Scepticisme – par. 3.6+3.7 – antw.

  1. Wat is het verschil tussen inductie, deductie en abductie? In de onderstaande afbeelding wordt heel algemeen de “empirische cyclus” afgebeeld. Dit sluit aan bij wetenschapsfilosofie. Aan de ene kant beschikken we over een theorie. Vanuit deze theorie kunnen we bepaalde verwachtingen uit/voorspellingen doen/hypotheses stellen en vervolgens zien we in de realiteit of deze theorie in aparte/geïsoleerde gevallen klopt, gedeeltelijk klopt of niet klopt (deductie).
    Ook kunnen we specifieke/aparte/geïsoleerde gevallen waarnemen (empirisme) en op basis van een aantal waarnemingen een bepaalde theorie vormen (inductie).
    Bijvoorbeeld:
    Ik heb een twintigtal mensen geobserveerd en ik kwam erachter dat ieder mens sterfelijk is door simpelweg te constateren dat alle mensen zijn overleden. Hieruit heb ik de volgende conclusie getrokken/theorie gevormd (inductie): Alle mensen zijn sterfelijk.
    Vervolgens kwam ik vandaag Socrates tegen. Socrates is een mens. En omdat ik de theorie ken “Alle mensen zijn sterfelijk” en Socrates een mens is, kan ik niet anders zeggen dan dat in dit specifieke geval (Socrates), Socrates sterfelijk is (deductie).
    Dit is een logisch gevolg. Het kan niet anders dan dat een mens sterfelijk is en als ik een mens tegenkom dat deze mens sterfelijk is.

    Bij abductie is iets anders aan de hand. Wanneer ik op zoek ben naar de dader van een moord en ik veel aanwijzingen heb (maar geen logisch bewijs), dan is het niet per definitie “logisch” dat uit een set data (uit de realiteit) ik een logische conclusie/theorie kan trekken (dus niet inductie), maar het is ook niet logisch dat ik over een theorie beschik waaruit blijkt dat de verdachte in alle gevallen de dader is. Neem als voorbeeld een DNA-bewijs. Een DNA-spoor van een verdachte op een slachtoffer ik een zeer goede aanwijzing, maar wil niet automatisch zeggen dat de verdachte het slachtoffer heeft vermoord. Met behulp van data (zoals o.a. het DNA-spoort) kan er een redenering worden opgezet, waaruit niet onlosmakelijk blijkt dat de verdachte ook de dader is, maar wat als zodanig wel de “best mogelijke verklaring” biedt. Dit noemen we abductie.

  2. Leg uit wat het verschil is tussen ondergecodeerde en overgecodeerde abductie? Leg je antwoord uit aan de hand van een voorbeeld.
    Alleen een DNA-spoor is ondergecodeerd. Je hebt dan te weinig codes/data/informatie om tot de verklaring te komen m.b.t. de dader. Je kunt dan wel tot de best mogelijke verklaring komen, maar deze best mogelijke verklaring is dan nog steeds niet goed genoeg om iemand daadwerkelijk te veroordelen.
    Wanneer er naast een DNA-spoort nog karrevrachten aan andere sporen/data/codes/informatie beschikbaar is en je heb eigenlijk aan een stuk of 10 sporen al genoeg, dan is het overgecodeerd. Dit kan in praktische zin ook een probleem opleveren (verder niet filosofisch). Wanneer de politie op informatie/codes/data vraagt via zoiets als opsporing verzocht op tv en de politie krijgt vervolgens tienduizenden berichten die veelal bruikbaar zijn, dan is het niet alleen overgecodeerd, maar kost het ook heel veel tijd om deze berichten te duiden en te onderzoeken.
  3. Sherlock Holmes (zie filmpje) spreekt vaak over deductie. Zijn redeneringen zijn voor hem niets meer dan logische deductieve stappen naar de uiteindelijke conclusie (het weten dat). Leg uit waarom Sherlock Holmes beter over creatieve abductie kan spreken dan over deductie.
    Deductie staat voor een logisch, onvermijdelijk gevolg dat uit een theorie een specifiek geval te verklaren kan worden alsof er sprake is van 1+1=2. Bij creatieve abductie beschikt iemand over een set aan codes/informatie/data en deze set is net te weinig (ondergecodeerd). Door middel van geestelijke inspanning (creativiteit en verbeelding) kan de mens zich iets voorstellen, waardoor het langzaam duidelijker kan worden wie de dader is.
  4. Leg uit in hoeverre er in de film Rear Window, sprake is van creatieve abductie. In Rear Window “fantaseert” (of niet :)?) de hoofdrolspeler een mogelijke moord op basis van wat hij ziet en vervolgens hoe hij de geobserveerde data van achter zijn raam in zijn geest op een creatieve wijze verwerkt.
  5. Wanneer zou er wel sprake kunnen zijn van deductie in plaats van (creatieve) abductie?
    Wanneer het onvermijdelijk en onlosmakelijk zo is dat uit theorie x, specifiek geval y kan worden herleid.
  6. Hoe verhouden “afleiding naar de beste verklaring” en “creatieve abductie” zich tot elkaar?
    Zie vraag 2.

Scepticisme – par. 3.6 + 3.7

  1. Wat is het verschil tussen inductie, deductie en abductie?
  2. Leg uit wat het verschil is tussen ondergecodeerde en overgecodeerde abductie? Leg je antwoord uit aan de hand van een voorbeeld.
  3. Sherlock Holmes (zie filmpje) spreekt vaak over deductie. Zijn redeneringen zijn voor hem niets meer dan logische deductieve stappen naar de uiteindelijke conclusie (het weten dat). Leg uit waarom Sherlock Holmes beter over creatieve abductie kan spreken dan over deductie.
  4. Leg uit in hoeverre er in de film Rear Window, sprake is van creatieve abductie.
  5. Wanneer zou er wel sprake kunnen zijn van deductie in plaats van (creatieve) abductie?
  6. Hoe verhouden “afleiding naar de beste verklaring” en “creatieve abductie” zich tot elkaar?

 

Scepticisme – par. 3.4 + 3.5 – antw.

  1. Wat wordt bedoeld met het contextualisme? De correspondentietheorie (zie paragraaf 3.3, alinea 1) omvat het idee dat opvattingen/ideeën waar zijn in zoverre dat de opvatting correspondeert met de feiten. Maar hier ontstaat de vraag: “Hoe kunnen we beoordelen of iemand iets weet dat als zodanig correspondeert/overeenstemt met de feiten?”. Het contextualisme omvat het idee dat de “context” bepalend is voor de mate waarin we iets weten. Soms eist de context dat de lat laag ligt en soms dat de lat hoog ligt.
  2. Moore draait het basisargument van het scepticisme om (pagina 87). Wat is het basisargument van het scepticisme en in hoeverre draait Moore dit argument om? Moore stelt het “gezonde verstand” centraal. De scepticus, in lijn met het (kunstmatige) gedachte-experiment van Descartes, neemt dingen aan (kwade demon, mogelijkheid dat alles een droom is, etc.) die veel minder voor de hand liggen (en dus ook letterlijk hanteerbaar zijn) dan waar het gezonde verstand (het echte leven) zich op richt. Moore draait het scepticisme om. Niet de eis om te bewijzen dat we geen BIV zijn, moet centraal staan, maar diegenen die stelt dat we een BIV zouden kunnen zijn, moeten maar eerst eens aantonen dat het gezonde verstand in de gewone, levende wereld niet bestaat. Waarom aantonen dat de wereld wel bestaat in plaats van aantonen dat deze niet bestaat?
  3. Werk uit hoe Moore reageert op het droomargument van Descartes. Verwerk in je antwoord ook het concept van het gezonde verstand. Zie vorige vraag.
  4. Waarom hangt het “weten dat” af van de context waarbinnen met “weet dat”? Leg tevens uit wat de kerngedachte is van het contextualisme (pag. 89). Verwerk in je antwoord de omstandigheden binnen een gegeven context en de lage en hoge eisen die we stellen voor het “weten dat”. Zie vraag 1.
  5. Bekijk Ames Room (pag. 88). Waarom is de correspondentie met de feiten als waarneming niet voldoende? De waarneming kan ons in de steek laten. Er kunnen optische illusies opspelen.
  6. Wat wordt bedoeld met het relevantisme? Het idee dat in een bepaalde context er enorm veel tegenfeitelijke gedachte-experimenten gedaan kunnen worden. De lat kan heel hoog gelegd worden. Je kunt dan eindeloos levende vragen blijven stellen. Maar wat als we nu een theorie of een set criteria hebben op grond waarop we kunnen afspreken welke vragen in een bepaalde context relevant zijn op te stellen en welke niet? Wat dus redelijke twijfel is binnen een context? Maar als we de vraag stellen naar wat relevante vragen zijn, dan hebben we wel weer een alomvattende theorie met een set criteria nodig en begint die zoektocht.
  7. Leg uit wat de kerngedachte van “gewone-taal-filosofie” is. John Austin legt de kerngedachte neer dat in de gewone taal van mensen een “schat aan informatie” over de buitenwereld, binnenwereld en de relatie tussen deze twee ligt. Het is zaak om goed te kijken naar wat wij zeggen te “weten” in ons dagelijkse taalgebruik. Het gaat bij scepticisme en specifiek epistemologisch scepticisme namelijk om wat we kunnen weten (en het hoofdstuk hierna natuurlijk over wat we kunnen mededelen). De vraag naar kennis (episteme). Vervolgens stelt Austin (zie quote in het rood op pagina 91) dat “weten dat” in ons dagelijkse taalgebruik veelal inhoud dat iemand “vindt” dat hij of zij genoeg weet in een bepaalde context. De context bepaalt de relevantie van een sceptisch alternatief. In sommige contexten, zijn sommige vragen en tegenfeitelijke gedachte-experimenten belangrijker dan in andere contexten.
  8. Wanneer is genoeg genoeg? (Pag. 91). Hoe ver moeten we gaan in het uitsluiten van sceptische alternatieven? Eigen mening
  9. Wat is het verschil tussen het contextualisme en relevantisme?
    In paragraaf 3.6 zal dit nogmaals uiteengezet worden, maar in het onderstaande filmpje over Eindterm 55: Contextualisme wordt al na 55 seconden duidelijk wat de overeenkomsten en verschillen zijn. Overeenkomst is dat ze beiden het begrip context gebruiken. Daarmee geven ze ook beide aan dat er verschillende contexten zijn en dat aan deze contexten ook verschillende kennis hangt. Verschil zit in de a. deductieve geslotenheid (eindterm 57) en de internalistische en externalistische benadering (eindterm 59).
    Deductief is een term die eerder bij wetenschapsfilosofie aan bod is gekomen. Deductie is het idee dat uit een theorie logischerwijs de werkelijkheid geduid kan worden. In dit geval kan de context dienen als de theorie en uit de context kan iemand geheel internalistisch, volledig uit zichzelf, beredeneren welke tegen-feitelijke gedachte-experimenten noodzakelijk zijn. Echter, het kan best zo zijn dat iemand gaat nadenken welke soort vragen relevant zijn om in een context te stellen. Dan neigt het meer naar relevantisme.