Wijsgerige antropologie – par. 1.5

Bekijk de onderstaande filmpjes. Je hebt ze nodig voor het beantwoorden van deze vragen!

  1. Wat bedoelt Sartre met de uitspraak: “De mens is gedoemd tot vrijheid”?
  2. Waarom kan vrijheid een doembeeld zijn? Denk hierbij ook aan de Franse verlichtingsidealen van rede, vrijheid en verantwoordelijkheid.
  3. Heb je zelf wel eens het gevoel dat vrijheid en verantwoordelijkheid als een zwaard van Damocles boven je eigen hoofd als leerling hangt?
  4. Waar staat het begrip existentie voor?
  5. Gaat volgens jou de existentie voor de essentie? Leg uit!
  6. Wat is de link tussen existentie en het in-de-wereld (Heidegger)/gesitueerd (Ponty) zijn?
  7. Simone de Beauvoir stelt: “Je wordt niet als vrouw geboren, maar je wordt er een”. Wat bedoelt de Beauvoir met deze uitspraak?
  8. In hoeverre is de man-vrouw-verhouding (de man als de (anders gepositioneerde) Ander) bij de Beauvoir een existentialistisch thema?
  9. In hoeverre ben je het met de Beauvoir eens dat de vrouw zich door de man laat overheersen?
  10. Waar staat het begrip “fallocentrisme” voor en hoe probeert Luce Irigaray via het “differentiedenken” buiten de gebaande paden te treden en daarmee de vrouwelijke buitensluiting te bestrijden?

 

Wijsgerige antropologie – par. 1.4 – antwoorden

  1. Wat is een animal rationale volgens Aristoteles?
    Een denkend (rationeel) dier (animal) of wel een zoön logikon (een logisch/denkend/rationeel dier). Mensen kunnen, net als dieren, voelen, ontwikkelen en bewegen, maar een mens kan over zijn eigen gevoel, ontwikkeling en beweging oordelen (samen met andere mensen). De vraag is of dit een onderscheidend criterium is voor de mens en de wijsgerige antropologische vraag: Wat is de mens? Wat maakt de mens tot mens?
  2. Wat voor beeld heeft Nietzsche op de (onaffe) mens? Hoe denk jij over dit beeld van Nietzsche op de mens?
    De mens “is” niet volgens een bepaalde heersende theorie of conventionele opvatting over wat de mens is. De mens is, in lijn met Nietzsche, “in wording”. De mens is onaf. Het kenmerkende aan de mens is, vanuit Nietzsche, dat de mens altijd in wording is, in ontwikkeling. En iets dat in ontwikkeling is, kent wellicht geen objectieve vaste grond, maar louter beweging. Zie ook het schilderij “Der Wanderer” (pag. 29). De Nietzscheaanse Übermensch wil zichzelf verbeteren omdat hij of zij dat wil. Niet op basis van opgelegde wil, maar omdat de mens dat zelf wil. Vrijheid en ontwikkeling van de mens is voor Nietzsche een persoonlijke aangelegenheid om uiteindelijk op de top van de berg te kunnen komen. Daar waar de lucht fris is en van waaruit je het volk in het dal op een heldere wijze kunt overzien. De Nietzscheaanse Übermensch is op weg naar de top altijd in wording.
    (Niet te verwarren met talloze instrumenten en stappenplannen die ons willen vertellen hoe wij aan de top kunnen geraken. Dat zijn wederom vormen vanuit heersende theorieën en conventionele opvattingen over de mens en de ontwikkeling van de mens).
  3. Heeft Descartes een punt wanneer hij stelt dat de mens als enig wezen zich kan begeven in twee werelden (Res Cogitans en Res Extensa)?
    Eigen mening
  4. Wat is de overeenkomst tussen het mensbeeld van Plessner en Nietzsche?
    Beide beschouwen de mens als onaf. Nietzsche accentueert het streven naar de top en Plessner accentueert juist het feit dat de mens niet alleen een lichaam heeft zoals een dier, maar dat de mens zich ook kan verhouden tot het lichaam. De mens is niet alleen een dier dat centraal in-de-wereld zit. Een dier dat reageert op de omgeving en ook als het ware samenvalt met de omgeving. De mens is, in lijn met Plessner, een dier dat dit samenvallen van de mens kan doordenken en zich ertoe kan verhouden. Juist het oordelen/verhouden over de eigen positie in-de-wereld, maakt dat de mens niet alleen centrisch is maar ook ex-centrisch. “Ex” in de zin van: “Niet inbegrepen”. De mens zit in-de-wereld (centrisch) maar door zijn geestelijke positie kan hij zich ook buiten de wereld en het eigen lichaam verhouden (ex-centrisch).
  5. Wat houdt de dubbelrol van de mens in volgens Plessner? In hoeverre is de mens instinctief en/of bewust?
    Zie vraag 4.
  6. Werk Plessners concepten centriciteit en excentriciteit uit.
    Zie vraag 4.
  7. In het vorige hoofdstuk (1.3) kwam Nussbaum met vier stappen. Centraal stond hier het cognitieve vermogen van de mens. Emoties waren het gevolg van menselijke cognitie (denken). Het denken, de rede is een onderscheidend kenmerk van de mens en zijn of haar omgeving. De vraag is echter of andere organismen, naast de mens, ook over een dergelijk onderscheidend, evaluatie en moreel denkvermogen bezitten.
    Bekijk het onderstaande filmpje en geef antwoord op de volgende vraag: In hoeverre onderscheidt de mens zich als rationeel denkend en moreel wezen?
    De mensapen geven blijk van een ex-centrische positie en een cognitieve/oordelende instantie. Ze kijken naar elkaar en zien van elkaar wat de ander heeft en bedenken dat bij zichzelf of ze hierin mee willen gaan. Een van de mensapen heeft duidelijk een gevoel van onrecht en kan hierover oordelen.