelt in de samenleving, kun je beoordelen of politici zich met de juiste kwesties bezighouden en zo ja, welke.

Argumenten tegen:

–      Dan kunnen heel veel mensen niet meer hun stem laten horen, met als gevolg toenemend wantrouwen in en afnemend draagvlak voor politieke besluiten.

–      Een dergelijke eis is ongrondwettelijk, want iedere burger in Nederland heeft vanaf 18 jaar actief kiesrecht.

11    DE DEMOCRATIE IN CRISIS?  blz. 111

a.    –      Doordat burgers plaatsnemen in het parlement verbetert de representativiteit.

–      De zeggenschap van de ingelote burgers wordt vergroot.

–      Burgers nemen betere besluiten dan beroepspolitici omdat ze geen rekening hoeven te houden met herverkiezing.

–      Het draagvlak voor besluiten neemt toe.

b.    Van Reybrouck ziet wantrouwen als het bewijs voor een failliet electoraal systeem.

Van der Meer ziet wantrouwen als vereiste voor een goed functionerende democratie.

Volgens Van der Meer toont wantrouwen aan dat de macht gecontroleerd wordt en het leidt tot politieke participatie.

c.    Voorbeelduitwerking:

Mensen:

–      hebben geen tijd;

–      willen blijven werken;

–      zijn niet gemotiveerd;

–      zien zichzelf niet als competent;

–      zijn psychisch of lichamelijk niet in staat om de taak uit te voeren.

d.    Voorbeelduitwerking:

–      Hoogopgeleid, omdat politiek vaak ingewikkeld en abstract is. Hoogopgeleiden kunnen hier beter mee uit de voeten dan laagopgeleiden.

–      Progressief, omdat ze een wens hebben om dingen te veranderen.

–      Links, omdat linkse mensen voorstander zijn van een grote overheid en daarom sterker – dan bijvoorbeeld liberalen – geneigd zijn erbij betrokken te raken.

Rechts vindt dat mensen problemen zelf moeten oplossen (eigen verantwoordelijkheid), terwijl links vindt dat de overheid – in dit geval aangestuurd door burgerpanels – veel problemen moet aanpakken.

e.    Voorbeelduitwerking:

–      Hoge financiële compensatie.

–      Gunstige terugkeerregeling naar werk of studie garanderen.

–      Uitval sanctioneren door middel van boetes of werkstraffen.

f.     Voorbeelduitwerking:

Het parlement omdat het stemmen over wetten en het controleren van bestuurders een makkelijkere taak is dan het uitvoeren van wetten of het maken van wetsvoorstellen.

De gemeenteraad omdat burgers de meeste kennis hebben van wat in hun eigen woonplaats gebeurt.

Test je kennis

blz. 112

  Juist Onjuist
1.    Iran is een voorbeeld van een religieuze dictatuur. X  
2.    Een indirecte democratie is alleen mogelijk in een presidentieel stelsel.   X       Een indirecte democratie is ook mogelijk in een parlementair stelsel. Kijk maar naar Nederland.
3.    Politiek rechts heeft vooral op het gebied van de sociaaleconomische verhoudingen een andere opvatting dan politiek links. X  
4.    Liberalen vinden dat de overheid zich moet beperken tot kerntaken als defensie, onderwijs en bescherming van vrijheden. X  
5.    De SGP gaat uit van de organische staatsopvatting. X  
6.    Bij een kiesdrempel van 5 procent zou een partij als de SP niet in de Tweede Kamer vertegenwoordigd zijn.   X       De SP heeft 14 zetels. Dat is 9 procent.  
7.    De formatie in Nederland duurt door de consensuspolitiek meestal slechts drie tot vier weken.   X       De formaties nemen daardoor meestal veel tijd in beslag; de laatste keer zelfs 32 weken.
8.    De politieke verantwoording voor de troonrede heet ‘gehaktdag’.   X       ‘Gehaktdag’ is de bijnaam voor de voorjaarsnota, op de derde woensdag in mei.
9.    De parlementaire volksvertegenwoordiging heeft formeel het laatste woord. X  
10.    Zowel de Eerste als de Tweede Kamer heeft het recht van initiatief.   X       De Eerste Kamer mist het recht van initiatief.
11.    Spindoctors zijn geen lobbyisten, maar adviseurs van politici. X  
12.    Pressiegroepen hebben binnen het proces van politieke besluitvorming de functie van poortwachter. X  
13.    Beleidsvoorbereiding en beleidsbepaling vinden plaats in de omzetfase van het politieke besluitvormingsproces. X  
14.    Wetsvoorstellen gaan nog voordat het parlement erover debatteert voor advies naar de Raad van State. X  
15.    Het subsidiariteitsbeginsel is de legitimatie voor de politieke macht van de provinciale besturen en gemeentebesturen. X  
16.    Bij intergouvernementele besluitvorming worden besluiten genomen met meerderheid van stemmen.   X       Niet met meerderheid van stemmen, maar op grond van unanimiteit.
17.    De Raad van Ministers vormt in de EU het dagelijks bestuur.   X       De Europese Commissie vormt het dagelijks bestuur van de EU.
18.    In het parlement is sprake van representatie wanneer de opvattingen van het parlement overeenkomen met die van de bevolking.   X       Dan is er sprake van representativiteit.