Scepticisme – par. 1.2 – antwoorden

  1. Leg uit wat de vijf-minuten hypothese inhoudt.

Het is denkbaar dat de wereld voor vijf minuten geleden helemaal niet bestond. Alles wat we menen te weten over het verleden, is gewoon vijf minuten geleden, toen wij met z’n allen en de rest van de wereld geschapen werden, in ons bewustzijn ‘ingepland’.

  1. Waardoor loopt de scepticus het risico door te schieten?

Het denken en onze verbeelding kan logische mogelijkheden doordenken die absurd en alleen maar denkbaar maar daarmee niet realistisch zijn.

  1. Waar staat het “werkelijkheidsprobleem” voor?

Het idee dat de werkelijkheid wellicht aan onze ideeën vervliegt. Het is de vraag of de werkelijkheid überhaupt bestaat. Hoe kan de mens zekerheid verschaffen over de werkelijkheid?

  1. Leg het begrip “metafysisch scepticisme” uit.

Bestaat er iets in plaats van niets?

  1. Bestaat er iets buiten ons?

Zie vorige vraag.

  1. Wat is het verschil tussen epistemologisch scepticisme en conceptueel scepticisme? (Verwerk in je antwoord “the problem of other minds” en het communicatieprobleem)

Epistemologisch -> kan ik iets kennen? Kan ik een begrip vormen van iets in de werkelijkheid? (Met het verstrijken van de tijd, vergaat ook het object waarvan ik een begrip heb gevormd. Wanneer is er nog sprake van een object wanneer het langzaam vergaat?). Bekijk ook eens Theseus schip.

Conceptueel: Als ik al een idee kan vormen van een object. Kan ik dit idee dan zuiver overdragen aan iemand anders, een andere geest en begrijpt deze andere geest dit idee dan hetzelfde als ik?

  1. Herhaal de uitspraak van Gorgias van Leontini en leg uit hoe de drie verschillende soorten scepticisme door Gorgias in een uitspraak worden samengevat.

Niets bestaat – metafysisch scepticisme
We kunnen het niet kennen – epistemologisch scepticisme
We kunnen het niet mededelen – conceptueel scepticisme

Scepticisme – par. 1.3 – vragen

  1. Welke drie soorten scepticisme worden er onderscheiden in hoofdstuk 1 en leg ze uit?
  2. Wat is volgens Sextus een “dogmaticus”?
  3. Leg uit wat epochè betekent.
  4. Leg het verband uit tussen opschorten en onverstoorbaarheid
    (Waarom is voor de Pyrronist het geen kwelling om sceptisch te zijn? Gebruik in je antwoord het begrip isothenie.)
  5. Hoe denkt de scepticus over goed en kwaad en het vellen van een oordeel?
  6. Leg aan de hand van Buridans gedachte experiment, het begrip keuzestress uit.
    Bekijk desnoods: https://www.youtube.com/watch?v=bOp1_LIYvmk
  7. Leg de vijf tropen uit de originele tekst “hoofdlijnen van het pyrronisme” uit.
  8. In hoeverre sluiten de vijf tropen aan bij Agrippa’s Trilemma?
  9. Vind je het waard om voor het doel, de onverstoorbaarheid, te streven?