HGL – Week 18

Een nadruk op de geest (Plato/Decartes) en het denken en streven naar het zuivere idee, kan er voor zorgen dat het lichaam ondergeschikt wordt gemaakt aan de geest. Het lichaam wordt dan een soort van vervoersmiddel voor de geest. Zo zijn er mensen, met name in Silicon Valley, die claimen dat het brein geheel en al gekopieerd kan worden naar een machine. Hier vinden we het fundament voor transhumanisme. Transhumanisme is een stroming die voorbij wil gaan aan het sterfelijke lichaam. Het lichaam is een machine en met de toekomstige technologieën kan dit lichaam geprogrammeerd worden en andere vormen aannemen. Het lichaam wordt hier begrepen als een instrument voor de geest. De vraag is natuurlijk of de geest los gedacht kan worden van een lichaam zodanig dat de geest te knippen en plakken is in een andere vorm. Of is de geest diep verbonden met het lichaam en kan het nooit wennen aan een ander lichaam? Kan de geest überhaupt bestaan zonder of in een ander lichaam?

In onze tijd komt er steeds meer nadruk op het lichaam. Met name op het vormgeven van jezelf. Het laten zien wie je bent. Dit zijn vraagstukken die draaien om identiteit: wie ben ik? Begrijp dat dit direct samenhangt met wat eerder al is besproken: de opkomst van de burgerij waarbij individuen een eigen leven kunnen opbouwen. Begrijp ook dat dit direct samenhangt met het ideaal van een consumptiemaatschappij, waarbij men kleding, mode, sportclubs, etc. consumeert om maar aan het eigen ideaal te voldoen. De paradox lijkt soms wel eens dat hoe meer we aan ons eigen ideaal kunnen werken, hoe vrijer we zijn, hoe meer we bij anderen gaan zoeken hoe het eigen ideaal invulling te geven. Het kan soms ook makkelijker zijn om iemand om je heen te hebben die voor jou, jouw identiteit en daarmee uiterlijke vertoning vormgeeft. Wanneer je het helemaal zelf moet doen als burger, dan ga je bij anderen wellicht meer zoeken naar mogelijkheden. Dat kan in de eigen omgeving zijn, maar ook online bij influencers. Uit een Amerikaans onderzoek blijft dat nu al 86% van de jongeren influencer wil worden later en 12% ziet zichzelf al als influencer. Dit heeft natuurlijk invloed op de manier hoe we samenleven, maar ook op hoe we kijken naar het vormgeven van het lichaam. En over het lichaam, daar gaat dit hoofdstuk over. Problematisch in dit kader is natuurlijk dat niet iedereen influencer kan zijn en dat het een zeer twijfelachtig toekomstperspectief. Daarnaast sluit het naadloos en kritiekloos aan bij de neoliberale en neoklassieke economiefilosofie van de homo economicus die het eigen leven vormgeeft.

Op pagina 225 wordt ten aanzien van de omgang met het lichaam een driehoek voorgesteld:

  1. Het lichaam met zijn onontkoombare behoeftes
  2. De vrijheid ten opzichte van het lichaam
  3. De cultuur waarin bepaalde vormen van omgaan met het lichaam gewaardeerd of juist niet gewaardeerd worden, gebruikelijk of ongebruikelijk zijn

De film Fight Club ageert tegen het moderne ideaal van de mens in zijn of haar vredige habitat (veilige omgeving). In het onderwijs vertrekt men bijvoorbeeld vanuit de veilige leeromgeving. Fight Club idealiseert de mannelijkheid… In Fight Club komt iets naar boven van de homo economicus, wat ook tegen deze veilige omgeving in kan gaan. De mens kan namelijk in een vrije markt, in vrijheid het eigen lichaam vormgeven (zelfs downloaden als dat mogelijk zou zijn technisch). Dit vormgeven van het eigen lichaam kan ook betekenen dat in dit geval mannen ervoor kiezen hun mannelijkheid tot bloedens toe te cultiveren. De vraag is zelfs of Tyler werkelijk bestaat of een ideaaltype is van de geest die vanuit een innerlijke woede of wat dan ook zoekt naar wie hij als man is. In deze tijd zien we wellicht ook tekenen van deze strijd, waarbij geweld wordt opgehemeld.

48. De kandidaten kunnen uitleggen dat mensen de vrijheid hebben om zich op verschillende manieren te verhouden tot hun eigen lichamelijkheid en daarvan voorbeelden geven.

Op pagina 226 wordt gesproken over de mens die “immers de vrijheid” heeft “om zich te verheffen boven zijn strikt natuurlijke verlangens en neigingen.” De mens kan niet om het lichaam heen. Dit lichaam is gegeven bij geboorte (althans zolang het ideaal van de transhumanisten geen realiteit wordt). Om Goethe aan te halen, kan het lichaam gezien worden als de beperking als basis voor meesterschap. Enerzijds beperkt het lichaam onze keuzes en daarmee autonomie, maar anderzijds biedt iedere beperking ook een uitdaging om meesterschap te tonen. Denk hierbij aan de in 2018 overleden wetenschapper Stephen Hawking. Hawking leefde in een rolstoel, maar wist mijn zijn geest tot grote hoogten te reiken. Ieder mens geeft op een eigen manier vorm aan het lichaam. Het lichaam is daarmee mede “verantwoordelijk” voor het feit dat een mens vorm kan geven… Er moet een lichaam zijn om vorm te geven… om wellicht mee te pronken in het bijzijn van anderen. En dit pronken is nooit hetzelfde. Iedereen beschikt over een uniek lichaam. Dat is wellicht ook vrijheid.

49. De kandidaten kunnen aan de hand van voorbeelden uitleggen dat mensen zich onderscheiden van dieren door enerzijds een gebrekkig instinct en anderzijds door de noodzaak zelf na te denken en hun eigen omgeving te vormen. Tevens kunnen ze uitleggen dat de vrijheid die met die keuzes gepaard gaat om kan slaan in verslaving en het teniet doen van individuele autonomie.

De mens is een ziek dier, stelt Nietzsche. Daarmee bedoelt Nietzsche dat de mens niet af is. De mens kan zichzelf vormgeven en tegen de instincten ingaan. Zo kan een mens in hongerstaking gaan, zelfmoord plegen, liefhebben, vegetariër worden uit principe, etc. Omdat de mens van nature niet voldoende “overlevingsinstinct” heeft, moet het denken om te overleven. En met het denken, volgt taal, systeem, structuur, logica, kleding, tools gericht op het vormgeven van de natuur in dienst van de mens en zijn of haar cultuur. De gebrekkigheid (te weinig instincten) dwingt de mens tot denken en vorming!
Maar dit is ook problematisch. Multitasken bestaat niet! Wat maakt dat uit? Nou, stel je voor dat je alles rationeel moet afwegen en voor alle keuzes zelf verantwoordelijk bent en we kunnen niet multitasken… dan hebben we aan een dag niet genoeg om alle keuzes te maken die we dagelijks moeten maken. We doen dus heel veel intuïtief en op de automatische piloot. Wanneer we alles moeten plannen en ordenen, dan kunnen we een overload gaan ervaren aan “moetjes”. En wanneer we dan voor een paar zaken kiezen en de rest laten voor wat het is, lopen we het risico excessief veel het ene te kiezen en het andere te vergeten… Denk hierbij aan mensen die opeens heel lang heel veel sporten of iedere dag uit eten gaan. Denk hierbij aan mensen die veel gokken of veel bezig zijn met niet te gokken. Of veel drinken of bezig zijn met niet drinken. Allemaal eigen keuzes.

Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) stelt op pagina 15 uit “Mentale gezondheid van jongeren: enkele cijfers en ervaringen”, het volgende: “Je moet voortdurend hogere doelen stellen voor je leven. Je moet jezelf optimaal ontwikkelen. Je móet hoge doelen stellen voor je carrière. Om daar te komen móet je de optimale studiekeuze maken. Je móet hoge cijfers halen. Je móet veel naast je studie doen om straks zo ver mogelijk te komen. En je móet een goed sociaal netwerk onderhouden omdat je anders buiten de boot valt… (Vertegenwoordiger van de NJR)”

Het gevoel dat je voortdurend van alles moet doen met jezelf en je eigen leven en je eigen ontwikkeling, wordt gezien als een van de belangrijkste oorzaken van stress en burn-outs onder jongeren.
Tevens zijn het posten van fitnessprogramma’s op sociale media en de opkomst van obesitas tekenen van een extreem op het lichaam gerichte samenleving.

50. De kandidaten kunnen met behulp van voorbeelden uitleggen dat lichamelijke behoeftes en verlangens onderdeel zijn van menselijke identiteit, een verstandelijke en culturele dimensie hebben en niet zuiver particulier zijn.

Eerder werd Goethe al aangehaald: In de beperking toont zich de meester. In de lichamelijke beperkingen en met al onze intuïtieve neigingen, toont zich de rationele meester. De meester is altijd vrij om te bepalen geen alcohol te drinken of dik te worden. Enerzijds leiden excessieve en eenzijdige (vrije) keuzes soms tot verslavingen die juist heel dwingend en onvrij kunnen uitpakken, maar anderzijds moeten we als samenleving ervan uit gaan dat de mens niet alleen verlangens heeft, maar daarnaast ook de wil (autonomie/Kant/p. 227) heeft om tegen zijn neigingen en verlangens in te gaan. Hij is vrij te stoppen met eten bijvoorbeeld. De mens kan zijn leven en lichaam “redelijk invullen” (p. 227, Hegel). Dit gezegd hebbende, weten we dat met de opkomst van McDonalds in Amerika er een direct causaal verband is tussen het aantal McDonalds restaurants en obesitas. De wereld/cultuur (puntje drie t.a.v. de omgang met het lichaam) heeft ook invloed op de wijze hoe en wat iemand (autonoom) kiest ten aanzien van het vormgeven van het eigen lichaam. Het is niet alleen maar een individuele, autonome keuze, maar ook niet louter een individuele, instinctieve keuze, maar ook een maatschappelijke en sociaal vraagstuk…het vraagstuk van verslaving.

51. De kandidaten kunnen uitleggen dat door de techniek een ontlijving van het lichaam heeft plaatsgevonden en dat het lichaam een consumptieartikel is geworden. Daarbij kunnen zij de begrippen virtualisering, genot en manipulatie betrekken.

Ieder mens begeeft zich in-de-wereld met andere mensen. Ieder mens geeft vorm aan het eigen leven in-de-wereld met andere mensen. Mensen willen een onderdeel zijn van een groep enerzijds maar ook in deze groep onderscheidend zijn. De wereld waarin we leven is in zekere zin een consumptiemaatschappij. Je hangt jouw identiteit, wie je bent, op aan wat voor kleding je draagt, boeken die je leest, concertbezoeken, restaurants waar je gezien wordt, etc. Jouw financiële situatie bepaalt mede wat je kunt consumeren en hoe de wereld (en dus anderen) jou ziet.

Op pagina 228/229 wordt benadrukt dat mode de onmiddellijke natuurlijke behoeftes overstijgt. Mode is niet natuurlijk noodzakelijk, maar een “zelfgemaakte noodzakelijkheid” (p. 228 / Hegel). Een noodzakelijkheid die door de mens (cultuur) is gecultiveerd. Iedereen moet een broek dragen. Dat is niet natuurlijk noodzakelijk, maar wij vinden dat dat noodzakelijk is. Het is natuurlijk noodzakelijk om adem te halen en te eten. En deze zelfopgelegde noodzakelijkheden hebben we bedacht. Het zijn redelijke noodzakelijkheden/bedenksels in ons hoofd. Dit is in Hegeliaanse termen vrijheid als zelfbepaling!

Bij instituties hebben we gezien dat Adam Smith wilde afrekenen met de standenmaatschappij, maar dat Smiths vrije markt voor een mogelijk nieuwe, materiële ongelijkheid zorgde (Marx) met de opkomst van een onderbouw en bovenbouw.
Dit geldt ook hier. In Hegeliaanse termen kunnen we zelf bepalen hoe wij ons kleden. Echter, wanneer we zelf kunnen bepalen hoe we ons kleding hebben we anderen nodig om er achter te komen hoe en waarmee we ons kleden. Onze behoeftes en wensen zijn niet alleen het product van mijn vrije keuze, maar krijg ik via anderen. Ik ben in zekere zin “afhankelijk van anderen” voor inspiratie of iets dergelijks!

Horkheimer en Adorno werken in de dialectiek van de verlichting en kritiek uit op de consumptiemaatschappij. Voordat de mens zelf kan bepalen wat hij of zij wil, staat de ander centraal. Wat doet de ander? Wat trekt de ander aan? Naar welke restaurants gaan de populaire trendzetters? Wat doen influencers? Welke keuken heeft de buurman? We kijken zoveel naar elkaar, dat we verslaafd raken aan elkaar en met name aan wat we allemaal consumeren. Omdat iedereen steeds vaker hetzelfde wil, maar dan meer en beter dan de ander, kan het gebeuren dat we bijvoorbeeld niet meer 100 mobiele telefoonmerken hebben, maar nog maar een stuk of 5. Je ziet het ook in de klas… het aantal leerlingen dat zich anders kleedt, lijkt af te nemen. Deze verslaving in elkaar, in elkaars consumptieartikelen en in meer consumptie zorgt ervoor dat we veel op elkaar gaan lijken. Dat is nogal een paradox! Door autonomie en vrijheid, gaan mensen naar elkaar kijken en op elkaar lijken! De film Fight Club is tevens een aanklacht tegen deze ontwikkeling. Het vecht zich letterlijk los van de moderniteit.

Paragraaf 2, p. 230 sluit af met de vraag: “Waarom voelen wij, als laat-moderne mensen, bijna een lichamelijke afweer bij het geweld waar de mannen in Fight Club voor kiezen?”. Wellicht omdat we te veel van elkaar zijn gaan verwachten dat geweld slecht is en het lichaam iets is wat je goed moet onderhouden. We weten niet beter. Wat denk jij? Zijn we (par. 3, p. 230) al enkele eeuwen bezig lichamelijke wreedheid en lichamelijk lijden uit te bannen (punt 1)? Is het goed dat de overheid (punt 2, p. 231), moderne staat, het monopolie op geweld heeft opgeëist? Haal bij deze vraag ook weer eens het panopticon van Bentham en Foucault voor de geest. In hoeverre leidt deze monopolie en uitbanning van lichamelijk geweld tot disciplinering van de mens, waarbij lichamelijk geweld plaats heeft gemaakt voor het twistgesprek… in taal dus (punt 3, p. 232)? En heeft als laatste (punt 4) de waarde van het lichaam als instrument in deze samenleving (met doorgaande mechanisering en automatisering) waarbij fysiek werk steeds minder wordt afgedaan? En wat betekent deze afname van de waarde voor fysiek werk voor de verhoudingen op het werk tussen mannen en vrouwen? Denk eens aan het leger? Wanneer fysiek niet meer leidend is, dan kunnen ook vrouwen “mannenwerk” doen. In hoeverre heeft het lichaam zijn functie verloren? Is het erg dat veel fysieke banen verdwijnen? Is het erg dat het “fysieke’ verdwijnt uit het leven?

Wat vind jij hiervan?

Wanneer het fysieke verdwijnt en het lichaam geen instrument is, maar een middel om jezelf t.o.v. anderen te laten zien, dan wordt het lichaam een verlengstuk van je eigen tentoonstelling. Byung Chul Han omschrijft in “De Transparante Samenleving” een samenleving waarin mensen zichzelf volledig als verkoopartikel “transparant” maken door zichzelf op sociale media online te zetten als verkoopwaar (influencers). Een influencer verkoopt zichzelf.

Foucault spreekt ook wel over biopolitiek. In onze kapitalistische samenleving moet je aan de wereld laten zien dat je lichamelijk gezond bent en in conditie. Dit kan, zoals we weten leiden tot een nadrukkelijke verslaving. Maar op deze wijze wordt er “macht” ingezet, politiek dus, om mensen verantwoordelijk te maken voor het eigen lichaam (bio). Denk hierbij aan dikke mensen die meer moeten betalen voor een verzekering, in een vliegtuig. Of aan rokers, drugsverslaafden, game-verslaafden, etc. In zekere zin zien we talloze mensen die op sociale media een “fake” voorstelling van zichzelf maken. Byung Chul Han geeft aan dat je niet alleen jezelf tentoonstelt, maar dat je ook (om de aandacht te blijven krijgen) steeds vaker en steeds meer moet tentoonstellen. Denk hierbij aan steeds meer naakt, steeds gekker, vrouwen die geld inzamelen voor de bosbranden in Australië door naaktfoto’s verkopen. Het lichaam als verkoopartikel dreigt steeds verder uitgebuit te worden!

E&F – Toetsstof

Week 1: Oikonomos & Chrematistiek (Aristoteles) / Moderniteit & Rationaliteit / Economische rationaliteit & Homo Economicus
https://filosofie.gruijthuijzen.nl/category/ef-week-1/

Week 2: Max Weber / Bureaucratie & formaliteit / Instituut als samenwerkingsverband / “Division of labour
https://filosofie.gruijthuijzen.nl/category/ef-week-2/

Week 3: Adam Smith / Vrije markt & Arbeid & Arbeidsdeling / Washington Consensus / Greed is Good / De onzichtbare hand / Arbeid & marktdenken als anti-democratisch middel & middel voor bevrijding / The Pinmaker / Sympathie en marktdenken / Kritiek op marktdenken
https://filosofie.gruijthuijzen.nl/category/ef-week-3/

Week 4: Karl Marx / Proletariaat & Bourgeoisie / Onderbouw & Bovenbouw / Modernisering van het marktdenken / kritiek op Adam Smith / Revolutie
https://filosofie.gruijthuijzen.nl/category/ef-week-4/

Filosofisch essay: relevantie, filosofisch begrip, consistentie, coherentie & originaliteit (vijf criteria).
https://filosofie.gruijthuijzen.nl/category/socratische-gesprek-en-filosofisch-essay/

Filosofische schrijfopdracht
Tijdens de toets krijgen jullie één algemene vraag die betrekking heeft op de lesstof uit week 1 t/m 4. Denk hierbij aan een vraag als:

Reflecteer op de moderne tijd vanuit een bepaald perspectief op de economie en samenleving en werk dit uit in een filosofisch essay en houdt daarmee rekening met de vijf criteria.
Verwerk in jouw essay de opvattingen van Aristoteles, Weber, Marx en Smith.

E&F Week 4

22. De kandidaten kunnen uitleggen dat volgens Marx de vrije markt, die gebaseerd is op privébezit van productiemiddelen, op gespannen voet staat met het goede leven. Daarbij kunnen ze uitleggen welke rol het kapitaal daarin volgens Marx speelt. 

Zowel Karl Marx als Adam Smith anticiperen op een nieuwe wereld waarin producten steeds breder beschikbaar wordt voor de burgerij als gevolg van de industrialisatie, technologische en wetenschappelijke vooruitgang. Beiden stellen de vraag hoe om te gaan met de beschikbaarheid van producten voor alle burgers. Het draait wezenlijk om de vraag naar de verdeling van spullen/producten (materiaal, m.a.w.: materialisme) en de rol van politici hoe/om deze verdeling op een bepaalde manier te organiseren.

Marx analyseert 50 jaar na Adam Smith, Smiths economiefilosofie. Deze analyse kan niet zonder de volgende punten: breuk met het verleden (p. 146), waarbij het feodale stelsel van heren en knechten wordt vervangen door de macht van burgers in een burgercultuur met rechtenvrijheden en bezit (een consument moet een gekocht product wel kunnen bezitten)en rijkdom verkregen door middel van handel en arbeid. Deze ontwikkeling kon niet ontstaan zonder de (natuur)wetenschap en technologische vooruitgang. De wetenschap en de technologie maakte het mogelijk dat er meer, goedkoper, efficiënter en sneller geproduceerd en daarmee geconsumeerd kon worden.
Deze breuk met het verleden is, volgens Karl Marx, problematisch. Met de toenemende productiekracht kregen steeds meer burgers ook steeds meer privébezit. Marx analyseert vervolgens het concept van privébezit. Wanneer iemand iets bezit voor eigen gebruik, dan kan dat product niet door iemand anders worden geconsumeerd. Sommige producten zijn noodzakelijk voor het leven, maar wanneer deze producten opeens eigendom zijn van iemand, dan is het niet meer vanzelfsprekend dat deze noodzakelijkheden beschikbaar zijn. Deze moeten dan, soms tegen extreme prijzen, gekocht worden. Deze “modernisering van eigendomsverhoudingen” (p. 147) zorgt ervoor dat iemand die in de winter bomen nodig heeft om het huis op te warmen, daarvoor niet meer naar het bos kan gaan wat plotseling in het bezit is van iemand anders. Een boom kappen in een bos dat van iemand anders is, wordt vanaf dat moment stelen genoemd. In deze tijd kunnen we denken aan de privatisering van water. Water als geen vanzelfsprekend recht, maar iets wat gekocht moet worden.
Marx benadrukt wat aan het einde van de uitwerking van het vorige kerndoel al werd aangestipt. De feodale verhouding van de Heer en de knecht, de meester en de slaaf, maakt in de moderne tijd, als gevolg van de modernisering van de eigendomsverhoudingen, plaats voor een nieuwe verhouding van de heer tot de slaaf: de (rijke) bourgeoisie (met veel bezit) en de arbeiders die alleen maar kinderen (proles) hebben: het verpauperde proletariaat. Veel economen en filosofen herlezen Karl Marx in het licht van de nadelen van het kapitalisme zoals Marx al had voorzien. De rijkste 1% in de wereld bezit 48% van het totale kapitaal. Marx voorzag in de late 18de eeuw dat Adam Smiths idee van concurrentie als aanjager van innovatie uiteindelijk een “race to the bottom” (p. 148) was. Het proletariaat was afhankelijk van de rijke producenten en producenten konden aan de deuren van hun fabrieken mensen met elkaar laten concurreren voor een zo laag mogelijk inkomen zonder sociale voorzieningen vanuit de overheid. In deze tijd spreekt Paul de Beer in het WRR Rapport “Nederland loopt vast in flex” (p. 299) ook over een race to the bottom: “We dreigen in Nederland in een race to the bottom te verzanden. Een land dat het naar mijn idee uiteindelijk moet hebben van kwaliteit en hoogwaardige productie lijkt zich onbedoeld in een positie te wringen waarin we op loonkosten gaan concurreren.”
Juridisch waren burgers vrij en gelijk volgens de wet (met dank aan John Locke), maar sociaal en economisch ontstond er een nieuwe meester-slaaf verhouding. Marx benadrukt dat het proletariaat, de slaven de positie van de meesters mogelijk maakt. Marx werkte dan ook een filosofie uit van de bevrijding van het proletariaat van de kapitalistische machtsstructuren die de bourgeoisie op het voetstuk hielden! Hier ziet Marx iets wat Aristoteles reeds al benadrukt had met het concept chrematistiek: de geldvermeerderingskunst. Wanneer geld niet slechts een ruilmiddel is, maar een doel op zich, dan gaan mensen proberen zo efficiënt mogelijk proberen geld te verdienen. Waren (goederen) wordt niet omgezet in geld om nieuw waren te kopen (WGW) om in de zorg voor de huishouding (oikonomos zoals de oude Grieken zouden zeggen), maar geld wordt omgezet in waar om meer geld te maken (GWG). Zie ook pagina 149. Dit wordt winstmaximalisatie genoemd. En dan komt de vraag naar boven op welke kostenposten bezuinigd kan worden. De logische kostenposten die dan naar boven komen zijn: loonkosten, arbeid(sproductiviteit) en arbeidsomstandigheden. Door steeds betere technieken, kan de mens steeds efficiënter geëxploiteerd worden door het kapitaal. Dit soort voor verpaupering (Verelendung) van de burgerij. (Op een meer algemeen niveau heeft de Italiaan Pareto dit mechanisme ooit eens uitgewerkt: het Pareto principe. Dit principe stelt dat achteraf bekeken een minderheid (hij spreekt over 20%) zorgt voor (80%) de meerwaarde. Dus 20% zorgt voor 80% van de winsten. 20% van de pagina’s in een boek vertelt 80% van het verhaal. 20% van de bevolking maximaliseert winst ten koste van de 80%.)
Denk hierbij aan bijvoorbeeld een leerlingvolgsysteem (techniek) zoals Magister. Deze techniek maakt het mogelijk om leerlingen zo efficiënt mogelijk in systemen te vatten.
(denk hierbij nog eens aan kerndoel 27 (en de analyse van Marx t.a.v. Smith): De kandidaten kunnen uitleggen dat het volgens Smith de taak van de overheid is om de negatieve gevolgen van de arbeidsdeling te voorkomen. Daarbij kunnen zij weergeven wat volgens Smith de negatieve gevolgen van arbeidsdeling zijn en wat in dit verband de functie van onderwijs is). De leraar kan zijn informatie steeds efficiënter ordenen. Zonder deze techniek zou dit niet zo efficiënt mogelijk zijn. Naast de vraag aan leraren om het systeem in te vullen, worden leraren steeds efficiënter ingezet door bijvoorbeeld een lesuur van 50 minuten te reduceren tot 45 minuten. De voorbereiding per les en de lesstof per les blijft veelal hetzelfde, maar leraren worden wel minder betaald omdat ze slechts 45 in plaats van 50 minuten lesgeven. De overgebleven tijd kan efficiënter worden ingezet door leraren als coaches in te zetten. Daarnaast kunnen ook onderwijsassistenten worden ingezet om dure leraren te vervangen tijdens practica. Of er kunnen online onderwijscursussen (zogenaamde MOOC’s) worden ontwikkeld om leraren te vervangen. Zo worden de loonkosten verlaagd. Voordat leraren het weten, worden ze efficiënte schakels in de lopende band van de schoolfabriek en zonder (zelf)inzicht wordt dit nauwelijks nog als probleem gezien totdat leraren helemaal vervangen kunnen worden door technologie (al geven velen aan dat juist het beroep van leraar in de toekomst niet vervangen kan worden door technologie).
Tenslotte voorzag Marx de ineenstorting van het kapitalisme en de vrije markt. Een pure vrije markt zonder sociale voorzieningen en toenemende uitbuiting van het proletariaat zou ervoor zorgen dat het proletariaat bewust wordt van het gegeven dat de bourgeoisie niet zonder het proletariaat kan. De revolutie zou bestaan uit de omverwerping van de bourgeoisie door het proletariaat. In de Sovjetunie heeft dit in 1918 geleid tot een bloedig conflict tussen de Russische Tsaren en het proletariaat, waarbij de Tsaren het onderspit dolven en veelal werden vermoord en het communisme, geïnspireerd door Marx, kon ontstaan. Het communisme ging uit van het idee dat er alleen gemeenschappelijk eigendom (eigendom van de commune) was. Deze politieke uitwerking van het denken van Marx heeft desastreus uitgepakt met miljoenen doden en uiteindelijk de ondergang van het communisme in de Sovjetunie in 1991. Echter, de Sovjet-interpretatie en vertaling van het denken van Marx (Marxisme) doet geen recht aan de zeggingskracht van de filosofie van Marx. De moderne tijd kan nog steeds begrepen worden vanuit het denken van Marx.
Het communisme/Leninisme en Stalinisme als politieke interpretatie van de economiefilosofie van Karl Marx heeft (net als de neoliberalen met Adam Smith) het denken van Marx veel geweld aangedaan.

Primaire tekst (6): Karl Marx –Kritiek op de politieke economie
28. De kandidaten kunnen uitleggen, toepassen en beoordelen dat volgens Marx de ontwikkeling van de productieverhoudingen onvermijdelijk tot een sociale revolutie leidt en dat de sociaal-economische positie van mensen bepalend is voor hun bewustzijn. 

Marx schrijft: “Het is niet het bewustzijn van mensen dat hun zijn, maar omgekeerd hun maatschappelijke zijn dat hun bewustzijn bepaalt” (p. 385). Hier staat dat mensen zich niet bewust worden van hun situatie, maar dat de situatie mensen bewust maakt. De situatie waarin mensen zitten bestaat uit “materiële productiekrachten”, oftewel: de kracht in de maatschappij bestaat uit burgers die (iets) produceren en consumeren. Deze krachten ontwikkelen zich door. Hard werkende producenten verdienen veel geld en kunnen veel consumeren. Marx schrijft: “Als hun ontwikkeling een bepaald stadium heeft bereikt, raken de materiële productiekrachten van de maatschappij in tegenspraak met de bestaande productieverhoudingen” (p. 385). Marx benadrukt de eigendomsverhoudingen, die op een bepaald moment scheef gaan lopen. Producenten produceren en consumenten consumeren, maar op een gegeven moment hebben bepaalde burgers zoveel meer eigendom dan andere burgers, dat deze rijke burgers macht krijgen over de armere burgers. Oftewel: de eigendomsverhoudingen lopen scheef en armere mensen worden uitgebuit in dienst van de rijkere mensen die macht kunnen uitoefenen. De rijkere mensen zullen er dan ook alles aan doen om ervoor te zorgen dat de armere mensen afhankelijk van ze blijven door de productiekracht en productieverhoudingen te manipuleren. Hierdoor ontstaat er volgens Marx een “reusachtige bovenbouw” (p. 385) van kapitalisten (rijke mensen). Hoe schever de eigendomsverhoudingen (hoe groter het verschil tussen (het bezit van) arm en rijk), hoe sneller de “omwenteling” plaats zal gaan vinden. De omverwerping van de reusachtige bovenbouw, de bourgeoisie, de elite. De revolutie!

Primaire tekst (7): Karl Marx / Friedrich Engels – Het communistisch  manifest 
29. De kandidaten kunnen de opvatting van Marx en Engels over de onvermijdelijke overwinning van het proletariaat op de bourgeoisie weergeven en evalueren. Daarbij kunnen zij uitleggen welke rol loonarbeid, kapitaal, productie- en verkeersmiddelen in de klassenstrijd spelen.

De bourgeoisie heeft de burgerlijke klasse mogelijk gemaakt en daarmee afgerekend met de feodale maatschappij door “de familieverhouding haar roerend sentimentele sluier afgerukt en haar tot een zuivere geldverhouding teruggebracht” (p. 389). De feodale maatschappij draaide nog om familieverhoudingen. Waar je bed stond, bepaalde jouw toekomst. Maar de bourgeoisie zette niet het bed, maar geld (kapitaal) centraal en maakte daarmee de burgerij (bourgeoisie) mogelijk! De wereld verandert, niets staat meer vast en alle mensen worden gedwongen hun plaats in het leven (als heer of slaaf) te accepteren, maar met “nuchtere ogen te aanzien”. Vanaf dit moment zijn mensen geen meesters en slaven meer, maar verantwoordelijke en vrije individuen. Dat kan ook zwaar zijn. Opeens word je niet meer bepaald door de plek waar je bent geboren, maar door wat je produceert. Een deel van de oude Aristocratie gaat over in de bourgeoisie. De bourgeoisie wordt vervolgens de machtigste groep in de samenleving. Op een gegeven moment ontstaan er twee groepen binnen de bourgeoisie: de rijken (elite) en de armen (proletariaat).

Echter, de eigendomsverhoudingen gaan op een gegeven moment scheef lopen (zie eindterm 28), waardoor er een georganiseerde armere en rijkere klasse ontstaat en bij groter wordende verschillen een klassenstrijd ontstaat. Marx benadrukt de afhankelijkheid van de rijke bourgeoisie (elite) van het proletariaat (de armen / onderklasse / de arme bourgeoisie). De proletariërs zullen zich steeds weer en beter organiseren en “erkenning” en “arbeidersbelangen” afdwingen in de vorm van wetten (beperken vanuit de staat). Marx spreekt over de bourgeoisie die voortdurend strijd tegen enerzijds de oude aristocratie en het nieuwe proletariaat (een afsplitsing van de bourgeoisie). De elite (rijke bourgeoisie) heeft het proletariaat nodig in de strijd met andere landen en de nog bestaande aristocratie. Het proletariaat, “de middenstand, de kleine industrie” (p. 393), bestrijdt de bourgeoisie (de elite) om de ondergang te voorkomen. Dit noemt Marx de het proletariaat die reactionair en niet revolutionair is. Revolutionairen “verdedigen (…) niet hun tegenwoordige, maar hun toekomstige belangen” (p. 393). Marx en Engels eindigen het manifest niet voor niets met de woorden: “Proletariërs aller landen, verenigt U!” (p. 394).
Marx en Engels benadrukken het idee dat de bourgeoisie die het proletariaat probeert te onderdrukken, wel een proletariaat nodig heeft om te onderdrukken. Om een proletariaat te kunnen onderdrukken “moeten haar levensvoorwaarden verzekerd zijn, waarbinnen zijn tenminste haar slaafse bestaan kan rekken” (p. 393). Om slaven te kunnen hebben, moet de bourgeoisie ervoor zorgen dat slaven verzekerd zijn van de juiste omstandigheden. Wanneer de slaaf “steeds dieper onder de levensvoorwaarden van zijn eigen klasse” zinkt, dan blijkt dat de bourgeoisie niet machtig genoeg is om de slaven te onderhouden. De bourgeoisie kan alleen bestaan wanneer ze steeds meer rijkdom en bezit en daarmee het kapitaal vermeerdert. Een van de voorwaarde voor kapitaalvermeerdering is (goedkope) loonarbeid (verricht door het uitgebuite, concurrerende proletariaat). Het proletariaat is daarmee essentieel. De ondergang (door misbruik van de bourgeoisie) en de daarop volgende zege van het proletariaat (als grootste macht en een afhankelijke bourgeoisie) is onvermijdelijk.

https://www.theguardian.com/books/2019/feb/05/karl-marx-london-grave-vandalised-suspected-hammer-attack-highgate-cemetery

In de 20ste eeuw ontstaan er twee overheersende politieke systemen. Enerzijds het kapitalisme in het Westen, waarbij de vrije markt bepaalt hoe rijkdom en producten worden verdeeld. Anderzijds het communisme in het Oosten, waarbij de staat het volk vertegenwoordigt en rijkdom en producten verdeelt over het volk. Beide systemen vertrekken vanuit de vraag naar de verdeling van spullen.
In het begin van de 21ste eeuw zien we bij rechtse politici in Nederland de opkomst van het begrip cultuurmarxisme. Cultuurmarxisme gaat “om het gebruik van typisch marxistische denkschema’s over onderdrukking en slachtofferschap in andere domeinen dan het economische (waarvoor Marx ze oorspronkelijk bedoelde. (…)Over welke denkschema gaat het dan? Dat waarbij je een complexe maatschappelijke werkelijkheid herleidt tot een waarin twee groepen lijnrecht tegenover elkaar staan: aan de ene kant de onderdrukkers, aan de andere kant de onderdrukten, en daartussen een groot niemandsland. Het voornaamste verschil? Bij Marx ging het over productieverhoudingen, vandaag gaat het over etnische, culturele en seksuele onderdrukking. Bij Marx waren de verschoppelingen der aarde de fabrieksarbeiders, bij het ‘cultuurmarxisme’ gaat het om een regenboogcoalitie van onderdrukte minderheden“. De tegenstanders van het cultuurmarxisme refereren naar de opstand/revolutie van onderdrukte minderheden/onderdrukten als gevolg van homohaat en Islamhaat, , vrouwen door de onderdrukkers (homohaters, Moslimhaters, Witte Mannen, Mannen). De onderdrukten zijn in de minderheid maar zouden via media en indoctrinatie de meerderheid een bepaalde richting op willen duwen (een culturele revolutie). Deze rechtse politici zijn tegen de onderdrukking van de “onderdrukte” minderheid van de “onderdrukkende” meerderheid.
Weer anderen, zoals Ewald Engelen in zijn boek “Het is klasse suffie, niet identiteit!” en aansluitende lezingen, benadrukken het klassieke, materiële verdelingsvraagstuk van Marx in deze tijd. Volgens deze groep, leidt identiteitspolitiek en daarmee ook de strijd tussen onderdrukte identiteiten/groeperingen en de niet onderdrukte identiteiten (Cultuurmarxisme) af van het klassieke probleem van de klassenstrijd.

E&F Week 3

21. De kandidaten kunnen uitleggen dat volgens Smith welvaart voor een ieder komt door arbeid, arbeidsdeling en vrije markt. Daarbij kunnen ze: – Smiths opvatting van een markt betrekken en aangeven welke vooronderstellingen hierbij in het geding zijn; – weergeven welke ‘dehumaniserende effecten’ er volgens Smith bij een vergaande arbeidsdeling zullen optreden. 

Adam Smith wordt door veel economen gezien als de Godfather van de moderne, vrijemarkteconomie en het liberalisme en daarmee een van de grondleggers van wat later door economen/neoliberalen (de nieuwe liberalen) als Milton Friedman en Friedrich Hayek verder wordt uitgewerkt in de Washington Consensus. De neoliberalen (geïnspireerd door Heyek en Friedman) benadrukken omwille van de vrijheid (het neoliberalisme) tien punten:
1. De staat moet zich houden aan begrotingsdiscipline,
2. De staat moet niks subsidiëren maar alleen investeren,
3. Een marginaal (minimaal) belastingtarief,
4. De vrije markt bepaalt rentetarieven
5. In de vrije markt zijn er concurrerende valutakoersen (valuta is een muntsoort zoals de Euro, Dollar en Pond).
6. Zo min mogelijk bescherming en bemoeienis vanuit de overheid/staat,
7. Buitenlandse landen moeten zo makkelijk mogelijk in elkaars landen kunnen investerne,
8. Staatsbedrijven moeten worden geprivatiseerd,
9. De staat moet concurrentie stimuleren en niet beperken (behalve om veiligheids- of milieuredenen),
10. Bescherming van eigendom

(Punt 10 kunnen we terugherleiden naar John Locke)

De kern is grotendeels dat de staat/overheid de mensen (lees: vrije markt) zo vrij mogelijk moet laten (voornamelijk veiligheid garanderen) en zo min mogelijk met mensen en bedrijven moet bemoeien. Dit betekent dus ook geen restricties en extra regels. In de jaren 80 sprak de toenmalige president Ronald Reagan niet zelden in hele neerbuigende termen over de overheid. Een overheid waar hij zelf van aan het hoofd stond. Zijn positie was helder. De overheid/staat moest voor veiligheid zorgen, maar de rest moet je aan mensen overlaten tot aan zorg en kraanwater, etc. toe. Voor de economen onder ons: het Pareto efficient maakt duidelijk dat in een geheel vrije markt met volledig rationeel denkende producenten en consumenten zonder onbekende factoren die na verloop van tijd de uitkomst kunnen beïnvloeden, de consumenten uiteindelijk de beste prijs krijgen van de door de producent zo perfect en efficiënt mogelijk geproduceerde goederen. Dit wordt het Pareto efficient genoemd: https://www.economielokaal.nl/pareto/#targetText=Pareto%2Doptimaal%20of%20Pareto%2Deffici%C3%ABnt%20en%20welvaartsverlies,koste%20gaat%20van%20de%20ander. Wanneer de overheid de markt gaat sturen, dan gaat dat ten kosten van de consument of producent en ten koste van de welvaart. Althans, zo luidt de theorie.


Enkele quotes: “If more government is the answer, then it was a really stupid question.”
“Government exists to protect us from each other. Where government has gone beyond its limits is in deciding to protect us from ourselves.”
“As government expands, liberty contracts.”
“The most terrifying words in the English language are: I’m from the government and I’m here to help.” 
“Government’s view of the economy could be summed up in a few short phrases: If it moves, tax it. If it keeps moving, regulate it. And if it stops moving, subsidize it.” 
“Government is not a solution to our problem government is the problem.” 

Lees ook eens de reactie/kritiek op deze neoliberale opvatting door nobelprijswinnaar Paul Romer (econoom) in http://A Nobel-Winning Economist Goes to Burning Man. En houdt daarbij de bekende uitspraak van Goethe in het achterhoofd: “In de beperking toont zich de meester”. Wellicht moeten mensen wel een beperkende staat bouwen, die werkt aan de onderliggende structuur (zoals urban planning en concrete grenzen bij het festival Burning Man), om meesterschap, contact, creativiteit te kunnen tonen. Is een geheel vrije markt wel wenselijk (en überhaupt mogelijk)?

De strekking is duidelijk. De opkomst van het neoliberalisme bouwt voort op het liberalisme van Adam Smith. Althans, dat stellen de nieuwe liberalen vanaf de jaren 70. De vraag is en blijft of de neoliberalen werkelijk voortbouwen op het liberalisme van Adam Smith. Er zijn argumenten te geven waaruit blijkt dat dit niet het geval is. Echter, Adam Smith (p. 139) wordt ten onrechte door veel economen gereduceerd tot twee kerngedachtes: 1. Een vrije markt kan alleen werken als iedereen vooral handelt uit eigenbelang en 2. Het idee van de onzichtbare hand die het land vooruit stuurt. Deze twee gedachten verdraaien juist de kern van de filosofie van Adam Smith.
Waar staan deze twee gedachtes voor.
1. “Greed is good, oftewel eigenbelang en hebzucht is goed! Dit sluit aan bij de kerngedachte van de politiek-filosoof Thomas Hobbes (p. 139). Hobbes vertrekt vanuit het gegeven dat de mens hebzuchtig is en dat de staat noodzakelijk is om deze hebzuchtige (slechte) mens de controleren. Maar Hobbes noemt deze staat/instituten wel een “Leviathan”. De Leviathan is een meerkoppig monster, niet echt positief. Een noodzakelijk kwaad. Bekijk onderaan deze pagina het befaamde fragment uit de film Wallstreet (1987), waarin (Gordon Gekko) Michael Douglas deze befaamde woorden uitspreek. Gekko stelt dat de zwakkeren in de samenleving niet zorgen voor meer geld. Hebzucht “captures the essence of the evolutionary spirit”. Hebzucht zorgt ervoor dat mensen het beste in zichzelf halen ten koste van anderen (concurrentie).
2. De onzichtbare hand is het gevolg van alle concurrerende hebzuchtige mensen die ten koste van anderen, zichzelf vooruit willen stuwen. Wanneer iedereen vecht voor zichzelf, dan haalt iedereen het beste uit zichzelf en worden de beste producten gemaakt voor de beste prijzen, wordt er veel geld verdiend en daar heeft iedereen, inclusief de armen, profijt van. Dit is de kern van de moderne interpretatie van onzichtbare hand en het fundament onder de gedachte van een kleine staat en een vrije markt met hebzuchtige mensen. (Adam Smith spreekt slechts 1x in Wealth of the Nations over de onzichtbare hand. Veel neoliberalen hebben de onzichtbare hand vrij selectief gebruikt als het fundament van hun concurrentiedenken).

De ontwikkelingen in onze moderne tijd, en met name de Angelsaksische wereld (Verenigde Staten en Verenigd Koninkrijk) kunnen niet begrepen worden zonder deze twee belangrijke punten en de visie op de (inbreng van de) staat/overheid in het dagelijkse leven. Nederland is altijd sterk verbonden geweest met het Angelsaksische denken, maar heeft ook een sterke binding met Frankrijk en Duitsland. Daarnaast is het Angelsaksische denken, en het idee van Greed is Good, te begrijpen vanuit het protestantisme. Het individuele succes is het gevolg van jouw individuele verhouding tot God. Het individuele succes is je door God gegeven. Je hebt het niet voor niets verdient. En wie zijn wij om te tornen aan wat het perfecte, God, ons heeft gegeven.

Adam Smith heeft echter nooit gezegd dat de staat een meerkoppig monster is dat niks goed kan doen. Sterker nog! Adam Smith achtte zijn boek “Wealth of the Nations“, wat als zodanig als de bijbel van het vrijemarktdenken wordt gezien, veel minder belangrijk dan zijn boek “Theory of Moral Sentiments”. Adam Smith vond zijn boek “Theory of Moral Sentiments” van veel grotere waarde dan het boek “Wealth of the Nations”. In “Theory of Moral Sentiments” is het centrale thema sympathie. Smith benadrukt de noodzakelijke sympathie. Een geheel vrije markt kan immers nooit bestaan zonder sympathie en de begrenzing van de vrije markt door de staat en daarmee bescherming van de burgers van de kwade bijeffecten van de vrije markt. Begrenzing door de politiek en daarmee de politici is juist noodzakelijk. Later zal blijken dat “Greed” niet zozeer “goed” is, maar dat het eigenbelang van de ander altijd belang is voor de producent (lees ook p. 374). Het is in het belang van de producent om inzicht te krijgen in het eigenbelang van consumenten.

– De kandidaten kunnen uitleggen dat volgens Smith welvaart voor een ieder komt door arbeid, arbeidsdeling en vrije markt.
Adam Smith ziet arbeid als het “anti-aristocratische middel bij uitstek” (p. 141). Door middel van arbeid kan iedereen worden opgenomen in “de keten van welvaartscreatie” (p 141). De gewone man, de middenklasse, is niet meer afhankelijk van liefdadigheid (caritas), maar kan zich bevrijden van de aristocratie door te werken en geld te verdienen en in het eigen onderhoud te voorzien.
De kern van Smiths denken wordt gevat in zijn voorbeeld van de speldenmaker (paragraaf 3 – Division of Labour / Wealth of the Nations – klik op de tekst voor meer info):

“To take an example, therefore, from a very trifling manufacture; but one in which the division of labour has been very often taken notice of, the trade of the pin-maker; a workman not educated to this business (which the division of labour has rendered a distinct trade), nor acquainted with the use of the machinery employed in it (to the invention of which the same division of labour has probably given occasion), could scarce, perhaps, with his utmost industry, make one pin in a day, and certainly could not make twenty. But in the way in which this business is now carried on, not only the whole work is a peculiar trade, but it is divided into a number of branches, of which the greater part are likewise peculiar trades. One man draws out the wire, another straights it, a third cuts it, a fourth points it, a fifth grinds it at the top for receiving, the head; to make the head requires two or three distinct operations; to put it on is a peculiar business, to whiten the pins is another; it is even a trade by itself to put them into the paper; and the important business of making a pin is, in this manner, divided into about eighteen distinct operations, which, in some manufactories, are all performed by distinct hands, though in others the same man will sometimes perform two or three of them. I have seen a small manufactory of this kind where ten men only were employed, and where some of them consequently performed two or three distinct operations. But though they were very poor, and therefore but indifferently accommodated with the necessary machinery, they could, when they exerted themselves, make among them about twelve pounds of pins in a day. There are in a pound upwards of four thousand pins of a middling size. Those ten persons, therefore, could make among them upwards of forty-eight thousand pins in a day. Each person, therefore, making a tenth part of forty-eight thousand pins, might be considered as making four thousand eight hundred pins in a day. But if they had all wrought separately and independently, and without any of them having been educated to this peculiar business, they certainly could not each of them have made twenty, perhaps not one pin in a day; that is, certainly, not the two hundred and fortieth, perhaps not the four thousand eight hundredth part of what they are at present capable of performing, in consequence of a proper division and combination of their different operations.”

Het technische aspect van de speldenmaker (Pin-maker) zit in de wijze hoe tijdens het productieproces van spelden tien arbeiders ingezet kunnen worden. Alle arbeiders kunnen afzonderlijk spelden gaan maken of arbeiders specialiseren zich in een bepaald onderdeel van het totale proces van spelden maken. (Lees in dit kader ook eens “https://decorrespondent.nl/10472/deze-voetbalclub-is-de-nachtmerrie-van-iedere-competitieve-ouder/924763103880-394a6071?fbclid=IwAR221LqqfeIKINtW1gkpriudcBfp2_ocR7uN3BE02aN1qH7bIG-ynGdio20“). Wanneer de, in dit geval 10, arbeiders ieder een specialisme uitwerken en dit specialisme repeteren, dan worden de afzonderlijke arbeiders niet alleen beter in hun werkzaamheden, maar gaat het totale productie proces aanzienlijk sneller (lees ook alinea 2, blz 142 – HGL, waar wordt gesproken over “kleine, efficiënt georganiseerde stappen”). De arbeiders worden zo efficiënt ingezet in het totale proces van de speldenmakerij. Hun arbeid wordt verdeeld in stappen: arbeidsdeling. Het zoeken naar efficiëntie en het aan de lopende band van de productie zetten van mensen is in wezen een technische aangelegenheid. Adam Smith benadrukt drie verschillende omstandigheden die de stijging in de hoeveelheid werkt mogelijk maken: 1. Toename van behendigheid (skills), 2. besparing van tijd en 3. Technologisering en machinebouw.

– Smiths opvatting van een markt betrekken en aangeven welke vooronderstellingen hierbij in het geding zijn; 
(De meeste dik gedrukte woorden (gemeenschap, sympathie, competitie, efficiëntie, afstemming van talenten, samenwerking en sociale cultuur, onzichtbare hand en betrouwbaar) refereren naar de vooronderstellingen die in het geding zijn).

De vrije markt zorgt ervoor dat producenten gaan concurreren met andere producenten en gaan zoeken naar zoveel mogelijk productie met zo weinig mogelijk personeel (efficiëntie). Hier vinden we de contouren/ontwikkeling van de industriële revolutie. De paradox is dat het efficiënt inzetten van mensen zorgt voor efficiënte productie en daarmee goedkopere producten voor iedereen (consumenten). Consumenten willen natuurlijk spullen kunnen consumeren (verbruiken). De producente creëert welvaart en de consument geniet welvaart. Producenten en consumenten helpen elkaar door verschillende dingen (zo efficiënt en daarmee goedkoop mogelijk) te produceren en te consumeren. Adam Smith benadrukt het gemeenschappelijke aspect van deze verhouding tussen producenten en consumenten. Op de manier hoeven mensen niet te bedelen bij elkaar.
Naast het gemeenschappelijke aspect is inlevingsvermogen/sympathie noodzakelijk. Als producent moet je weten wat de consument wil hebben. De “preferenties” (p. 143) moeten duidelijk zijn. Als product richt je je op het eigenbelang van de consument. “Greed is Good” zei Gordon Gekko, maar niet het vertrekpunt van Adam Smith. Het vertrekpunt is het gemeenschappelijke aspect en het inlevingsvermogen in de “greed” van de ander.
Daarnaast benadrukt Smith het thema geld. Omdat verschillende producenten producten ontwikkelen voor verschillende consumenten, is het noodzakelijk om geld te krijgen voor producten. De vrije markt bepaalt hoeveel een product waard is. Wanneer je als producent het product niet kunt produceren voor de prijs waarvoor de consument het product wil komen, dan ben je niet efficiënt genoeg of de consument heeft er geen behoefte aan. Dan zijn andere producenten efficiënter in het produceren en/of produceer je iets waar weinigen op zitten te wachten. Competitie tussen producenten zorgt voor beter, sneller en efficiënter werk op alle vlakken.
Adam Smith poneert hier een geglobaliseerde vrije markt. Denk hierbij aan de moderne vrachtwagenchauffeur die door goedkopere werknemers uit Oost-Europa worden weggeconcurreerd. Of denk aan de efficiënte bio-industrie in Nederland. Nederland kan alleen concurreren met het buitenland door heel efficiënt de boerenbedrijven te houden. Het leven in Nederland is namelijk te duur en velen kunnen niet leven van een inkomen vergelijkbaar met armere landen in de wereld. Dit is ook een van de redenen van het conflict tussen Donald Trump en Xi Jinping. De productiekosten (arbeiders) zijn in China zo goedkoop, dat de bedrijven in Amerika bijvoorbeeld geen Amerikaans staal, maar “cheap steel and aluminium” uit China staal gaan komen. Trump probeert dit te verhelpen door extra accijnzen te heffen op Chinees staal (en daarmee dus de “kwalijke kanten van de vrije markt” in te tomen.
Adam Smith zou wellicht aangeven dat het niet gaan om de individuele rechten en inkomen van Amerikaanse burgers. De vrije markt is er niet (alleen) om mensen te ontplooien, maar om ervoor te zorgen dat talenten worden afgestemd. Diegenen die iets doen waar ze geen talent voor hebben, worden door de vrije markt aan de kant gezet. Deze mensen moeten iets anders gaan doen, waar ze meer talent voor hebben. Diegenen die iets doen waar ze wel talent voor hebben maar waar geen behoefte aan is, worden door de vrije markt ook aan de kant gezet (denk hierbij aan bepaalde kunstvormen waar geen markt/publiek voor is). Deze mensen moeten met hun talenten iets gaan doen waar markt voor is. Wederom vergt dit afstemming, inzicht in belangen van de ander, sympathie en een maatschappelijk perspectief. In de moderne, individualistische samenleving wil men veelal kunnen doen wat men wil, maar in een vrije markt wil dat niet zeggen dat je daarmee je geld kunt verdienen.
Samenwerking is de sociale natuur (p. 144) en stuwt de geschiedenis en geeft richting. Zelfs eigenbelang kan een plek krijgen in deze sociale natuur waarin men samenwerkt. Het richten op het eigenbelang van de ander, zorgt voor meer productie, efficiëntie en consumptie en dit is beter voor iedereen. Zie hier de onzichtbare hand.
Adam Smith benadrukt (p. 144) de betrouwbaarheid van de Nederlanders. Voor betrouwbaarheid heb je een deugdzaam politiek systeem nodig met een rechtsstaat. Denk hierbij aan het politiek liberalisme van John Locke die de rechten van de mensen op de agenda zette. Wanneer een land en bedrijf onbetrouwbaar is en grotendeels de vrije markt niet omarmen (iedere dag kunnen er weer andere regels zijn – denk bijvoorbeeld aan het moderne Rusland (corruptie, institutionele ambiguïteit/half ingevoerde transities/halve maatregelen/verschillende wetgeving/frameworks & systematische voorkeur/informele handel/staatsinvloed – en staatsbedrijven) en China (de staat als autoriteit binnen alle bedrijven in China)), dan lopen bedrijven en landen het risico om hun kapitaal minder snel naar deze landen en bedrijven te verplaatsen In The Guardian stond het artikel Asian Billionaires embark on UK spendingspree as pound nosedives”, waarin wordt aangegeven dat veel Aziatische miljardairs gaan investeren in de UK, met name Londen, omdat o.a.: “A lot of people in China want to get their money out, and the UK is seen as one of the best locations because of our strong legal system and protections. Their money will be neutral once it’s in the UK, and safe if the Chinese government changes its policies.”
In deze quote omvat zowel het politiek liberalisme van John Locke (rechsstaat & daarmee regelgeving) als het economisch liberalisme van Adam Smith (vrije markt). UK omarmt de vrije markt (logisch, de UK is samen met NL een van de grondleggers van het vrije markt denken). Chinese miljardairs mogen vrij investeren in de UK, binnen een duidelijk politiek en stabiel systeem van wetten en regels (althans zo is in ieder geval de indruk). Dit geeft zekerheid en stabiliteit en daar houden veel investeerders van. Dit geeft ook een gelijkwaardig speelveld, niet de staat, niet een belangrijk persoon, maar de wet is voor iedereen en voor alle bedrijven gelijk. Het speelveld waarop alle spelers spelen is voor iedereen gelijk: a level playing field!

– weergeven welke ‘dehumaniserende effecten’ er volgens Smith bij een vergaande arbeidsdeling zullen optreden. 
Wanneer mensen efficiënt worden ingezet binnen een volledig productieproces en men gaat dit werk 40 jaar lang aan de lopende band van het productieproces repeteren, dan wordt er geen gebruik gemaakt van de creativiteit en de noodzaak om te creëren. Mensen gaan dan dag-in-dag-uit
geestdodend werk verrichten. Denk bijvoorbeeld aan hokken, waarin jonge mensen (studenten) in rijtjes naast elkaar voortdurend hetzelfde werk verrichten. Denk hierbij aan de arbeider die de hele dag nieuwe banden op auto’s plaatst (en zelf niet het gevoel heeft gebruik te maken van de eigen creativiteit), maar verder niet geïnteresseerd is in het totale productieproces en daarmee zich daardoor ook niet verbonden voelt met de productie en het bedrijf.

27. De kandidaten kunnen uitleggen dat het volgens Smith de taak van de overheid is om de negatieve gevolgen van de arbeidsdeling te voorkomen. Daarbij kunnen zij weergeven wat volgens Smith de negatieve gevolgen van arbeidsdeling zijn en wat in dit verband de functie van onderwijs is.

Adam Smith benadrukt (in tegenstelling tot zijn hedendaagse aanhangers) juist de noodzaak van een staat/overheid die de schaduwkanten van de vrije markt “intoomt en compenseert” (p. 142) met onderwijs (lees ook “Boek V, hoofdstuk 1, ‘Over onderricht’, p. 382 t/m 384) voor alle burgers (jongens en meisjes) die via lezen, schrijven en rekenen de geest kunnen inspireren (functie van onderwijs). Creativiteit en verhalen (lezen en schrijven) lijken voorwaardelijk voor het goede (geestelijke) leven (onderliggende functies/onderdelen van onderwijs). Het volk moet volgens Adam Smith tegen zeer geringe kosten de mogelijkheid krijgen om “de meest essentiële onderdelen van het onderwijs eigen te maken” (p. 384).

Zie hier een grote uitdaging van deze tijd. Commissie van Rijn heeft dit jaar aangegeven extra te bezuinigen op de geesteswetenschappen. Deze gedachte wordt uitgewerkt in het NRC onderwijsblog over de “Afbraak van de geesteswetenschappen sloopt ook onze vrijheid“. Deze afbraak raakt aan het thema van Adam Smith over de schaduwkanten van de vrije markt. Wanneer geld en efficiënte organisatie van het productieproces (techniek) de overhand krijgt en men omwille van de welvaart (denk aan meer BNP) graag meer geld wil investeren in techniek, technische studies en efficiënter personeel in plaats van taal, cultuur en geschiedenis, dan sloopt dit het inzicht in de wereld en het zelfinzicht: de basis van de filosofie – Ken uzelf! en het fundament van een volledig, vrij leven. Een mens zonder inzicht in de wereld en in zichzelf, is mogelijk de nieuwe slaaf van de efficiëntie en de techniek. Deze ontwikkeling zou ervoor kunnen zorgen dat steeds meer mensen, en daarmee ook technisch hoogopgeleide mensen, vooral aan de efficiënte lopende band van de nieuwe technieken (AI, Big-data, algoritmes, nana-technologie, etc.) gaan lopen en de geest niet meer verreiken met taal, literatuur, kunst, geschiedenis en zelfinzicht. Dit ondermijnt uiteindelijk het idee van vrijheid en “vrije tijd” (school betekende oorspronkelijk vrije tijd). De mens die zich vrij kan ontwikkelen, los van de verplichting “iets technisch” te doen om zo aan de nieuwe lopende band van de techniek te gaan staan. Vanuit Adam Smith zouden we kunnen stellen dat op deze manier de grote massa die ooit via de vrije markt en arbeid bevrijd werd van de aristocratie, langzaam weer aan de lopende band van de techniek wordt gehangen. Het is niet ondenkbaar dat deze nieuwe technische mens efficiënt wil leven en minder geïnteresseerd is in politiek, cultuur, regelgeving etc. maar vooral dingen wil doen en ontwikkelen. Hierdoor de staat het risico dat ze haar macht verliest en steeds minder in staat is de “kwalijke kanten van de vrije markt” in te tomen en te compenseren. Hoe meer mensen opgevoed worden aan de lopende band van de techniek, zonder literatuur, taal en geschiedenis, hoe minder vanzelfsprekend het wordt voor de massa om voor literatuur, taal en geschiedenis en daarmee zelfinzicht te strijden.
Een studie geesteswetenschappen en daarmee (zelf)inzicht in dergelijke technische (innerlijke) processen dreigt hierdoor weer een luxe van een mogelijk nieuwe aristocratie te worden. Een luxe voor diegenen die niet aan de lopende band hoeven te staan. Een luxe voor diegenen met “vrije tijd” (oorspronkelijke betekenis van het woord “school” (shkole)). Vrije tijd om zelfinzicht te ontwikkelen. Vrije tijd, vrij van de technische lopende band. Hier vinden we wellicht het verschil tussen technisch intelligente mensen en wijsheid. Voor wijsheid is vrije tijd en zelfinzicht noodzakelijk. Wijsheid is niet per definitie intelligent. Zo dreigen we weer terug bij af te komen. Scholing als vrije tijd voor de kinderen van de Aristocratie zoals dit reeds het geval was bij de oude Grieken.
Zie in dit kader ook de discussie over de (moderne) functies van onderwijs. Enerzijds wordt gesteld dat onderwijs bijdraagt aan het ontwikkelen van vaardigheden en dat bepaalde vaardigheden binnen de ene discipline vertaald kan worden naar een andere discipline. Denk hierbij aan de denkvaardigheden bij schakers. Schaken stimuleert denkvaardigheden en deze komen ook elders van pas. Idem geldt dit voor afgestudeerde filosofen. Maar voor het idee dat mensen op scholen vaardigheden ontwikkelen die in andere disciplines ook van toepassing kunnen zijn, is nooit bewijs gevonden. Schaken is het technischs spel bij uitstek. De regels zijn onveranderlijk en glashelder. Velen verwarren het leven en organisaties met schaakspelletjes met alle gevolgen van dien. De correspondent schrijft over de noodzaak voor meer generalisten in plaats van specialisten. (Wellicht geldt dit ook voor poëzie, muziek, dans, liefde als manieren van een meer generieke waarheidsvinding naast de eenzijdige, instrumentele techniek.)
Een andere (moderne) functie ligt niet zozeer op het ontwikkelen van vaardigheden binnen een discipline, maar op (zelf)disciplinering (van burgers gericht op de toekomstige arbeidsmarkt). Hier draait het om de vraag of iemand de zelfdiscipline heeft om een diploma te halen. Iemand met een diploma geeft een signaal af aan werkgevers op de arbeidsmarkt. Dit signaal is dat hij of zij gedisciplineerd kan werken voor een langere periode. Dit is de kern van het verhaal in de Correspondent: “Is onderwijs weggegooid geld?”.
Zowel de functies ontwikkelen van vaardigheden en (zelf)discipline lijken te vertrekken vanuit het idee dat het uiteindelijk gaat om het verschaffen van een plek in een (burger)maatschappij waarbij het met name draait om het vergaren van inkomen door arbeid. Denk hierbij aan de extra aandacht voor Loopbaanoriëntatie (LOB). De burger en burgerrechten, vertaald in burgerschapsvorming, is een onderdeel van de burgermaatschappij, maar hier lijkt niet (meer) vanzelfsprekend ruimte voor te zijn daar waar de logica van het marktdenken centraal staat. De schrijver Jesse Frederik beantwoordt de vraag of onderwijs weggegooid geld is, door te stellen dat het onderwijs niet (allen) draait om het aansluiten bij de arbeidsmarkt, maar om de zorg voor de samenleving, burgerschap, burgerrechten en uiteindelijk voor elkaar. Deze zorg, en daarmee de democratie, dreigt onder druk te komen te staan door de nadruk op de (arbeids)markt. In week 9 wordt het thema zorg verder uitgediept. Volgens sommigen draait het onderwijs om wat wij Bildung noemen.


Drie kritieken zijn op (moderne neoliberale interpretatie van) Adam Smiths economie-filosofie en economisch rationaliteitsbegrip te geven (p. 145):
1. De verzwakking van de arbeider door a. het terugdringen van overheidsinvloed en daarmee overheidsbescherming en b. het verbieden om als arbeiders te organiseren (denk hierbij aan de Union-strikes uit de jaren 80 in de UK). De vrije markt moest zo min mogelijk worden beperkt door de overheid. De arbeider moest zo min mogelijk worden beperkt door andere arbeiders. Op de vrije markt spelen individuen op elkaar in en zijn ze van elkaar afhankelijk op een natuurlijke wijze en dat moet niet verstoort worden door samenscholing (vakbonden) en overheidsbescherming. Want samenscholing en overheidsbescherming zit de afstemming van talenten in de weg en kan talentloze mensen beschermen terwijl deze mensen beter iets anders zouden kunnen doen. Het is maar zeer de vraag of deze logica van de vrije markt de arbeider ten goede komt.
2. Adam Smith poneert een economische theorie gebouwd op wat toen heel populair was: de (logica van de) natuurwetenschap en haar empirische wetenschappelijke methode/empirische cyclus (n.a.v. het succes van Newton). Iedere serieuze wetenschap, en daarmee ook de economie als wetenschap, moest om serieus genomen te worden de natuurwetenschappelijke methode (empirische cyclus) omarmen. Adam Smith geeft hiertoe een eerste aanzet. Zijn economische economiebegrip gaat uit van een mechanisch, wetmatig systeem van afstemming tussen consumenten en producenten. De producent produceert wat de consument wil consumeren. Of de producent beïnvloedt de consument zodanig dat de consument consumeert wat de producent produceert.
Het is echter maar zeer de vraag of je de economische wetenschap en het vrije markt-denken in een dergelijke wetmatigheid (verhouding tussen producent en consument) kunt vatten. Denk hierbij aan de factor tijd. Een producent voelt aan wat de consument wil hebben, maar veelal kost het tijd om een product te produceren. Wat garandeert de producent dat het geproduceerde product op het moment dat het uitgetekend, ontwikkeld en geproduceerd is, nog steeds voldoet aan de wensen van de consument. De wensen van de consument veranderen ook door de tijd heen. Theoretici/economen/filosofen als Carl Menger trachtte de factor tijd op te lossen door voort te borduren op een verdere rationalisering van de samenleving. Dit hield in dat producenten en consumenten steeds beter op elkaar worden afgestemd. Hoe meer afstemming (waarvoor sympathie en inzicht in elkaar noodzakelijk is), hoe beter producenten en consumenten elkaar gaan begrijpen en hoe minder snel een producent iets zal produceren wat de consument niet wil hebben en hoe meer begrip de consument zal hebben voor de (noodzakelijke) productietijd.
De vraag is of dit rationaliteitsbegrip van de mens als efficiënt afwegende burgers wel altijd opgaat. De filosoof Amartya Sen omschrijft in “Rational Fools” de grenzen aan de menselijke rationaliteit. Herbert Simon geeft in “Bounded Rationality” aan dat de meest intelligente mensen in eenvoudige situaties een rationele/logische keuze kunnen maken tussen drie/vier en in uitzonderlijke gevallen tot zeven verschillende keuzes. Sen benadrukt de mens die handelt op basis van een opvatting van het goede (moraliteit) en Simon benadrukt de grenzen van de logisch afwegende mens. In 2008 zaten we in een economische crisis. Veel mensen hadden slechte hypotheken, maar werden wel verantwoordelijk geacht voor de eigen keuze voor een risicovolle hypotheek te kiezen. Het is maar zeer de vraag of mensen wel in staat waren om dergelijk complexe keuzes te kunnen vatten, zodanig dat ze er verantwoordelijkheid voor kunnen nemen. Vandaar dat de overheid/staat deze schaduwkanten van de vrije markt aan banden heeft gelegd door een zorgplicht in te voeren voor banken. Hierover zijn twee interessante films gemaakt: Margin Call en The Big Short. Wat betreft de verhouding en afstemming tussen producenten en consumenten, is het maar de vraag of ze in staat zijn rationeel alles uit te “rekenen”/uit te “denken”.
3. Veel economen (met name uit de jaren 80 van de vorige eeuw) spraken over de vrije markt als een cultuur/sociale omgeving waarbinnen de alleen de sterksten overleven. Dit is een sociale variant van de evolutietheorie van Charles Darwin (een twintig jaar later geboren na de dood van Adam Smith). Charles Darwin gaf aan dat in de natuur de sterksten overleven (survival of the fittest). Veel moderne economen begrijpen de vrije markt als een sociale (evolutionaire) variant van deze theorie. De sterksten overleven niet alleen in de natuur, maar ook in een vrije markt cultuur. Deze opvatting noemen we sociaal-Darwinisme. Het is wederom maar zeer de vraag of de mens als sociaal-cultureel wezen louter bezig is met overleven als zijnde een hebzuchtig dier tussen andere dieren. Veel mensen zijn in staat om tegen de logica van het sociaal-Darwinisme (de culturele mens zal altijd anderen willen overheersen) in te gaan en als zodanig irrationeel (niet volgens de heersende logica van het neoliberale Sociaal-Darwinisme) te handelen. Soms kiezen mensen voor een manier van handel drijven, waaruit begrip en sympathie voor de ander blijkt. Voor een manier van handel bedrijven die niet meteen efficiënt en winstgevend is. Denk hierbij aan de moderne nadruk op sociaal ondernemerschap. Maar het is wel het sociaal-Darwinisme was er in de jaren 80 voor zorgt dat Thatcher tegen de vakbonden en arbeiders ingaat en Ronald Reagan in de Verenigde Staten neerbuigend spreekt over de overheid waar ambtenaren werken die niet echt veel bijdragen aan de wereld. Reagan en Thatcher en andere neoliberalen hebben een voorliefde voor de ondernemer. Hier vinden we een moderne maar problematische omgang met het denken van liberaal Adam Smith. Adam Smith vertrekt niet vanuit het idee van het sociaal-Darwinisme. Hij vertrekt vanuit het wederzijds afstemming en wederzijds begrip en empathie als noodzakelijke voorwaarde. De neoliberalen (de nieuwe liberalen die zeggen geestverwanten te zijn van de klassieke liberalen zoals Adam Smith) reduceren Smiths theorie veelal tot het idee van hebzuchtige mensen die ten koste van elkaar willen overleven (survival of the fittest) en daarmee zo efficiënt mogelijk zullen denken en handelen. Deze eenzijdige interpretatie van Smith heeft daardoor ten onrechte Smith in een positie gebracht die hij zelf nooit heeft uitgewerkt! Het is dan ook maar zeer de vraag of het liberalisme in een lijn doorgaat in het neoliberalisme!

HGL – Week 17

44. De kandidaten kunnen Foucaults kritiek op instituties aan de hand van de begrippen macht, onderdrukking, normalisering en disciplinering uitleggen, toepassen en beoordelen.

Foucault: Foucault brengt drie filosofen samen tot een groot verborgen concept achter instituten. Ieder instituut is gevormd door diegenen (Marx) die macht (Nietzsche) willen (Heidegger/Hegel). Diegenen is bijvoorbeeld de bourgeoisie. De bourgeoisie oefent haar macht uit (Nietzsche). Maar het is niet zomaar een uitoefenen van macht. De bourgeoisie moet ook macht willen uitdrukken. Dit is denken (Hegel en Heidegger). Heidegger spreekt dan ook over machtssteigerung, waarbij de mens niet alleen macht wil, maar altijd meer macht blijft willen… de mens geeft niet alleen vorm, maar wil blijven vormgeven .

Foucault – onderbouw en bovenbouw: Onder ieder instituut (bovenbouw) ligt samenwerking/machtsuitdrukking van een bepaalde groep mensen die via de instituten macht vastleggen en afspreken voor alle mensen. Marx legde de nadruk op de sociale context waarin mensen opgroeien. Mensen denken na, maar ze denken na in een context. Wanneer de context een bepaalde vorm krijgt via instituties, dan krijgt het denken ook een bepaalde richting. Waar men mee bezig is, waar de context ruimte voor biedt, bepaalt ook waar het denken en creativiteit zich mee bezig gaat houden. Dus via de instituties is het mogelijk om het denken en daarmee de weg van de mensen (in de onderbouw) te sturen (waarbij velen zich helemaal niet bewust zijn van de deze sturing, omdat het vanzelfsprekend aanvoelt).

Foucault spreekt dan ook over disciplinering. Vorige week werd een vorm van disciplinering aangehaald: institutioneel racisme. Dit is een (onbewust) racisme dat in de haarvaten van onze instituties verborgen ligt.
Problematisch… Wanneer iemand probeert het wantrouwen jegens deze disciplinering te omschrijven/te duiden, dreigt het mis te gaan. Want iedere omschrijving van disciplinering zorgt ervoor dat de mens gaat denken/handelen en dus voor iets anders gaat kiezen en de instituten gaat aanpassen. Echter, deze aanpassing is op zichzelf ook weer een uitdrukking van de wil van enkelen over de velen. Daarnaast blijft het onduidelijk of iemand disciplinering überhaupt wel goed kunnen omschrijven/duiden.

De vraag naar disciplinering en het oplossen van deze paradox is een prachtig thema voor een nieuw essay! Er zijn talloze onderwerpen (met name op het vlak van de psychiatrie) op dit moment waarbij Foucault weer een centrale rol krijgt. Lees het artikel van en luister interview met Klinisch Psycholoog Paul Verhaeghe over normaliteit, waanzin en discipline uitgewerkt vanuit het boek “Filosofie van de waanzin” van Michel Foucault.

“”Elke maatschappij definieert haar ideale “normale mens”. Vandaag is dat de sociale, hypercompetitieve professional die het gemaakt heeft, en daar ook mee naar buiten komt. Zo voeden wij ook onze kinderen op. Daar is op zich niets mis mee, maar je krijgt wel veel mensen die er niet aan beantwoorden. Een groep die massaal mislukt. Excelleren is het nieuwe normaal.”

47. De kandidaten kunnen uitleggen dat het Panopticum van Bentham volgens Foucault model staat voor moderne machtsuitoefening door instituties. Zij kunnen daarbij uitleggen: – dat in het Panopticum macht automatiseert en ontindividualiseert; – dat de gedetineerde het principe van zijn onderwerping – dwang – overneemt en toepast op zichzelf.

Argos Panoptus was voor de oude Grieken een reus met heel veel ogen. Deze reus kon alles zien en volgen. Bentham gebruikt panoptus als symbool voor een nieuw type gevangenis: de Panopticon. De Panopticon was een gevangenis waarbij de gevangenen niet weten of ze bekeken werden door de gevangenisbewaarders en dus altijd het gevoel hadden mogelijk bekeken te kunnen worden. Je had dus niet veel bewakers nodig, omdat de angst de gevangenen wel in toom zou houden. De gevangenen gaan vervolgens het gedrag reguleren en aanpassen in de angst bekeken te worden.

Foucault gebruikte wederom Benthams Panopticon als symbool voor een staat (government) die via surveillance (denk aan Big Data in deze tijd) het volk (als slaaf :)?) mogelijk kan controleren, waardoor de bevolking in angst bekeken te worden zich koest houdt. Op deze manier heeft de staat macht over de mensen, maar hoeft de staat geen mens meer te zijn (ontindividualisering). In sommige gevallen controleren ambtenaren verschillende mensen, maar dat weet niemand zeker. In veel gevallen is alles geautomatiseerd en ontmenselijkt. Een staatssecretaris (Menno Snel) is een maand geleden nog afgetreden omdat de belastingdienst op onmenselijke wijze om is gegaan met de toeslagen en boetes van ouders die jarenlang in angst hebben geleefd en niet konden rondkomen. Dit was natuurlijk niet de schuld van Menno Snel, maar typeert wellicht de onmenselijke, geautomatiseerde wijze hoe onze samenleving is georganiseerd. De ouders staan wellicht symbool voor burgers in een Kafkaesque en geautomatiseerd belastingsysteem zonder oog voor de mens, voor wie iedereen een BSN-nummer (belastingnummer) is. Op deze manier worden mensen gedwongen in angst bepaalde, onterechte aanslagen te betalen en vergoedingen te weigeren. In veel gevallen gaat het natuurlijk goed, maar de excessen kunnen lang en pijnlijk zijn. Systemen en instituten zijn over het algemeen niet echt flexibel.

HGL – Week 16

45. De kandidaten kunnen de kritiek van Habermas op het proces van modernisering weergeven aan de hand van het onderscheid tussen instrumentele en communicatieve rationaliteit. Daarbij kunnen zij de opvatting van Habermas dat de leefwereld en het goede leven kunnen worden gekoloniseerd door het bureaucratische en het economische systeem uitleggen, toepassen en beoordelen.

Habermas komt met een positieve (p. 210) interpretatie van de modernisering/rationalisering van de samenleving. De moderniteit bouwt niet voort op religie en mythes. De moderniteit draait om demystificatie: de wereld wordt ontdaan van haar irrationaliteit. Dit zien we ook terug in de ontkerkelijking. Maar de nadruk op rationaliteit “(…) is erg eenzijdig geweest” (p. 210). Ik denk dat we kunnen stellen dat de nadruk op rationaliteit voor een wereld heeft gezorgd met instituten die rationaliteit benadrukken. Dit wil dus zeggen dat de onderlinge machtsverhoudingen tussen mensen resulteren in zachte instituties gedreven op “cognitief-instrumentele rationaliteit”. Oftewel: burgers moeten denken (cognitie) op een instrumentele manier (alles moet nut hebben en zo efficiënt en doelgericht mogelijk worden bereikt). Het is niet ondenkbaar dat er zoiets als institutioneel cognitief-instrumentele rationaliteit bestaat :). Maar ook dit is niet altijd even makkelijk te duiden. We kunnen deze vorm van rationaliteit niet oppakken. Het is wat dat betreft ook vooral een idee. Dat gezegd hebbende, gaat deze vorm van rationaliteit “(…) ten koste van moreel-praktische en esthetisch-praktische rationaliteit” (p. 210). Mensen gaan steeds minder met elkaar communiceren en hun handelen vinden steeds minder plaats op basis van communicatie en afspraken. Velen richten zich op de meest efficiënte en nuttige, technische, instrumentele keuze/mogelijkheid.
Een viertal voorbeelden van het spanningsveld tussen instrumentele rationaliteit en praktische wijsheid:
1. Denk hierbij bijvoorbeeld aan leerstrategieën. Veel leerlingen leren alleen en voor zichzelf en vragen niet zelden om duidelijke doelen om zo efficiënt mogelijk de stof te kunnen leren (instrumentele rationaliteit), terwijl samenwerken en in groepjes leren en waardevolle gesprekken over de lesstof niet zelden een betere strategie is. Maar deze strategie wordt veelal als inefficiënt beschouwd.
2. Als docent zijn er ook voorbeelden. Zo kan een gezamenlijke opdracht instrumenteel worden vormgegeven: verdeel de taken en laat iedereen afzonderlijk de taken uitvoeren en breng aan het einde alles samen. Maar het is ook mogelijk om tijd te nemen voor communicatie en dialoog om zo samen tot een plan te komen. Maar veelal wordt dit laatste als niet efficiënt beschouwt.
3. Afgelopen week hoorde ik een voorbeeld van een oud-leerling op een ROC. Ze had een poging tot zelfmoord gedaan en vroeg mij om hulp ten aanzien van haar school. Haar school had naar alle leraren en leerlingen een formele brief gestuurd dat er “een leerling was die (…)” zus en zo. Iedereen wist wie deze leerling was, maar dat mocht formeel/juridisch niet gezegd worden. Vervolgens vroeg mijn oud-leerling aan mij, wat te doen. School reageert formeel dat ze niet mogen praten en dat ze niet naar school mag komen. Ze krijgt weinig steun, omdat iedereen bang is aansprakelijk te zijn voor wat dan ook. De brieven worden met een jurist opgesteld. Hier vinden we instrumenteel handelen dat ten koste gaat van het gesprek… Een gesprek met een kind in nood dat handvatten nodig heeft om met elkaar een oplossing te vinden voor haar leven.
4. Dit is ook de kern van het prachtige boek van Franz Kafka (het proces) over een man die in een bureaucratisch-technisch en juridisch systeem terecht komt en niet meer weet wat te doen. Het lijkt ook op wat afgelopen week is gebeurd in de tweede kamer ten aanzien van de rol van de belastingdienst in het kinderopvangdebacle/toeslagaffaire, waarbij staatssecretaris Menno Snel aangeeft in de tweede kamer zo 1-2-3 geen oplossing te hebben voor het bureaucratische systeem. Naar Kafka is ook het woord Kafkaesque genoemd. Kafkaesque betekent: “de hulpeloze toestand van kleine burger tegenover kracht van bureaucratie”.

(…) Daarbij kunnen zij de opvatting van Habermas dat de leefwereld en het goede leven kunnen worden gekoloniseerd door het bureaucratische en het economische systeem uitleggen, toepassen en beoordelen.

Wanneer het systeem “de leefwereld naar hun hand proberen te zetten” via valse voorstellingen (Marx) of (institutionele) Disciplinering (Foucault) van macht, dan is er sprake van kolonialisering volgens Habermas (p. 210). Habermas geeft dan ook aan dat de leefwereld (communicatieve rationaliteit), hoe wij samen willen leven en wat wij de juiste balans in relatie tot het goede leven en instituties vinden, niet kan worden beantwoord op een technische, instrumentele manier (instrumentele rationaliteit). Terug naar het gesprek dus!
* Een goed thema voor een essay: de opvatting van Habermas dat de leefwereld en het goede kunnen kunnen worden gekonaliseeerd door het bureaucratische en het economische systeem uitleggen, toepassen en beoordelen.

46. De kandidaten kunnen het onderscheid tussen het Angelsaksische en het Rijnlandse model als varianten van het idee van de vrije markt uitleggen, toepassen en beoordelen. Daarbij kunnen zij aangeven wat in beide modellen de verschillen zijn in de bedrijfscultuur aan de hand van het onderscheid tussen recht en moraal en het onderscheid tussen shareholder-capitalism en stakeholder-capitalism.

In paragraaf 6, p. 216/217 wordt het onderscheid gemaakt tussen het Angelsaksische en Rijnlandse model. Ook hierin zien we de geschiedenis die doorweegt in de dagelijkse instituties en hoe deze worden georganiseerd. Kort door de bocht :): de USA heeft nauwelijks geschiedenis en bouwt op individualisme en eigen keuze in lijn met John Locke en Adam Smith. De USA staat ook aan de basis van het vrije markt denken als “survival of the fittest”, waarbij het niet gaat over het meest fitte gezin of cultuur, maar het meest fitte individu. Het West-Europese/Duitse Rijnlandse model vertrekt vanuit de Middeleeuwen, waarbij de samenleving belangrijk is. Het individu is niet zomaar individu voor zichzelf, maar moet ook zorgen voor de samenleving. Een directeur is niet baas over zijn werknemers, maar heeft een zorgfunctie voor zijn werknemers.
Dit vraagt ook om een lange termijnvisie over hoe alle stakeholders in en rondom het bedrijf te betrekken. Minder top-down en minder individueel. Maar ook hier zien we terug hoe verschillende achtergronden en opvattingen in de relaties en onderlinge machtsverhoudingen uiteindelijk doorgetrokken worden in de wijze hoe instituties worden vormgegeven. In andere landen van de wereld zijn de instituties ook weer geheel anders en gaan daar ook weer andere machtsprocessen aan vooraf!
Wat is dan het verschil tussen een stakeholder en een shareholder? Investopedia.com geeft de volgende definitie: Shareholders are always stakeholders in a corporation, but stakeholders are not always shareholders. A shareholder owns part of a public company through shares of stock, while a stakeholder has an interest in the performance of a company for reasons other than stock performance or appreciation. These reasons often mean that the stakeholder has a greater need for the company to succeed over a longer term.” Neem nu bijvoorbeeld de voetbalclub AJAX. AJAX is een beursgenoteerd bedrijf. Dit betekent dat iemand een “aandeel” kan kopen van de voetbalclub AJAX. Een aandeel betekent dat je een stukje van het bedrijf AJAX bezit. Wanneer het goed gaat, wordt het aandeel meer waard en krijg je wellicht een deel van de winst en wanneer het slecht gaat wordt het aandeel minder waard. Ander voorbeeld. Een broer wil een eigen bedrijf starten en vraagt of jij een aandeel wilt hebben in zijn nieuwe bedrijf. Dat kost je 10.000 euro en voor deze 10.000 euro krijg je 20% van zijn bedrijf. Wanneer het bedrijf later 1.000.000 waard is, dan heb jij 20% van deze waarde nog in aandelen, dus 200.000 euro. Aandeelhouders (shareholders) hebben dus een aandeel (waarvoor ze dus een bedrag betalen) van een bedrijf. Stakeholders hebben “stakes”: belangen. Een AJAX-fan of profvoetballer bij AJAX heeft er belang bij dat het goed gaat met AJAX. Net als dat jij een persoonlijk belang hebt, gewoon als broer, dat het goed gaat met je broer en zijn bedrijf. Je hoeft niet altijd een aandeel te hebben om wel een belang te hebben dat het goed gaat met het bedrijf. Japanse bedrijven werken meestal zo dat werknemers van een bedrijf niet alleen een belang hebben in het bedrijf als werkgever, maar ook naast salaris aandelen krijgen. Zo worden stakeholders ook shareholders. Maar niet alle stakeholders hebben ook aandelen (shares) en zijn dus ook niet allemaal aandeelhouders (shareholders).
De grote vraag die gesteld moet worden, is of shareholders (aandeelhouders) het beste voor het bedrijf willen of op korte termijn vooral veel geld willen verdienen. In de film The Big Short speelt een van de hoofdrolspelers een directeur van een hedgefund. Een dergelijk hedgefund Kohlberg, Kravis, Roberts (KKR) koopt in 2004 de V&D. Het gaat dan niet goed met de V&D en de aandelen (shares) zijn niet zoveel meer waard. Waarvoor koopt KKR deze aandelen van een bedrijf waar ze verder niet veel mee kunnen? Om vervolgens de V&D op te splitsen in twee bedrijven. Het ene bedrijf (1) houdt zich bezig met het vastgoed. Dit zijn alle grote dure en kostbare gebouwen die de V&D in veelal de centra van de grote steden bezit. Het tweede bedrijf (2) blijft zich bezighouden met het verkopen van goederen zoals de V&D altijd al heeft gedaan. Je zou denken dat dit niet zo erg is, maar wat is er vervolgens gebeurd. Het bedrijf wat over de gebouwen ging, was veel meer waard dan het bedrijf dat producten verkocht in winkels. Daarnaast moest opeens bedrijf (2) huur gaan betalen aan het vastgoedbedrijf (2). Voorheen waren dit dezelfde bedrijven en hoefden bedrijf 2 natuurlijk geen huur te betalen. Ondertussen wordt het vastgoedbedrijf meer waar (huizen en panden worden duurder) en de huuropbrengsten komen ook nog eens binnen. Uiteindelijk verkoopt KKR de vastgoedtak voor veel geld en kan bedrijf 2 natuurlijk de kosten en de huur niet betalen. Het ging al slecht en met hoge huurprijzen gaat het nog slechter. Met als gevolg: het faillissement van de V&D en veel winst voor KKR. De vraag is: hebben deze shareholders (KKR) dezelfde belangen voor ogen gehad als de stakeholders? Er zijn twee antwoorden mogelijk:
Nee, ze hebben bewust het bedrijf gesplitst en een tak met veel werknemers en andere stakeholders failliet laten gaan.
Ja, ze hebben meer geld gegenereerd en daarmee de markten geholpen nog “rijker” te worden.
Het antwoord hangt een beetje af of iemand wel of niet gelooft in de kracht van de vrije markt en de shareholdersbelangen zoals Gordon Gekko deze al eerder benoemde in de film Wallstreet.

Paragraaf 2, p. 205 sluit af met de tamelijk Aristotelische opvatting dat de onderlinge instituties in balans moeten zijn en dat het goede leven draait om het zoeken met elkaar naar het juiste midden.

Op pagina 209, par. 4 worden de verschillen tussen het westen en oosten aangehaald, waarbij in het ene geval het totalitaire regime een disbalans lijkt te veroorzaken in het licht van het goede leven en in het andere geval wellicht de vrije markt deze disbalans veroorzaakt. Zo gaan de Chinezen op dit moment niet echt “netjes” om met de Oeigoeren. Echter, in het westen zijn er eindeloos veel berichten die duiden op het faillissement van de vrije markt. De vrije markt dringt door in alle instituten in Nederland en ontwricht de samenleving. Neem bijvoorbeeld de invloed van de vrije markt op het onderwijs. Of deze constatering klopt, zal blijken. Waar het om gaat, is dat het juiste midden… de balans ten aanzien van de organisatie van instituten als onderdeel van het goede leven, op verschillende plekken in de wereld op verschillende manier onder druk staat en dus nog steeds gezocht moet blijven worden.
Of neem bijvoorbeeld de vraag over regelgeving en beleid ten aanzien van zelf-rijdende auto’s. In China streeft men naar auto’s die met elkaar communiceren (connected zijn). Het is daarbij minder een probleem om de handen van de sturen te halen en auto’s met elkaar te laten communiceren. Mensen kunnen de communicatie alleen maar in de weg zitten en daarmee onveiligheid realiseren. Daarnaast bouwt men in China volledig nieuwe steden en wegen en breekt men niet zelden oude gebouwen af. Op deze manier kunnen er efficiënte en goede wegen gebouwd worden. In Europa koestert men de oude steden en dit vraagt om auto’s die kunnen anticiperen op moeilijke wegen, kleine steegjes, etc. Auto’s moeten dus autonoom kunnen reageren en niet alleen met andere auto’s rekening houden. Dit zien we ook terug in de opvatting van veel Europeanen dat ze geen behoefte hebben aan controle over het stuur. Europeanen willen veelal zelf bepalen en zelf rijden, daarnaast raakt het ook aan privacy-issues om van elkaar te weten wat men doet en waar men heen gaat. Tevens kunnen dergelijke connected-systemen ook ervoor zorgen dat bepaalde auto’s niet rijden omdat de regering of wie dan ook dat niet wil. Hier zien we verschillende opvattingen over autonome zelf-rijdende auto’s en connected zelf-rijdende auto’s. Cultuur is best bepalend voor de manier hoe bedrijven ethiek en moraliteit vertalen. De kern van dit verhaal is, dat moraliteit geen technisch-rationeel gegeven is en daarmee onoplosbaar. Jarenlang onderzoek naar variaties op the Trolley-problem in de hele wereld, hebben meer problemen opgeleverd dan oplossingen. Men wilde op zoek gaan naar de morele keuzes die in verschillende landen gemaakt zouden worden als een zelf-rijdende auto’s kon kiezen tussen het aanrijden van persoon X of persoon Y. Wanneer miljoenen zelf-rijdende auto’s gaan rijden, dan komt een dergelijke keuze meerdere malen per dag voor ergens in de wereld. Wat blijkt? In verschillende landen maakt men verschillende keuzes. Dit heeft met de cultuur te maken en hoe cultuur de vraag naar het goede leven beantwoordt. Zie hier voor de online test: http://moralmachine.mit.edu/. Ik het onderstaande filmpje wordt extra uitleg gegeven over de drie/vier verschillende visies op moraliteit. Wat duidelijk wordt, is: cultuur verandert waarden, normen en daarmee de ethische posities. Zelfs de beste programmeurs, de meest intelligente, rationele, technische en doelgerichte mens, heeft geen universele oplossing voor morele en ethische dilemma’s. Dit onderwerp kwam in week 3 als aan de orde toen het onderscheid tussen dianoëtische en ethische deugden werd uitgelegd, waarbij techne (vaardigheid) en episteme (kennis) niet voldoende was voor sophia (wijsheid) en een waarlijk voortreffelijk en deugdzaam leven. Dus? Het is onvermijdelijk dat mensen met elkaar gaan communiceren en afspreken wat ze samen belangrijk vinden. Een computer of een techniek kan deze oplossing niet vinden. En iedereen die denkt dat de techniek deze oplossing wel gaat vinden, zal instituten bouwen die zelf-rijdende auto’s produceren die keuzes maken waar de bijrijders niet altijd een goed gevoel bij hebben… een nieuwe vorm van macht en onderdrukking. Maar wanneer bijrijders allemaal zelf, autonoom, zonder in gesprek te gaan met elkaar, bepalen hoe de auto moet reageren, dan kunnen auto’s nauwelijks nog op elkaar anticiperen. Iedere auto is dan weer anders, net als dat ieder land andere regelgeving heeft. Velen denken dat de technologie veel vragen gaat beantwoorden, maar eigenlijk lijkt technologie en techniek als gevolg van rationaliteit en doelmatigheid de mensheid te dwingen om voor zichzelf weer een vraag te worden: wie ben ik? Wie zijn wij? En wat is wenselijk?