Wetenschapsfilosofie – week 7 – vragen

  1. Leg het verband uit tussen het pragmatisme en de relevante context uit vraag 3.
  2. Het verificatiecriterium als demarcatiecriterium hebben we aan de Wiener Kreis te danken. Wat zijn de voor- en nadelen van het verificatiecriterium?
  3. Karl Popper poneert het falsificatiecriterium als demarcatiecriterium. Wat is het falsificatiecriterium?
  4. Waarom denk je dat in het dagelijks leven het falsificatiecriterium niet door iedereen wordt gewaardeerd?

Par. 5.4

  1. Bekijk het onderstaande filmpje. Wat verstaat Thomas Kuhn onder een paradigmashift?
  2. Leg uit hoe een paradigmashift tot stand komt? Geef ook een voorbeeld van een paradigmashift.

Par. 5.5

  1. Volgens Bayle is het belangrijk om het eigen (innerlijke) geweten te volgen. Is het mogelijk om moreel te handelen zonder het eigen innerlijke geweten te volgen?
  2. Hoe denkt Bayle over tolerantie?
  3. Waar gaat het conflict tussen Bayle en Augustinus over?
  4. Moeten we tolerant zijn voor ideeën die aantoonbaar onjuist zijn, maar waarin mensen geloven? Denk eens aan diegenen die geloven dat de aarde plat is? Of denk aan de groep mensen die tegen het inenten van baby’s zijn? Of denk eens aan volgers van de terroristische groepering IS. Moeten we tolerant zijn voor intolerantie? Kunnen we tolerantie afdwingen? Wat vind jij?

Wetenschapsfilosofie – week 7 – ant.

  1. Leg aan de hand van Cecile’s verhaal uit wat de correspondentietheorie inhoudt. Beweerzinnen, statements zijn “waar” wanneer ze “overeenkomen met de feiten”. Het “overeenkomen met de feiten” is de kern van de correspondentietheorie. Oftewel: Correspondeert het verhaal van Cecile met de feiten? Aangezien er geen reden is hieraan te twijfelen, gaat men hiervan uit, maar is dit terecht? De correspondentietheorie stelt dat je iedere keer moet kijken of een uitspraak/beweerzin/statement correspondeert met de feiten.
    In het voorbeeld van Cecile’s verhaal, verbindt de schoolleider haar beweerzinnen/argumenten/statements met het beeld dat hij van Cecile al in zijn hoofd had. Hij kent Cecile als een betrouwbare leerling en gaat ervan uit dat haar beweringen corresponderen met de feiten. Vanaf dat moment neemt de schoolleider de beweerzinnen “De bovenleiding van de tram is losgeraakt” en “daarom ben ik te laat op school” aan als waar. Totdat Tsjomme eenzelfde verhaal vertelt. Tsjomme staat echter bekend als iemand die vaak te laat komt. Nu is het dus de vraag wie of wat te geloven? De verschillende verhalen moeten wel kloppen en overeenkomen met elkaar.
    Het alles laten kloppen met elkaar sluit aan bij het coherentisme. Iets moet een coherent geheel vormen en in dit geval moeten de verschillende beweerzinnen en argumenten van twee verschillende leerlingen over eenzelfde voorval met de tram overeenkomen als coherent geheel bij de schoolleider.
  2. Bekijk de missie en visie van het Udens College en leg uit in hoeverre deze missie en visie coherent is. Zie:https://www.udenscollege.nl/udens/missie-en-visie/.
  3. Werk een gedachte-experiment uit waarbij je feiten stipuleert, maar vanuit verschillende mogelijke verklaringen voortkomen.
  4. Bekritiseer het coherentisme vanuit het idee dat het moeilijk is om bepaalde informatie “juist” te beoordelen. Wat is juist, wat is de juiste informatie? Umberto Eco schrijft in “Op de schouders van reuzen”, hoofdstuk “Verbeelding van het heilige” het volgende: “Ockham zegt dat een beeld alleen een teken kan zijn dat ons in staat stelt ons iets te herinneren dat we al eerder hebben leren kennen als een individuele entiteit, anders zou het beeld ons niet gelijk toeschijnen aan het afgebeelde (…)”. In lijn met Ockham zouden we kunnen zeggen dat het moeilijk is om iets als juist te beoordelen, omdat dit iets al eerder gezien is en we al eerder op een bepaalde manier hebben leren kennen. Alles wat we kennen en op grond waarop we oordelen, hebben we al reeds gekend. Om te kunnen oordelen of abortus goed of slecht is, moet je reeds al hebben gehoord wat abortus is. En de context waarin je het begrip abortus hebt gehoord, bepaalt nogal de manier hoe je verder in de tijd oordeelt over een onderwerp als abortus.
  5. Wat zijn de overeenkomsten tussen wetenschappelijke en activistische sceptici en de pyrronisten? Ze blijven zoeken naar de waarheid.
  6. Wat zijn de verschillen tussen wetenschappelijke en activistische sceptici en de pyrronisten? Wetenschappelijke activisten en activistische sceptici zetten de wetenschappelijke methode in als manier van zoeken naar waarheid. Pyrronisten leggen het zoeken niet deze wetenschappelijke methode op, maar laten het zoeken nog meer open.

    Lees “het juiste alternatief” van Karin den Heijer. https://didactiefonline.nl/blog/vriend-en-vijand/het-juiste-alternatief
  7. In hoeverre biedt Karin den Heijer het “juiste alternatief”? Op basis van welk coherent systeem, beoordeelt den Heijer het “juiste alternatief”?
  8. Hoe denk je zelf over Het Alternatief van Rene Kneyber en het juiste alternatief van Karin den Heijer en wat zijn de verschillen en overeenkomsten?
  9. Wat is het demarcatiecriterium? Wetenschappelijke onderbouwing van het zoeken naar het juiste onderwijssysteem. Goed onderwijs is wat aansluit bij het coherente idee dat ontwikkeling gepaard gaat met wetenschappelijke methodieken.
  10. Leg uit waarom de Duhem-Quine stelling problematisch is als het gaat om het fundament en daarmee het waarheidsgehalte van iedere (wetenschappelijke) theorie? Zie ook Ockham vraag 4. Ieder mens is, nog voordat er vragen worden gesteld, geladen met begrippen en theorieën. Geen enkel mens kan geheel objectief en neutraal naar de wereld kijken.
  11. Wat is het verschil tussen de context van de ontdekking en de context van de bevestiging van de verantwoording? Wat is relevant en wat is irrelevant? De context van de ontdekking betreft de ontdekking van bijvoorbeeld een nieuw paradigma. Dit is veelal geen wetenschappelijk proces, maar heeft met andere zaken te maken. De context van de bevestiging van de verantwoording komt na de context van de ontdekking. Na de ontdekking gaan veelal wetenschappers deze ontdekking via wetenschappelijke methodieken bevestigen en verantwoorden via confirmatie, verificatie of falsificatie.