HGL – Week 15

  • 43. De kandidaten kunnen met behulp van de begrippen onderbouw, bovenbouw, bourgeoisie, klassenbelang en vals bewustzijn de kritiek van Marx op instituties uitleggen, toepassen en beoordelen.

De onderbouw
I. Het wezen van de mens: Hegel -> bewustzijn/denken -> de mens begrijpt zichzelf als een wezen tussen het eigene en de buitenwereld in en kan hierop reflecteren en anticiperen. Marx -> sociaal economische verhoudingen!

II. Sociaal economische verhoudingen: De wereld waarin de mens leeft -> context. De mens is eerst/primair een mens dat leeft tussen andere mensen (relaties) en daarna een mens dat daarover nadenkt/bewust is.

III. De context van de sociaal economische verhoudingen: verdeling van productiemiddelen (wie krijgt wat? materialisme), kapitaal (wie bezit wat? geld/goederen) en arbeidsdeling (wie doet wat in het productieproces -> speldenmaker (zie week 7).

IV. De context van de sociaal economische verhoudingen = onderbouw.

De bovenbouw

V. Hegel -> mensen geven samen vorm aan instituties. Instituties zijn samenwerkingsverbanden. Definitie van institutie: “Consistent and organized pattern of behavior or activities (established by law or custom) that is self-regulating in accordance with generally accepted norms. For example, political institutions are involved with (and regulate) competition for power; and economic institutions (such as markets) encourage and regulate production and distribution of goods and services.” Samenwerkingsverbanden als zijnde consistente en georganiseerde patronen van gedrag en activiteiten.

VI. Mensen hebben ideeën. Deze ideeën worden vormgegeven (gereflecteerd p. 206) en vertaald in samenwerkingsverbanden.

VI. Dit vertaalt zich in de zachte en harde instituten = bovenbouw.

Wetenschap, onderwijs, religie, kunst zitten vol met instituties die vorm gegeven zijn op basis van ideeën, normen, waarden, gewoontes, overtuigingen, etc.

Hegel: Instituten zijn een vertaling van gemeenschappelijk denken.
Marx: Instituten zijn de vertaling en beschermers van een bepaald soort denken.

Wat is het verschil tussen denken en “bepaald soort denken”? Denken betreft het denken van alle mensen. Een bepaald soort denken betreft het denken van die mensen die veel macht hebben en dus de vorm van de instituten kunnen bepalen voor alle mensen.

Bourgeoisie & Marx: Het staatsapparaat is vormgegeven door de bourgeoisie en beschermt daarmee vooral de belangen van de bourgeoisie en deze belangen zijn niet de belangen van het proletariaat.
Hoezo? Het (moderne) staatsapparaat beschermt bezit. De bourgeoisie bezit het meeste.

Vals bewustzijn: Dit is een bewustzijn dat zich niet bewust is van de machtsverhouding die onder ieder instituut ligt. “Mensen hebben niet door dat de ideeën in hun hoofd en de bijbehorende instituties bijdragen aan de instandhouding van de onderdrukkende instituties” (p. 207). Marx haalt religie aan. Mensen zijn gewend om zes dagen te werken en op zondag te rusten. Deze gewenning typeert een vals bewustzijn. Men “weet” niet dat deze indeling van de week helemaal niet vanzelfsprekend is. Het is prima mogelijk om 3 dagen te werken. Maar mensen denken hier verder niet vaak over na.
Een ander voorbeeld is het idee van de homo economicus: de calculerende mens die rationeel zijn eigen belangen bevredigt. Het is tegenwoordig steeds duidelijker dat dit model niet werkt. Toch halen veel economen die idee telkens weer aan. Maar het lijkt alsof de tijd aan het veranderen is qua bewustwording en de grenzen van de menselijke rationaliteit inzake “keuzevrijheid”.

Meesters van het wantrouwen: achter de oppervlakte van het menselijk handelen (het vanzelfsprekende handelen zonder bewust te zijn van de machtsprocessen die eraan vooraf zijn gegaan) zit een “verborgen, negatieve drijfkracht” (p. 207). Denk hierbij aan: “De mens wil macht” (Nietzsche). “De mens heeft een seksuele drang” (Freud). “De mens verdedigt zijn economische belangen” (Marx). Mensen en dieren proberen te overleven (Darwin). De mens is de sociale, hypercompetitieve professional die het gemaakt heeft, en daar ook mee naar buiten komt” (Verhaeghe).
Oftewel: achter/onder/voorafgaand aan alle instituten en daarmee georganiseerde samenwerkingsverbanden drijft iets negatiefs dat als zodanig verborgen is en wellicht ook blijft (negatieve drijfkracht).

44. De kandidaten kunnen Foucaults kritiek op instituties aan de hand van de begrippen macht, onderdrukking, normalisering en disciplinering uitleggen, toepassen en beoordelen.

Foucault: Foucault brengt drie filosofen samen tot een groot verborgen concept achter instituten. Ieder instituut is gevormd door diegenen (Marx) die macht (Nietzsche) willen (Heidegger/Hegel). Diegenen is bijvoorbeeld de bourgeoisie. De bourgeoisie oefent haar macht uit (Nietzsche). Maar het is niet zomaar een uitoefenen van macht. De bourgeoisie moet ook macht willen uitdrukken. Dit is denken (Hegel en Heidegger). Heidegger spreekt dan ook over machtssteigerung, waarbij de mens niet alleen macht wil, maar altijd meer macht blijft willen… de mens geeft niet alleen vorm, maar wil blijven vormgeven .

Foucault – onderbouw en bovenbouw: Onder ieder instituut (bovenbouw) ligt samenwerking/machtsuitdrukking van een bepaalde groep mensen die via de instituten macht vastleggen en afspreken voor alle mensen. Marx legde de nadruk op de sociale context waarin mensen opgroeien. Mensen denken na, maar ze denken na in een context. Wanneer de context een bepaalde vorm krijgt via instituties, dan krijgt het denken ook een bepaalde richting. Waar men mee bezig is, waar de context ruimte voor biedt, bepaalt ook waar het denken en creativiteit zich mee bezig gaat houden. Dus via de instituties is het mogelijk om het denken en daarmee de weg van de mensen (in de onderbouw) te sturen (waarbij velen zich helemaal niet bewust zijn van de deze sturing, omdat het vanzelfsprekend aanvoelt).

Foucault spreekt dan ook over disciplinering. Vorige week werd een vorm van disciplinering aangehaald: institutioneel racisme. Dit is een (onbewust) racisme dat in de haarvaten van onze instituties verborgen ligt.
Problematisch… Wanneer iemand probeert het wantrouwen jegens deze disciplinering te omschrijven/te duiden, dreigt het mis te gaan. Want iedere omschrijving van disciplinering zorgt ervoor dat de mens gaat denken/handelen en dus voor iets anders gaat kiezen en de instituten gaat aanpassen. Echter, deze aanpassing is op zichzelf ook weer een uitdrukking van de wil van enkelen over de velen. Daarnaast blijft het onduidelijk of iemand disciplinering überhaupt wel goed kunnen omschrijven/duiden.

De vraag naar disciplinering en het oplossen van deze paradox is een prachtig thema voor een nieuw essay! Er zijn talloze onderwerpen (met name op het vlak van de psychiatrie) op dit moment waarbij Foucault weer een centrale rol krijgt. Lees het artikel van en luister interview met Klinisch Psycholoog Paul Verhaeghe over normaliteit, waanzin en discipline uitgewerkt vanuit het boek “Filosofie van de waanzin” van Michel Foucault.

“”Elke maatschappij definieert haar ideale “normale mens”. Vandaag is dat de sociale, hypercompetitieve professional die het gemaakt heeft, en daar ook mee naar buiten komt. Zo voeden wij ook onze kinderen op. Daar is op zich niets mis mee, maar je krijgt wel veel mensen die er niet aan beantwoorden. Een groep die massaal mislukt. Excelleren is het nieuwe normaal.”