HGL – Week 21

61. De kandidaten kunnen de volgende vijf soorten argumenten in het milieudebat uitleggen, beoordelen, toepassen en er voorbeelden van
geven: actueel antropocentrisch, intergenerationeel, geen lijden toebrengen aan wat lijden kan, intrinsieke waarde van de
natuur en deep ecology.

  1. Antropocentrisch denken: de mens (antropos) staat centraal. De mens is de maat der dingen. De mens bepaalt hoe de wereld eruit ziet. De mens bepaalt hoe de natuur wordt gevormd en hoe de natuur en de dieren hierin een plek krijgen. Het bepalen lijkt op calculeren. De mens als maat der dingen calculeert en weegt af. Enerzijds voor zichzelf (hedonist) en anderzijds voor de maatschappij (Utilist). Maar in beide gevallen (hedonis/utilist) weegt de mens als maat der dingen iets af. Meteen komt dan de vraag naar dit iets. Wat is dit iets? Kloppen de feiten wel van dit iets? Zijn er alternative facts? Komen de wetenschappelijke voorspellingen niet gewoon uit de lucht vallen? Wat kunnen we eigenlijk voorspellen? Instant bevrediging/genot zonder een hoger doel (mensheid, toekomst, waarheidsvinding) leidt zelfs tot nihilisme -> na mij de zondvloed. De vraag blijft of het heersende denken (utilisme) en daarmee het antropocentrische denken de oplossing gaat aanbieden voor een gezonde omgang met de natuur.
  2. Intergenerationeel denken: de mens berekent niet alleen voor zichzelf (hedonist) en de groep (utilist) op dit moment (plaats/ruimte), maar neemt ook de factor tijd mee in zijn of haar afweging. Wanneer de groep centraal staat, dan staat de groep niet alleen nu (laten we lekker allemaal gaan genieten van alles wat de natuur ons (nog wel) te bieden heeft) maar ook in de toekomst centraal. En specifiek de generaties die na ons (en in zekere zin ook voor ons) komen. Wij hebben van onze voorgaande generatie een wereld geërfd en wij geven weer een nieuwe wereld door aan toekomstige generaties. Dat maakt dat wij een verantwoordelijkheid dragen die verder gaat dan het hier-en-nu, maar ook anticipeert op de toekomst en voortkomt uit het verleden. Echter, zowel bij de antropocentrische als bij de intergenerationele denkwijze, staat de calculerende mens centraal.
  3. Voorkomen van al het lijden op de wereld. Allereerst moet duidelijk worden welk type leven kan “lijden”. Wanneer het duidelijk is welk type leven (dieren, mensen, planten, virussen?) kan lijden, dan wordt het noodzakelijk om rechten voor lijdende organismen te formuleren. Denk hierbij aan dierenrechten. De voorkeur voor louter het lijden van mensen getuigt van speciesisme (Peter Singer) en is daarmee verwerpelijk en onethisch. Al het lijden weegt even zwaar!
    Dus: 1. Lijden is het punt op grond waarop het juiste handelen en het goede leven moet vertrekken, 2. lijden kent geen gradaties. Het voorkomen van lijden is een principieel (Kantiaans?) standpunt, maar 3. het milieu is daarmee nog niet per definitie geholpen. In abstracte zin zou je (Peter Singer) kunnen stellen dat een vervuilde en opgewarmde aarde slecht is voor alle levende wezen en daarmee het lijden vergroot. Via deze route zou ook het milieu goed onderhouden moeten worden gericht op het voorkomen van al het lijden.
  4. Intrinsieke waarde van de natuur: Hier komt een principieel Kantiaans perspectief aan de orde. Dit wordt niet zelden bij christelijke partijen vertaald als rentmeesterschap. De rentmeester onderhoudt (tijdelijk) de wereld die hem of haar door God is gegeven. Hij moet daarom ook deze wereld goed onderhouden. De wereld is niet iets waar hij gebruik van kan maken als een instrument (utilisme) om zoveel mogelijk geluk te realiseren voor zoveel mogelijk mensen. Ook al berekenen we talloze zaken uit, waarbij we de wereld kunnen gebruiken ten dienste van ons genot, dan nog is de wereld niet ons bezit maar zijn we hier slechts even op aarde en is het aan ons om als een goede gast deze wereld te onderhouden. Het is de plicht van de mens om de wereld goed te onderhouden en daarna volgt de rest. De mens mag de wereld als utilist benaderen en van alles afwegen, maar allereerst moet hij de wereld begrijpen als iets waarover hij primair verantwoordelijkheid heeft. Een gast laat een gastverblijf ook niet in troep achter. Een goede gast draagt extra zorg voor de kamer, voor het huis!
  5. Ecologisch denken (deep ecology): Centraal staat hier de heroriëntatie op het moderne antropocentrische denken. De verlichting, rationaliteit en wetenschap hebben ons (in lijn met Francis Bacon – kennis de macht – kennis geeft ons het instrument om de natuur te beheersen en Newton – via de natuurwetenschappelijke methode kunnen we de natuur voor ons helder maken) tot consumenten en producenten gemaakt voor wie de aarde een stukje materie is wat we kunnen manipuleren en als instrument kunnen gebruiken en verbruiken (consumeren) voor ons eigen genot. Het massaal consumeren van de natuur is gratis en de kosten willen we niet produceren en terugbetalen (veelal). Deep ecology betreft het opnieuw vormgeven van onze verhouding als mens met de wereld, waarbij de wereld niet begrepen wordt als een onuitputtelijke bron die je kunt verbruiken/consumeren zonder grenzen. Dit type denken, ingezet door Heidegger, stelt niet alleen de verhouding van de mens met de wereld centraal, maar ook de wijze van (technische en calculerend) denken. Het technische en calculerende denken, voortgekomen uit het denken van Bacon, utilitaristen, Descartes, Newton, etc. biedt wellicht geen oplossing voor een gezonde balans tussen de mens en natuur. Misschien moeten we niet altijd geloven in de oplossingen van de techniek en op een andere manier gaan denken.

62. De kandidaten kunnen Heideggers analyse van de moderne technologische samenleving weergeven, toepassen en beoordelen. Daarbij kunnen zij uitleggen wat het gestel, waarheid (aletheia), Dasein en het verschil tussen oude en moderne techniek inhouden en welke rol ze in Heideggers analyse spelen.

Das Ge-stell is het idee dat de wereld begrepen kan worden als een soort van Matrix. Alles bestaat uit lijnen en knooppunten en de (natuur)wetten tussen deze knooppunten (lijnen) en de knooppunten zelf kunnen allemaal uitgerekend worden. Oftewel: de mens begrijpt de wereld als een systeem (raamwerk) wat je uit kunt rekenen.
Waarheid (aleitheia) is voor Heidegger een kernbegrip en Heidegger grijpt terug naar de oorspronkelijke betekenis van aleitheia. Leitheia betekent zoiets als “verborgen” en “a” betekent niet. Aleitheia betekent dus het niet-verborgene… datgene waar licht op staat… iets wat we kunnen zien. Waarheid is dus niet alleen maar iets wetenschappelijks als zijnde iets wat je kunt onderzoeken met behulp van de wetenschappelijke methode. Waarheid is iets wat we kunnen zien. En dan komt nu de essentie van Heideggers techniekfilosofie: er zijn verschillende manieren om de wereld (alles om ons heen) te zien!

Heidegger waarschuwt de moderne mens voor een wereld waarin de moderne mens nog maar op één manier de wereld kan zien (en denken) en dat is de calculerende, technische, antropocentrische manier van zien/denken!

Deze calculerende manier is de moderne manier hoe de wereld ontdekt (aleitheia) wordt. De oude manier van ont-dekken (ont-bergen/in het licht brengen) was veel breder dan dat. De oude manier kende naast de calculerende, wetenschappelijke manier ook nog andere manieren zoals muziek, kunst, poëzie een status toe van ontdekken. In deze tijd zien we dat andere manieren van ontdekken (bijvoorbeeld de kunstenaar, zoals als benoemd bij Hannah Arendt – Arendt was leerling en muze van Heidegger) ondergeschikt worden gemaakt. Een kunstenaar moet eerst een product en consument zijn die via subsidieaanvragen en plannen op de juiste wijze de formats invult en heel strategisch en berekenend zijn of haar keuzes maakt. Want anders kan de kunstenaar helemaal geen kunstenaar zijn. Leerlingen moeten eerst strategisch denken (ik kies een NG-pakket want dan kan ik later alles nog worden) en daarna volgen misschien andere manieren van naar een toekomstige baan kijken (maakt het mij gelukkig, wat kan ik creëren, etc.).

63. De kandidaten kunnen de volgende drie gevaren die het wezen van moderne techniek volgens Heidegger in zich draagt uitleggen en beoordelen: de mens als bestelbaar bestand, verdringing van andere vormen van ontbergen, vervreemding van zichzelf als Dasein en van de natuur als physis.

Nogmaals: Heidegger waarschuwt de moderne mens voor een wereld waarin de moderne mens nog maar op één manier de wereld kan zien (en denken) en dat is de calculerende, technische, antropocentrische manier van zien/denken!
Hiervoor moet de wereld ook uit te rekenen zijn, dus denkt de moderne mens ook dat de wereld een uit-te-rekenen raamwerk is. Deze opvatting (de wereld is uit te rekenen) moet je dus aannemen. Dit lijkt op een geloof! Maar wanneer aangenomen wordt dat de wereld uit te rekenen is, dan is alles in de wereld uit te rekenen, dus ook de mens. De mens wordt daarmee een schakel van het raamwerk. Een knooppunt in de Matrix. De mens kan daarmee als een nummer worden weggezet in grotere technieken (Big Data) en gebruikt worden voor berekeningen. De mens verwordt daarmee tot iets wat je kunt bestellen. Wanneer Trump graag zijn potentiële stemmers wil bereiken, dan kan hij deze via Sociale Media met behulp van geld (koopt een product) klanten (stemmers) bestellen. Het sociale medium is dan een instrument om stemmers te bestellen en de stemmers zijn instrumenten om Trump aan de macht te brengen. Maar in simpelere termen kun je ook naar de school kijken. De leraar is een instrument om de leerling (klant) vooruit te helpen. De leerling bestelt de leraar op afroep, wanneer het hem of haar goed uitkomt. De leraar wordt verbruikt/geconsumeerd door de berekenende leerling die stelt dat de leraar altijd paraat moet staan. Ouders idem. De leerling wordt weer besteld als bestand voor de school. De school berekent heel calculerend hoe leerlingen als instrument voor de school gebruikt kunnen worden. Leerlingen leveren namelijk geld op en de school heeft dan ook leerlingen nodig om te blijven bestaan. De school kijkt vervolgens strategisch hoe leerlingen besteld kunnen worden. Misschien een open dag met talloze leuke dingen en mooie filmpjes (want dat spreekt leerlingen aan en zo kun je leerlingen voor je “winnen”). Andere vormen van ont-bergen worden teniet gedaan. Een kunstklasje voor groep 8 leerlingen verwordt op deze wijze vooral een manier om leerlingen voor je te winnen/te bestellen. Het is strategie waar een systematisch plan/denken achter zit (en de overtuiging dat je via bepaald handelen ook leerlingen kunt winnen. Je moet dus geloven in een raamwerk in termen van: als we een leuk filmpje maken, dan spreekt dat onze klanten aan).

Het in-de-wereld zijn (Dasein) wordt hiermee gereduceerd tot een in de wereld zijn in termen van berekening. Een kind wordt vanaf de geboorte opgedragen alles uit te rekenen. Kunst en cultuur is slechts een instrument dat uitgerekend moet worden. Gewoon fijn met elkaar samenleven, een worden met je instrument (zie het filmpje hieronder), samen spelen in een band, tevreden zijn met een ambacht (niet om geld te verdienen of om iets of iemand anders te bestellen zoals klanten) wordt niet gewist, maar onderschikt gemaakt aan de primaire taak om alles uit te rekenen. Wat het is om mens te zijn wordt gereduceerd tot het idee dat de mens moet rekenen. De mens vervreemdt van zichzelf, de omgeving, de kunst, cultuur, muziek, etc. De mens verwordt tot een bestelbaar bestand dat andere bestanden ook voortdurend denkt te moeten bestellen voor het eigen gewin! De mens ontvreemdt ook van zijn of haar natuur. Ze is niet meer gewoon in de natuur en beweegt niet meer in de natuur samen met dierbaren en oefent niet in de natuur met een muziekinstrument, maar oefent op een berekenende manier.

Voorbeeld: Ik speelde vanaf mijn 14de 8 uur per dag gitaar. Ik schreef liedjes, etc. Ik droomde om beroemd te worden, maar mijn liefde voor het gitaar spelen was niet om bij The Voice of Holland te komen of in bredere zin beroemd te worden. Ik wilde gewoon gitaar spelen om het gitaar spelen. Gitaar spelen vond ik tof zonder enige andere reden. Hetzelfde in de liefde. Ik houd van mijn vrouw omdat ik van haar houd, niet omdat ik heb uitgerekend hoeveel ze mij oplevert. Ik zei afgelopen week nog tegen mijn vrouw dat mijn liefde voor haar niet uit te drukken is/uit te rekenen is. Liefde vervliegt iedere berekening en uitdrukking, maar na 10 jaar voel je wel aan wat deze liefde is. Je kunt (en wilt ook niet de illusie hebben dat) er geen begrip aan verbinden dat “waar” (aleitheia) is in termen van uitgerekende waarheid. Idem geldt dit voor mijn lange wandelingen in de bossen. Ik kom dan tot rust, maar ik weet niet hoe dat komt. Het voelt alleen zo. Ik denk ook niet dat het ooit duidelijk zal zijn hoe dat komt. Ik denk niet dat ooit iemand zal kunnen uitrekenen hoe dat komt. Maar toch hebben we coaches en cognitieve gedragstherapeuten die ons vragen om na te denken hoe het komt dat we gelukkig zijn en hoe het komt dat we tot rust komen… dus toch weer het berekenende denken centraal stellen en dus de nadruk op vervreemding leggen van de mens met zichzelf, zijn of haar dierbaren en uiteindelijk dus de natuur. De natuur komt op een bepaalde manier voor mij naar voren (hervorbringen, p. 270). De wereld en alles wat in de wereld is (het Zijn) kan ik in eerste instantie niet opeisen. Het Zijn is er gewoon. Ik word vanaf mijn geboorte geworpen in een wereld die mij gegeven is. En het Zijn bepaalt dus ook hoe ik denk en leef! Ik neem deel in een wereld waarin het Zijn mij gegeven is en mij omringt en bepaalt. Dit is wezenlijk een probleem, want als het Zijn nu bepaalt dat ik berekenend moet denken, dan is het wellicht onmogelijk om zelf anders te Zijn of te Worden in een wereld waarin alle Zijnden een kant op wijzen. Ik weet dan niet beter dan dat het berekenende denken het enige denken is. Ik sta hier niet meer bij stil.
Ik kan de natuur en mijn gevoel, liefde, muziek, etc. niet zomaar opeisen (herausfordern), maar toch wordt dit wel verwacht. Tijdens coaching wordt ook niet zelden verwacht dat kinderen het eigen leven calculerend opeisen. Of ouders die eisen dat een onduidelijk probleem in de geest, analytisch en calculerend benaderen om vervolgens een stappenplan te maken om het op te lossen.

Heidegger benadert de physis (natuur) niet als een berekenbare samenhang, maar als een wijze van opkomen en opgaan (bloeiende natuur). Het Zijn in de wereld komt (verlichting / a-litheia) en gaat (terug naar het donkere). Deze natuuropvatting (physis) staat tegenover de moderne opvatting van een berekenbare natuur! Heidegger wil wel het berekenende denken gebruiken, zoals wellicht de Stoa al hebben gedaan, om ons zelf proberen af te stemmen op onze omgeving in de bredere zin van het woord. Om daarmee ook ruimte te creëren voor andere manieren van ont-bergen en waarheidsvinding. Ik heb dat ook wel eens… een diep respect voor de omgeving als een plek die mij gegeven is en aan mij verschijnt. Ik heb hier niet voor gekozen. Ik probeer alles uit te rekenen in detail, maar ook uit te rekenen (in termen van afstemming) hoe ik op andere wijze in de wereld kan staan met meer liefde en respect en minder nadruk op het calculerende aspect. Dit noemt Heidegger gelatenheid! Je laat de dingen (Zijnden) gewoon Zijn en laat alles aan je voorbij gaan en probeert vervolgens te ervaren wat er voorbij gaat zonder conclusies en berekeningen. En nu ga ik de storm weer in. Ik adviseer iedereen het onderstaande filmpje te bekijken. Op de een of andere manier kan ik Heideggers denken niet berekenend uitleggen, maar wellicht wel via deze film tot beeld en denken brengen.

https://www.futurelearn.com/courses/philosophy-of-technology/0/steps/26314

HGL – Week 20 – par. 7

56. De kandidaten kunnen de volgende opvattingen die een ‘lichaamsethiek’ voorbereiden, uitleggen, toepassen en beoordelen: –
– de opvatting van de stoïcijnen dat een levenshouding van apatheia kan worden bereikt door de passies met de rede onder bedwang te houden;
– de opvatting van Plato en Aristoteles waarin het lustvol verlangen (epithumia) tegenover de emotionele bezieling (thymos) staat en de moderne interpretatie van thymos (van Fukuyama en Sloterdijk)

Op pagina 246 wordt het “brain stimulation experiment” bij muizen aangehaald. Dit experiment maakt duidelijk dat de hersenen zodanig gestimuleerd kunnen worden, dat muizen massaal de (fake) stimulatie opgewekt door stroomstootjes prefereren boven eten en drinken. Hierdoor ervaren de muizen veel “plezier” terwijl ze langzaam uitgeput raken en verhongeren.

Het utilitarisme stelt dat we zoveel mogelijk geluk/behoeftebevrediging voor zoveel mogelijk mensen moeten realiseren. Maar het utilitarisme heeft geen criterium op grond waarop vastgesteld kan worden welk geluk/behoeftebevrediging de voorkeur heeft. Het is zeer wel mogelijk dat mensen (zoals ook in de film The Matrix) aan genietende ten onder gaan en sterven. Het is maar zeer de vraag of dit de bedoeling is wanneer we op zoek gaan naar het goede leven. Deze lichaamsethiek (de vraag naar wat de goede omgang met het lichaam is) die stelt dat het goed is om plezierig ten onder te gaan, kan nooit een ethiek zijn waar de mensheid op kan bouwen.

Voordat paragraaf 7.1 en 7.2 wordt uitgewerkt is het belangrijk om de volgende drie “delen van de ziel” te onderscheiden:

  1. Vegetatieve deel (epithumia) – deel van de lusten en verlangens (deze moeten gematigd worden (gematigdheid))
  2. Strevende deel – draait om het zoeken naar het juiste midden, balans, etc. Het streven richt zich niet op het bevredigen van lusten en verlangens, maar op meer abstracte zaken zoals het land, vriendschap, enz. (moed, vrijgevigheid, waarachtigheid, stijlvolheid – abstracte zaken)
  3. Denkende deel – het hoofd regeert de ziel en als het streven / (logos)

Paragraaf 7.1 stelt een alternatieve lichaamsethiek voor van de Stoa. De Stoa borduren voort op Plato en Aristoteles. De nadruk ligt op het uitschakelen en/of beheersen van de begeerten (vegetatieve deel). Het denkende deel kan de begeerten uitschakelen.

De aanname is hierbij dat het denken in staat is de begeerte te controleren en sturen. Dit komt voort uit de opvatting dat de kosmos (universum, de mensheid) goed geordend is en wordt bestuurd door de logos (wellicht een voorbode van het goddelijke, dat als redelijke structuur de basis vormt voor de structuur van de kosmos. Dit kan ook teruggezien worden in de opvatting van een Elon Musk dat het universum een Matrix is die redelijk is en wiens wetten geopenbaard/onderzocht kunnen worden. Of een wetenschap of een Francis Bacon die stelt dat de mens de natuur met rede en wetenschap moet beheersen). De mens beschikt ook over logos en is daarom niet louter in staat de natuur te beheersen (de natuur is een ander hoofdstuk), maar tevens het eigen lichaam en de eigen begeerten en behoeften.

Het onderdrukken van begeerten en behoeften door de rede/logos zorgt ervoor dat deze mens niks kan worden aangedaan. Niets raakt deze mens. Een ander woord voor onaangedaanheid is apathie (geen (a-) emoties (pathos)). Het Stoïsche levensideaal bestaat dus uit onverstoorbaarheid/een leven zonder emoties gecontroleerd en tot rust gebracht door de rede/logos. De logos (tegenwoordig bijvoorbeeld vertaald naar psychotechnieken zoals de cognitieve gedragstherapie) kan hierdoor verslaving tegengaan. De moderne mens lijkt vaak verslaafd te zijn aan gokken, gamen, eten, drugs, werken, etc. Veelal draait dit om het bevredigen van behoeftes… de kern van het moderne denken dat we al terugvinden bij het Utilisme. Kernbegrippen zijn hier zelfdiscipline, soberheid, etc. Het probleem met zelfdiscipline en soberheid kan zijn dat wanneer ze mensen worden opgelegd (jij moet meer zelfdiscipline hebben) dit kan leiden tot wat Freud 2500 jaar later al aangaf: onderdrukking van de emoties en behoeftes. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat de Stoa en Freud op veel opzichten op elkaar lijken. Beiden geven aan dat de emoties onderdrukt worden door de logos (ich & Über-ich). Maar de een (Stoa) stelt dat dit goed is en de ander (Freud) dat dit tot talloze complexen leidt.

Daarnaast lijken de Stoa ook iets te prefereren waar 2100 jaar later Descartes ook naar neigt: het centraal stellen van het denken (cogito ergo sum) boven het lichaam. In het licht van het goede leven en het lichaam, blijft het problematisch dat de Stoa het hoofd/de logos centraal stellen en daarmee het lichaam ondergeschikt maken. Dit is op z’n minst problematisch. Althans de werkelijkheid vertelt ons dat het cognitieve leven helemaal niet zo goed is in het beheersen van de behoeftes. Sterker nog! Herbert Simon toont in het boek “Bounded Rationality” aan dat de mens helemaal niet zo’n objectieve kiezer is die via de rationaliteit/denken/logos de beste keuze kan maken. Het geloof in de logos en het zelfdisciplinerende vermogen van de mens kan best leiden tot iets wat lijkt op het experiment met de muizen eerder genoemd.

Paragraaf 7.2 stelt het begrip Thymos (hart/ziel) centaal. Voor de mens zijn bepaalde (menselijke) zaken belangrijk. Dit zijn zaken waar we van houden. De natuur zegt niets over waar we van houden. De mens vertelt zichzelf waar het van houdt (of niet).
Plato stelt kort door de bocht dat het vegetatieve deel van de mens platte dingen wil zoals een Big Mac, maar dat de mens ook deze eerste behoeftes wil overstijgen. Dit zijn hoogstaande thymotische behoeftes (p. 249). Fukuyame en Sloterdijk geven aan dat de mens altijd de natuur en de materie tracht te overstijgen. Het is niet zelden dat we voorbeelden tegenkomen van mensen die in iets meer geloven dan platte consumptie. Mensen voor wie het leven zelfs opgeofferd mag worden voor dit hogere goed. Blijkbaar is de ziel in staat om meer te willen dan platte consumptie. In dit kader vinden we het idee van het cultiveren van de ziel/geest. Hierbij wordt de ziel/geest/logos gestimuleerd om op volstrekt unieke en menselijke wijze het hogere te verbeelden. Kunst, cultuur, wetenschap, liefde, en ga zo maar door spelen belangrijke rollen in het vormen van de mens en het denken. Dit Bildungsideaal staat niet los van de werkelijkheid. De werkelijkheid vormt de mens en de mens vormt de werkelijkheid. Hier vinden we Hegel en Goethe terug. Dit denken gaat in tegen de opvatting dat de mens een zelf-kiezend individu is dat wordt gedreven door zelfbehoud (Hobbes) en het najagen van geluk (Locke). Heel veel mensen zijn zich bewust van hun handelen en dat het eigen zelfbehoud en geluk opgeofferd kan worden voor iets hogers dan het primitieve geluk. Hiervoor willen mensen zelfs het eigen leven opgeven, risico’s nemen en daardoor aangeven dat ze vrij zijn voor zichzelf en voor anderen. De ultieme vrijheid is niet het consumeren en zelfbehoud, maar voor het hogere goed tegen de massa in te kunnen gaan en in vrijheid de andere keuze te maken.

In het einde van The Dark Knight Return neemt Batman de schuld op zich. Hij kan die persoon zijn die Gotham nodig heeft. Als dat betekent dat hij de schurk moet worden, dan is dat zo. Hij kan voor het grotere goed zichzelf opofferen.


HGL – Week 20

54. De kandidaten kunnen met voorbeelden uitleggen dat passies zich volgens Freud manifesteren buiten het bewustzijn om, onder meer in ons consumptiegedrag. Daarbij kunnen zij hierover een beargumenteerd standpunt innemen.

Freud onderscheidt drie delen van de “persoonlijkheid”, namelijk:

I. Über-ich (overstijgende ik/superego)
II. Ich (ik/ego)
III. Es (het/it)

Über-ich – De mens ontwikkelt zich vanaf de geboorte. De mens leert hierbij de heersende, normen, waarden en tradities van zijn of haar omgeving (socialisaties). De mens ontwikkelt samen met anderen ook een idee van wat het “goede” is om te doen. Het Über-ich staat voor het geweten en het geweten is sterk verbonden met de mensen in de persoonlijke omgeving.

Ich – De mens heeft bewustzijn. Alles waarvan het zich bewust is, noemt Freud “ich”. Ik (ich) ben me bewust van het feit dat ik deze zin aan het typen ben. Ik ben me bewust dat ik slecht tegen mijn verlies kan (of goed).

Es – De mens beschikt over een onbewuste, geestelijke energie (getransformeerde vervulling van seksuele energie, p. 241). Noem het instincten of natuurlijke behoeftes. Volgens Freud zijn deze onbewuste instincten ongrijpbaar rationeel, maar sturen ze ons wel. Freud, en dit is twijfelachtig, stelt dat iedere mens onderdrukte, seksuele behoeftes heeft en dat deze tot uitdrukking moeten komen op de een of andere manier.

Deze “een of andere manier” kunnen we observeren. Denk hierbij aan de gefrustreerde man die niet aan zijn “trekken” komt en op een gegeven moment zichzelf niet meer kan beheersen. Het “ich” is zich niet bewust van die onbewuste frustraties en het Über-ich (geweten) weet voorlopig nog wel het leven in bedwang te houden (zelfdiscipline), maar wanneer de frustratie te hoog oploopt, moet het eruit. Net als in de film Fight Club zien we de onbewuste neigingen van mensen, frustraties etc., die er toch op de een of andere manier uit moeten.
Op pagina 242 wordt gesproken over het “monsterverbond”. Stel je voor je bent de baas van een reclamebureau. Je wilt een bepaald product verkopen. Laten we zeggen dat je als leraar het vak filosofie wilt verkopen aan je leerlingen :). Je vraagt aan leerlingen wat ze willen. Ze geven van alles aan. Ze zijn zich bewust van wat ze willen (ich) en weten ook wat op school wenselijk is (Über-ich). Veel scholen houden bijvoorbeeld leerlingenquetes en vragen ouders om hun opvattingen, net als leraren overigens. Dit is over het algemeen de manier hoe veel mensen denken. Maar stel je eens voor dat Freud gelijk heeft. Leerlingen, leraren, ouders, schooldirecteuren hebben onbewuste (seksuele) neigingen waar ze dus allemaal geen weet van hebben. Jij als leraar/reclamemaker gaat vervolgens niet vragen naar de bekende weg (wat wil je als leerling), maar je gaat massaal onderzoeken welke verborgen en onbewuste verlangens leerlingen hebben. Je komt erachter dat ze allemaal extra aandacht geven aan foto’s van het achterwerk van Kim Kardashian en bij het zien van een naakte vrouw die aan het kantklossen is, terwijl ze aan een lolly zucht (ik noem maar iets heel fouts en denigrerends en moreel verwerpelijks). Je gaat vervolgens onderzoeken hoe je het beste lesprogramma kunt maken die aansluit bij de (onbewuste) behoeftes van leerlingen. Vragen met bronnen waarin naakte vrouwen komen met lolly’s, etc. verpakt in een “formeel” jasje en waarbij je als leraar achteraf natuurlijk vraagt hoe de leerlingen het programma vonden en speciaal de lesstof. De leerlingen zeggen misschien, de lesstof was heel goed, maar stiekem weet jij als onderzoeker dat het niet de lesstof is, maar de foto’s en de lolly’s die leerlingen aanspreekt. Zo manipuleer je mensen zonder dat ze het zelf weten. Zo maak je van consumenten slaven van de verleiding.
In de laatste alinea op pagina 242 wordt gesproken over de verdamping van het kernprobleem. Het onbewuste gedrag wordt door onderzoek bewust gemaakt (denk aan fake news en de Trump-campagnes). Alleen weten de consumenten veelal zelf niet hoe hun onbewuste gedrag concreet is gemaakt en wie deze informatie heeft (denk aan de grote 5 van van Silicon Valley). Hoeveel macht hebben Microsoft, Apple, Facebook, Amazon en Google? Hoeveel weten ze over “Es”, over het onbewuste, over mijn en onze onbewuste neigingen? Hoe dichter ze bij de “waarheid” komen, hoe problematischer. We zijn dan gevoelig voor onbewuste manipulatie. Ons lichaam kan dan gestuurd worden op bepaalde hoogte. De vraag blijft natuurlijk of we überhaupt in staat zijn om bewust iets te weten te komen over het onbewuste. De Theory U en de IJsbergtheorie is heel populair tegenwoordig. Deze theorieën stellen dat er veel onbewust gebeurt in onze geest, maar dat we dit kunnen “openbaren” via introspectie/zelfinzicht. Dit lijkt ook op wat de grote 5 van Silicon Valley pogen te doen: het inzichtelijk maken van het onbewuste. Het is maar zeer te vraag hoever wij hierin gaan komen, maar daarmee niet minder relevant als thema!

Als laatste is het belangrijk om de derde paragraaf van pagina 242 over de jaren 60 te duiden! Wanneer iemand aanneemt dat de mens onbewuste neigingen heeft en vervolgens ook gaat definiëren wat de oorzaken zijn van deze neigingen (onderdrukte seksualiteit), dan kun je ook een platte regel (norm) opstellen waarbij je bijvoorbeeld zegt dat monogamie afgeschaft moet worden en dat kinderen niet meer onderdrukt moeten worden, maar juist vrijgelaten moeten worden zodat ze geen uitbarstingen (zie Fight Club) meer krijgen. In het onderwijs zien we deze richting ook wel terug bij ouders en kinderen die stellen dat het kind vrij moet spelen omdat het anders gevoelens en neigingen gaat onderdrukken en dat is heel ongezond en slecht. Let wel op! Wanneer je zo normerend naar het onbewuste kijkt, dan moet je al aannemen dat er veel onbewust gebeurt. Je moet ook weten wat er gebeurt en je bepaalt vervolgens ook dat dit bij iedereen gebeurt.

De paradox bestaat dat de vrije mens aanneemt dat er onbewust van alles gebeurt. Dat de vrije mens ook weet wat er gebeurt. Dit wordt dan een nieuwe maatschappelijke norm: het Über-ich (geweten) stelt dat het goed is om je (seksuele) gevoelens niet te onderdrukken en de grote bedrijven en reclamemakers proberen hierop in te spelen omdat je zo producten kunt verkopen.


55. De kandidaten kunnen het onderscheid dat Arendt maakt tussen arbeiden, werken en handelen uitleggen, toepassen en evalueren.
Daarbij kunnen zij uitleggen dat volgens Arendt in de moderne consumptiemaatschappij arbeiden dominant is geworden.

Arendt onderscheidt drie basiselementen voor het mens-zijn (vita activa):

I. Arbeid
II. Werk
III. Handelen

Arbeid: noodzakelijk handelen gericht op het overleven in een natuurlijke omgeving (eten verbouwen, etc.)
Werk: creëren van nieuwe zaken zoals een gebouw, technieken, etc.
Handelen: nieuwe initiatieven samen met anderen (vraagt om een moreel-ethische stellingname – wat is het goede om met elkaar en voor elkaar te maken?)

Arbeid is het laagste werk. Bij de oude Grieken zijn dit soort handelingen voor onvrije mensen zoals vrouwen en slaven.
Werk draait om het creëren van technieken. Niet zelden technieken die voort blijven bestaan ook als de maker sterft. Technieken die ons leven in de natuur makkelijke maken. Technieken die ervoor kunnen zorgen dat we nog minder arbeid hoeven te verrichten. Technieken kunnen ook destructief zijn (atoombom), maar ook helpen (betere landbouwtechnieken en zorg). Door werk ontworstelt de mens zich van de natuur.
Handelen draait om het politieke en dus om macht. Mensen bepalen samen (diegenen met meer macht bepalen meer) wat voor werk wenselijk is (geen massavernietigingswapens maar betere zorg bijvoorbeeld).

Handelen is waar vrijheid is om samen met anderen vorm te geven aan de wereld met elkaar gericht op waar we samen heen willen. Het handelen van mensen kan ook het werk in de weg zitten. Denk hierbij aan de techneuten die geen arbeid verrichten, maar een nieuwe machine aan het programmeren zijn omdat ze het gaaf vinden om te programmeren. Maar wanneer ze niet nadenken over de gevolgen en/of wanneer de samenleving bepaalt dat ze deze machine niet willen (te gevaarlijk of gewoon niet nuttig), dan kan de werkende techneut boos worden omdat hij niet kan creëren. Hij kan dan het gevoel hebben niet vrijgelaten te worden in zijn of haar streven iets te creëren. Vrijheid zit niet, in lijn met Arendt, in het creëren van iets, maar dus in het politieke spel waarbij we samen bepalen wat het goede is… in het ethische handelen dus!

Problematisch is, zoals Arendt analyseert een paar honderd jaar na Locke, Marx en Hegel, het gegeven dat de protestantse ethiek (zie week 6 over de opkomst van het protestantisme en burgerrechten) heeft gezorgd voor juist het centraal stellen van de arbeidsethos: het is goed om hard te werken. Zo vergaat je bezit en kun je als autonome burger worden wie je wil worden. Hoeveel mensen zijn wel niet opgevoed met het idee dat arbeid “vrij maakt”? Cynisch genoeg staat bij binnenkomst van het concentratiekamp Auswitch: “Arbeit macht frei”. Het is niet per definitie verkeerd om hard te werken, maar het protestantisme ten tijden van Locke en later Marx (Marx zette de arbeider zelfs centraal – de arbeider moet zich bewust worden van zijn noodzakelijke plek in de samenleving en dan in opstand komen), zetten het harde werken, de arbeid specifiek, centraal.
Het is misschien een beetje plat, maar wellicht toch verhelderen. Loop eens door de school en kijk naar leerlingen en leraren. Creëren ze iets nieuws (werk), zijn ze aan het handelen (ethiek en onderlinge afstemming) of doen ze dingen die louter noodzakelijk zijn (arbeid)? En in hoeverre zijn deze zaken echt noodzakelijk? Een van de mogelijke kritieken op Marx zou ook kunnen zijn of er nog wel echte noodzaak bestaat. Is er nog wel zoiets als arbeid? Toch kan ik me niet van de indruk onttrekken dat ik vaak mensen zogenaamde noodzakelijkheden die doen, die ze zelf noodzakelijk vinden, maar waarbij het nut onduidelijk is. Mensen die 10x per dag (verslaving) schoonmaken of ’s avonds nog even een schoolopdracht in elkaar gaan zetten of weer controleren of het stappenplan voor morgen duidelijk is. Er zijn zelfs mensen die figuurlijk gesproken met de hamer door de straat lopen, hopende ergens iets vast te kunnen timmeren.

Loop dus eens door de school. Wat denk jij? Had Hannah Arendt een punt toen ze aangaf dat de oude Grieken qua ontwikkeling op het gebied van het mens-zijn verder ontwikkeld waren dan de moderne mens in de hedendaagse consumptiemaatschappij?

Primaire tekst (12): Hannah Arendt – De menselijke conditie
59. De kandidaten kunnen uitleggen dat Arendt de kunstenaar de enige overgebleven ‘werker’ in een maatschappij van arbeiders noemt en dat in de moderne tijd alle activiteiten van de mens die geen arbeid zijn, spel of hobby genoemd worden.

Arendt (p. 428) stelt dat “we er bijna in zijn geslaagd alle menselijke activiteiten te herleiden tot die ene activiteit”. Deze activiteit bestaat uit het in overvloed verschaffen van middelen (producten) (voor consumptie). Mensen worden arbeiders. Arbeiders maken producten. Hoe harder arbeiders werken, hoe meer producten ze kunnen maken, hoe meer geld ze kunnen verdienen en hoe meer ze weer kunnen consumeren.
De mens wordt geacht “de kost te verdienen” (p. 428).
Arbeid is de serieuze activiteit waarvan het resultaat niet interessant is, behalve dat het geld oplevert (voor consumptie) door verkoopbare producten te maken (de kwaliteit doet er niet toe en ook niet wie het product consumeert. Wat telt is dat het geconsumeerd wordt).

Het enige “beroep” wat niet gericht is op de kost verdienen en productie, is het beroep van de kunstenaar. De kunstenaar werkt aan iets nieuws. Hij (of zij) probeert iets te creëren omwille van de creatie en niet omwille van de noodzakelijkheid om geld te verdienen om te kunnen consumeren.
Hier ontvouwt zich het verschil tussen de arbeider en de werker! Echter, in de moderne samenleving staat, sinds Locke, Smith en Marx, het arbeidersideaal en haar protestantse werk-/arbeidersethiek centraal met als gevolg dat het werken aan iets nieuws gelijkgeschakeld wordt aan een hobby. Twee jaar geleden was minister Wiebes te gast bij het tv-programma Zomergasten. Wiebes werd gevraagd naar zijn opvatting over kunst en kunstsubsidies. Zijn antwoord was: “De ene hobby is niet beter dan de andere.” Arendt lijkt een punt te hebben wanneer ze op pagina 429 analyseert hoe het spel (van de kunstenaar) zijn “wereldse betekenis” heeft verloren. Verloren aan het arbeidsideaal voor wie maar één activiteit telt: hard werken (arbeiten) om het werken (niet omwille van wat je wilt creëren) en de rest is vrije tijd/hobby… De homo ludens (spelende mens) is een leuke hobby, maar niet het primaire doel van een samenleving waarin de arbeider hard moet arbeiten.

60. De kandidaten kunnen uitleggen dat Marx’ ideaal van de animal laborans volgens Arendt op een verkeerde vooronderstelling berust en dat dit ideaal noodzakelijk leidt tot een economie van verspilling, waardoor de mens uiteindelijk zijn tehuis zal verliezen. Tevens kunnen zij deze opvattingen van Arendt herkennen, toepassen en beoordelen.

Marx stelde dat wanneer de Arbeider bewust zou worden van zijn noodzakelijke positie, dat deze in opstand zou komen en de macht naar zich toe zou trekken. De arbeider verricht het noodzakelijke werk. Zonder de arbeider, is er geen leven mogelijk. Marx, zo stelt Arendt, ging er wellicht vanuit dat de arbeider zijn macht zou inzetten om ook als een kunstenaar aan het werk te gaan door nog betere technieken te bouwen, waardoor er minder lagere arbeid nodig is. En uiteindelijk zou de Arbeider via politiek dus bepalen/handelen in lijn met wat het goede is om te doen.

Maar, zo stelt Arendt, deze hogere bevrijding van de Arbeider heeft niet plaatsgevonden. Een nieuwe onvrijheid is hierdoor juist ontstaan. De arbeider moest hard gaan werken om zichzelf te bevrijden van het juk van de bourgeoisie. In werkelijkheid zorgde dit voor arbeiders die harder gingen produceren om nog meer geld te verdienen om nog meer te consumeren. Omdat er nog meer werd geconsumeerd, moest er nog meer worden geproduceerd, waardoor de arbeiders nog harder moesten werken. Waardoor de arbeiders nog meer geld gingen verdienen voor consumptie, waardoor er nog meer producten geproduceerd moesten worden, etc. etc. Het mag duidelijk zijn dat hier 1. geen sprake is van een manier van werken waarbij de kunstenaar voorop staat, 2. het politieke debat nauwelijks wordt gevoerd omdat individuen vooral bezig zijn met nog harder produceren om nog meer en sneller te consumeren, 3. waardoor er een armoedige samenleving/cultuur ontstaat die de samenleving en de natuur (te veel consumptie) verbruikt (met nauwelijks ruimte voor mensen die met elkaar vorm geven aan de wereld maar vooral voor zichzelf produceren en consumeren) en 4. de mens en zijn cultuur niet alleen minder ontwikkeld lijkt te zijn in vergelijking met de Oude Grieken, maar ook nog eens in een vicieuze cirkel is beland met alle mogelijke gevolgen van dien. En als laatste is een wereld waarin één visie op het active leven (vita activa) in termen van de mens die arbeid verricht, een wereld zonder andere perspectieven en visies. Een wereld zonder een diversiteit aan visies en denken, is een wereld die totalitair kan worden. Totalitarisme/fascisme/nazisme kan niet bestaat in een pluriforme wereld met een diversiteit aan visies en denkwijzen. In de moderne tijd dreigt de arbeidsethiek en het daaraan gekoppelde vicieuze cirkel van productie en consumptie dé visie op samenleving te worden.

Hannah Arendt omschrijft in dit artikel de voorboden van de consumptiemaatschappij… een vicieuze product- en consumptiepatroon, gebouwd op een protestantse arbeidsethiek die door vrijwel iedereen op individueel is overgenomen en waar nauwelijks nog aan getornd wordt. Ze is wellicht een van de strijders voor de natuur en de mens avant la lettre!

Introductieles 3VWO

1. Wat voor vragen komen er op zo’n toets?
Ik voorzie je hierbij van een aantal voorbeeldvragen uit verschillende toetsen uit leerjaar 4, 5 en 6. Ik hoop wel dat je begrijpt, dat je zonder kennis en studie deze vragen waarschijnlijk niet zo makkelijk kunt beantwoorden. Gemiddeld halen leerlingen een 6,5 en variëren de examenresultaten gemiddeld tussen een 6,3 (vorig jaar) en een 8,2 (twee jaar geleden).
 
In leerjaar 4 krijg je bijvoorbeeld voor het onderdeel Logica de volgende vraag (ik ga het antwoord natuurlijk nog niet geven 😊):

Vraag 1:
In een stadje, laten we het stadje maar Sevilla noemen, woont een kapper, laten we zeggen; een barbier. Dit verhaaltje gaat over de barbier van Sevilla.

Deze barbier is niet zo geliefd bij het stadsbestuur; de bestuurders zien hem liever gaan dan komen. Dit stadsbestuur doet de barbier een doortrapt voorstel: hij moet voortaan tegen een gigantisch jaarsalaris uitsluitend alle mannen in Sevilla die zichzelf niet scheren, scheren.  Als hij dat doet zal hij een riant jaarsalaris verwerven, maar houdt hij zich niet aan de opdracht, dan zal hij de stad uit moeten…… Gretig stemt de barbier toe. Hij ziet een zorgenloze oude dag voor zich. Midden in de nacht vlucht hij echter de stad uit ……… Weet jij waarom?

In leerjaar 5 krijg je bijvoorbeeld wetenschapsfilosofie. Een van de zes vragen op de toets was vorig jaar:
Vraag 7. Overweging
Overweeg het volgende statement: Wetenschappelijke kennis is nauwkeurig opgebouwd met behulp van de natuurwetenschappelijke methode. Objectieve kennis over de natuurlijke wereld is gebaseerd op feiten die ons gegeven zijn op basis van gekleurde observaties en gebonden zijn aan wetenschappelijke theorieën. Wetenschappelijke theorieën zijn voortgekomen uit feiten en logische redenering.

  1. Hoe zou Thomas Kuhn reageren op dit statement? Welke kritiek zou hij leveren? Reageer specifiek en helder.
  2. Hoe zou Paul Feyerabend reageren op dit statement? Welke kritiek zou hij leveren? Reageer specifiek en helder.
  3. Als iemand je zou vragen naar een demarcatiecriterium, wat voor antwoord zou je dan geven?

In leerjaar 6 krijg je het thema “De vrije markt & het goede leven”. Een van de vijf vragen op de laatste toets was:

Nederlandse groei overtreft die van alle buren: Duitsland niest, maar Nederland is nog niet verkouden De Nederlandse economie groeit lekker door, harder dan in Frankrijk en België. En dat terwijl in Duitsland een recessie dreigt. Kan het idee dat Nederland economisch gezien een deelstaat is van Duitsland bij het oud vuil? Peter de Waard14 augustus 2019, 17:17

Vraag 1: Bespreek en bekritiseer vanuit Nussbaums “capabilities approach” de heersende opvatting, zoals onder andere wordt verondersteld in het bovenstaande krantenbericht, dat het bruto nationaal product (BNP) als criterium voor het goede leven kan worden gehanteerd.
– Werk vervolgens alternatieve criteria/dimensies uit voor het goede leven.

2. Is Filosofie levensbeschouwing level 2?
Een van de zes thema’s van filosofie op het VWO is het thema ethiek. Het thema ethiek komt ook terug bij het schoolvak levensbeschouwing. Echter, de filosoof is niet alleen geïnteresseerd in het herhalen van ethische theorieën zoals deze staan omschreven in veel lesboeken. De filosoof probeert het gedrag van mensen te observeren, maar ook vooral duidelijk te krijgen wat mensen doen en waarom ze zich op een bepaalde manier gedragen om vervolgens te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om het “juiste” te doen. Uiteindelijk draait ethiek niet alleen om de ethische theorieën, maar om het persoonlijke onderzoek naar wat het juiste is om te doen. Sommige filosofen zeggen zelfs hele extreme dingen. Bentham zegt bijvoorbeeld dat we altijd moeten streven naar zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen. Hoe we dat dan moeten doen… dat blijft de vraag. De filosoof Nietzsche zegt zelfs dat wat mij niet ombrengt/doodt, mij sterker maakt. Er valt enorm veel te onderzoeken als het om het juiste handelen en denken van mensen gaat. De filosofen kunnen ons hierbij vooruit helpen en wij mogen op de schouders van deze filosofische reuzen gaan staan!

Je kunt nog veel meer vinden op mijn website: http://filosofie.gruijthuijzen.nl

3. Had Socrates een hekel aan leraren en waarom?
Op wikipedia staat: “En evenals de sofisten vond Socrates het gesproken woord belangrijk, maar met de invulling die hij hieraan gaf zette hij zich juist tegen hen af. De nadruk die sofisten legden op “gelijk krijgen” in plaats van “gelijk hebben”, leidt volgens Socrates tot een cynische opvatting over het leven, waarin waarachtigheid en ethiek ondergeschikt zijn. Het belang dat de sofisten hechtten aan overtuigingskracht en welsprekendheid als doel op zich, verraadt slechts een gebrek aan inzicht in de waarheid in de vorm van objectieve en algemeen geldende maatstaven om het menselijk gedrag aan te beoordelen. De pretentie van de sofisten om leerlingen een juiste levenshouding bij te brengen kan dan volgens Socrates niet worden waargemaakt.” (https://nl.wikipedia.org/wiki/Socrates_(filosoof)#Socrates_en_de_sofisten)

Het woord, het gesprek en de discussie is voor zowel Socrates als de sofist belangrijk. Socrates heeft het niet zo op de sofist. Een sofist wil gelijk krijgen en niet zozeer hebben. De vraag die ik me stel is of leraren ook gelijk willen krijgen, zoals een sofist dat ook graag wil. En zijn alle sofisten leraren en alle leraren sofisten? Ik denk dan aan de leraar die met het boek in de hand en overtuigd van het eigen gelijk, leerlingen vertelt wat “waar” is. Dit type leraar doet alsof het boek of zijn of haar mening heilig is. Alsof de waarheid niet ergens (anders) gevonden kan worden. Een sofist/leraar kan het gelijk ook krijgen door machtsmiddelen in te zetten. Denk hierbij aan de taak van leraren om cijfers uit te delen, voldoendes en onvoldoendes. Socrates zou het uitdelen van cijfers denk ik dit niet vanzelfsprekend vinden. Een cijfer wordt gebaseerd op een antwoordvel en dat antwoordvel moet dan wel echt perfect zijn. Ook ik denk dat het perfecte antwoordvel en het perfecte antwoord niet zo vanzelfsprekend is. Ik zal niet zeggen dat het niet bestaat, want dan moet je beter zoeken. Maar ik wil wel zeggen dat ik tot op heden nog geen perfect antwoordvel gezien heb. Dat wil niet zeggen dat het niet bestaat, maar dat ik mijn oordeel en wens voor het perfecte antwoordvel voorlopig nog moet uitstellen. Door middel van het stellen van vragen probeert Socrates te zoeken naar waarheid (en zo ook bijvoorbeeld het perfecte antwoordvel en de perfecte toets). Hij neemt geen genoegen met makkelijke antwoorden uit boeken van Sofisten die machtsmiddelen, straf en punten inzetten om “gelijk te krijgen”. Socrates wil geen gelijk krijgen. Hij stelt vragen, zodat hij wellicht op een gegeven moment het gelijk heeft gevonden. Gelijk krijgen is iets anders dan gelijk hebben. De filosoof blijft altijd kritisch zoeken naar de waarheid. Een filosofieprofessor zei ooit eens dat de adviseur de waarheid verkoopt alsof hij deze bezit. Deze adviseur leeft van het verkopen van waarheid. De grap is dat deze adviseur om de zoveel jaar een andere waarheid verkoopt. De adviseur lijkt zo vooral op iemand die zijn of haar waarheid wil verkopen en gelijk wil krijgen. De filosoof is niet zozeer een adviseur (al kan de filosoof wel deze rol aannemen), maar iemand die zoekt naar de waarheid.

Dus had Socrates een hekel aan leraren? Wat denk jij? Ik heb dit wel gezegd, maar eigenlijk kun je ook aan mijn uitspraken twijfelen. Iemand die een hekel heeft aan iets of iemand anders, moet toch wel vrij zeker zijn van zijn of haar mening. Ook aan de eigen mening moeten we denk ik twijfelen. Dat is voor veel mensen misschien wel het moeilijkste en het meest leerzaam. Het gaat denk ik niet alleen om wat je weet, maar dat je wil weten. Het gaat denk ik ook niet om hoe slim je bent, maar om hoe slim je kunt worden. Misschien probeer ik jullie ook wel te veel te overtuigen van mijn gelijk. Misschien probeer ik met deze reacties en antwoorden wel te veel mijn gelijk te krijgen en laat ik stiekem zien dat ik zelf een sofist ben (geworden). Een filosoof die na 18 jaar onderwijservaring een leraar is geworden.

4. U vertelde dat filosofen een hekel aan leraren hebben. Toch bent u een filosoof en een leraar. Heeft u ook een hekel aan uzelf?
Haha, ja soms wel 😊. Ik zou deze vraag graag verder willen uitdiepen als dat mag! Laat ik Aristoteles aanhalen. Aristoteles gaf aan dat het goede leven een kwestie is van het juiste midden zoeken tussen twee uitersten. Stel je voor er gebeurt iets ergs op straat. Iemand wordt aangevallen door twee gewapende jonge mannen (mogen ook vrouwen zijn). Ik kan wegrennen en ik kan ook meteen zelf ten aanval gaan. Wat ik van Aristoteles heb geleerd is dat het wegrennen wel een beetje laf is, maar dat het meteen ten aanval gaan erg overmoedig is. Met overmoedig bedoel ik overdreven moedig en wellicht zelfs dom. Het is niet ondenkbaar dat ik zelf het slachtoffer wordt van geweld. Wat is nu het juiste midden, vraagt Aristoteles zich af. Deze vraag, zet mij aan een afweging te maken tussen lafheid en overmoed. Wat is het juiste om te doen? Ik denk dat ik de telefoon zou pakken en 112 zou bellen en ondertussen mensen om mij heen zou vragen dat ook te doen. Samen sta je sterker en daders gaan niet snel een grote groep mensen aanvallen.

Wat heeft dit voorbeeld (we noemen dit ook wel een gedachte-experiment) met de oorspronkelijk vraag te maken? De filosoof Hegel is een van de grondleggers van de dialectiek. Dialectiek is volgens de encyclopedie een “systematische manier van denken die gebruik maakt van een gedachte en het tegenovergestelde ervan om tot een standpunt te komen”. (https://www.encyclo.nl/begrip/dialectiek) Deze definitie is misschien iets te kort door de bocht, maar laten we voor nu even deze definitie hanteren.

Wat zijn dan de tegenovergestelde standpunten/mogelijkheden? In het geval van de aanval, zijn er twee tegenovergestelde mogelijkheden: lafheid en overmoed. Ik weet al vrij snel wat in deze situatie laf en wat overmoedig gedrag is. En vervolgens ga ik nadenken over wat het goede is om te doen.

Ik kom nu tot de kern. Ik ben leraar, een Sofist zoals Socrates zou zeggen, en een filosoof. Het is niet zo dat Socrates, als Godfather van de filosofie, ook meteen alles bepalend is voor de filosofie. Er zijn genoeg filosofen die wel waardering hebben voor de Sofist. Maar je stipt wel een worsteling/tegenstelling aan. Enerzijds wil ik vragen blijven stellen en het wezen van de filosofie en de liefde voor wijsheid recht doen (filosoof zijn) maar anderzijds moet ik leerlingen en studenten ook uitleggen hoe het zit en ze cijfers geven en eigenlijk afrekenen volgens het nakijkmodel wat ik bij elkaar gefantaseerd heb en waarvan ik hoop dat mijn fantasie klopt met wat de eisen zijn van mijn vak en waar iedereen mee kan leven (leraar/sofist zijn). Soms zou ik het liefste hele dagen met mensen al wandelend vragen stellen over van alles en nog wat. Maar aan de andere kant is het ook fijn als we duidelijke regels en doelen hebben, dan weet ook iedereen waar ze aan toe zijn. Ik probeer, geïnspireerd door Aristoteles, iedere dag weer het juiste midden te vinden en ik blijf zoeken… Weet je wat grappig is?
Misschien wordt het duidelijker wanneer we de coach en de leraar op school vergelijken met elkaar. Aan de ene kant staat de leraar die in de les vertelt hoe “het” (zijn vak) zit en aan de andere kant staat de coach die niet vertelt hoe “het” zit, maar die geïnteresseerd in jou als mens vraagt hoe het gaat en wat jij wil en waarom. Zelfs op onze school zie je deze worsteling tussen de coach en de leraar. Begrijp je wat ik bedoel? Misschien is deze worsteling juist ook wel mooi… dan blijven we zoeken en leren! Bij de vraag verderop “Wat is de luis in de pels?” laat ik niet voor niets een foto zien van een worstelend varkentje 😊. Op een gegeven moment kom je erachter dat de filosoof het worstelen leuk vindt. Het is gewoon gaaf om te leren, te denken en vragen te stellen!
(Helaas, dat vind ik persoonlijk, leren we kinderen van jongs af aan af om zelf te denken. Veel kinderen moeten zich al vrij vroeg “gewoon” gedragen. Wist je dat een kind rond het vierde jaar 10x meer vragen stelt per dag dan een kind rond het achtste jaar… jammer toch? Waar is die verbazing en interesse gebleven in het leven, de natuur en de wereld om ons heen? Soms hoor ik ook wel eens van collega’s dat we leerlingen meer “ruimte” moeten geven om zelf te kiezen. Ik ben het daar maar gedeeltelijk mee eens. Ik vind dat we tijdens het opvoeden van kinderen vooral naar ons zelf moeten kijken (reflecteren/spiegelen) en we aan ons zelf moeten vragen hoeveel ruimte we eigenlijk van kinderen willen innemen… dan hoeven we later deze kinderen geen ruimte meer terug te geven. Hetzelfde geldt voor leraren overigens. Vaak hoor ik schooldirecteuren door het hele land de vraag stellen hoe ze leraren zover krijgen dat ze iets gaan doen (ze noemen dit dan teacher leadership of krachtig leraarschap)… Ik denk dan wel eens… iedereen, dus ook leraren, hebben duizenden vragen gesteld… misschien moeten we niet meteen antwoord geven, maar ze de ruimte geven om zelf op zoek te gaan. Laat ze worstelen en omarm het worstelen. De vraag van een schooldirecteur hoe ze leraren zover kunnen krijgen iets te gaan doen, verraadt eigenlijk al dat ze een idee hebben hoe dit “iets” eruit moet zien. Dus stiekem wil zo’n directeur (bewust of onbewust) een bepaalde richting op. Dit geldt denk ik ook voor leerlingen. Hier doe ik dus ook veel onderzoek naar 😊, naar eigenaarschap en teacher leadership).

5. Hoe lang doe je al onderzoeken?
Ik ben ergens in 2011 begonnen met een onderzoek naar krachtig meesterschap. Dit heeft uiteindelijk ook geleid tot een publicatie.

Na deze publicatie ben ik onderzoekscoördinator geworden. Ik zat toen nog niet op het Udens College. Ik heb drie jaar leraren en studenten begeleid tijdens hun (afstudeer)onderzoeken op school. Sinds een paar jaar ben ik ook onderzoekscoördinator op het Udens College. Daarnaast ben ik sinds twee jaar trainer bij Trainees in Onderwijs, waar ik afgestudeerden van de universiteit “train” om een tweejarig universitair leraarsprogramma te doorlopen. Ik train vooral door vragen te stellen met als doel onderzoeksvragen en doelen helder te krijgen. Veelal gaan deze vragen over uiteenlopende schoolontwikkelingsvraagstukken. Daarnaast verzorg ik colleges over ondernemerschap, netwerken en les- en curriculumontwerp. Als laatste verzorg ik de cursus persoonlijk leiderschap waar ik op onderzoeksmatige wijze probeer trainees/studenten daar te krijgen dat ze zelf het heft in handen nemen en “eigenaar” (ik vind persoonlijk het woord eigenaar en eigenaarschap een beetje stom, maar ik hoop dat je begrijpt wat ik bedoel) worden van het eigen leven/leren.

6. Wat is een basisgroep?
Goede vraag. Ik kan hier nog geen helderheid over geven. Ik weet wel wanneer verschillende basisgroepen zijn ingeroosterd. Ik weet ook wel wie aanwezig zijn (mijn coachleerlingen). Ik weet misschien ook wel wat er door een aantal collega’s wordt gedaan tijdens een basisgroep. Maar ik merk ook dat alle leerlingen en leraren de basisgroepen anders invullen. De essentie, de oorspronkelijke vorm, het perfecte idee van de basisgroep heb ik nog niet gezien en/of gevonden. Dit geldt ook voor de perfecte les, de perfecte leraar en/of leerling/ouder, etc.

Ik denk dat de bedoeling van een basisgroep is, dat de leerlingen in een vaste groep de dag samen starten om vervolgens de dag- en weektaken te plannen die zijn opgegeven door de docenten. Daarnaast zal de basisgroep ook wel een sociale functie hebben. Het doel is waarschijnlijk om ervoor te zorgen dat leerlingen samen met de coach een band opbouwen en er een hechte groep kan ontstaan. Het is bekend dat vertrouwen in elkaar ook te maken heeft met de mate waarin mensen met elkaar omgaan. Dus ik denk dat het oorspronkelijke idee (de oorspronkelijke oervorm) is dat we vanuit vertrouwen werken met elkaar naar een hechte groep die de dag opstart. In de praktijk denk ik niet dat dit altijd zo werkt. Wanneer we ook kijken naar het speculaasje, dan zie je dat de uiteindelijke vorm nooit precies past bij de oervorm: de oorspronkelijke bedoeling. Dit kan denk ik ook niet anders. Een aantal dingen wil ik hier wel op zeggen aan de hand van een foto die ik heb gemaakt tijdens een onderwijsconferentie (Eapril) in Tartu, waar ik zelf ook moest presenteren. De onderstaande foto laat zien dat het leren van studenten wordt beïnvloed door de leerlingen waar ze naast zitten. Een aantal dingen weten we uit onderzoek. Leerlingen die niet naar school gaan, scoren soms beter dan leerlingen die wel naar school gaan. Leerlingen die wel naar school gaan maar naast leerlingen zitten die niet gemotiveerd zijn om te leren, halen slechtere resultaten. Aan de andere kant halen leerlingen die naar school gaan en naast gemotiveerde leerlingen zitten, juist betere resultaten. Relaties met medeleerlingen zijn dus enorm belangrijk voor het leren. Dit is een inzicht die mij niet zelden aan het denken zet. Neem nu bijvoorbeeld de filosofieles van woensdag. Een aantal leerlingen waren niet gemotiveerd, waardoor ze eigenlijk voor een aantal andere leerlingen het succes dreigden weg te nemen. Ik vraag me dan na de filosofieles af, wat ik hieraan kan doen als leraar. Een negatieve houding heeft invloed op alle leerlingen. Dit vind ik dan doodsonde. Alle leerlingen verdienen een goede les met een positieve insteek. Alle leerlingen moeten namelijk een goede keuze kunnen maken aan de hand van een interessante en zo compleet mogelijke introductieles. Maar ik weet ook dat het anders kan. Ik heb ieder jaar een groepje enorm enthousiaste filosofieleerlingen die elkaar ophitsen om op natuurlijke wijze beter te worden en meer vragen te stellen! Het tweede wat ik wil zeggen is dat motivatie niet uit de lucht komt vallen. Leerlingen die voelen dat ze iets kunnen, ontwikkelen ook meer motivatie. Ik ben persoonlijk niet zo van het positief coachen, waarbij je altijd zegt dat iets goed is (ook al is het niet zo goed). Ik denk dat ieder kind aanvoelt wanneer een leraar meent wat hij of zij zegt en wanneer niet. Ik denk dat we beter kunnen zoeken naar uitdagingen die voor een leerling niet onmogelijk zijn maar wel tot denken aanzetten en motiveren. En als het dan lukt, dan ben ik niet alleen complimenteus, maar dan kan ik soms zelfs een beetje ontroerd zijn of worden door het mooie werk wat leerlingen hebben geleverd. De filosoof Nietzsche zei ooit eens heel mooi dat de grootste beloning voor de leraar een leerling is die beter wordt dan de leraar zelf!

Ik hoop dus als leraar geïnteresseerd te blijven in onderwijs en ook de ontwikkeling van basisgroepen. Ik wil graag met iedereen die wil hierover in gesprek gaan. Ik vraag me bijvoorbeeld af je vertrouwen in elkaar en het opbouwen van een band alleen tijdens een opstart/basisgroep kunt ontwikkelen of dat dat ook kan tijdens mooie lessen waarbij leerlingen met elkaar aan de hand van een door leraren gestuurde les werken aan een mooi product of idee. Ik denk dat vertrouwen en relatie vele dimensies kennen en vele vormen. Voor mij is die ene vorm (basisgroepen) niet het uitgangspunt, maar het oorspronkelijke idee (vertrouwen en relatie). Ook hier geldt weer de metafoor van het speculaasje. Vertrouwen is de oervorm en het oorspronkelijke idee en een basisgroep is een van de vele vormen. Ik ben niet zozeer geïnteresseerd in de specifieke vorm, maar in de oervorm. In hoeverre stimuleren de basisgroepen op het Udens College het vertrouwen van en de relaties tussen leerlingen en leraren en wat zijn daarbij de belemmerende en stimulerende factoren? Dit zou een mooie onderzoeksvraag kunnen zijn :).

Maar ik blijf dus geïnteresseerd. Althans ik probeer geïnteresseerd te blijven en ik hoop dat me dat aardig lukt. Ik probeer niet te oordelen over bijvoorbeeld een basisgroep. Wat heb ik eraan om iets af te keuren of goed te keuren? Word het onderwijs op het Udens College daar nu echt zoveel beter van? Voel je vrij om hier met mij over in gesprek te gaan. Misschien kunnen we elkaar vooruit helpen!

Een aantal filosofische citaten blijven me altijd bij: “Het niet onderzochte leven is het niet waard te leven”, “Ik ben voor mijzelf een vraag geworden” en “Durf te denken!”.

Laten we onderzoeken wat we onder een basisgroep verstaan en of een basisgroep het oorspronkelijke doel bereikt. Laten we met elkaar niet zomaar in gesprek gaan, maar echt systematisch analyseren waar we staan en wat we willen. Laten we ook ons zelf onderzoeken en specifiek de vooroordelen in positieve en negatieve zin die we hebben over basisgroepen?

Laten we durven denken en ons bevrijden van allemaal ideeën die vooral het denken in de weg zitten.

7. Wat is het NRO?
Ik ben lid van de programmacommissie Lerarenagenda (https://www.nro.nl/onderzoeksprojecten/lerarenagenda/#1501498456991-fa815edb-f32e) binnen het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO). Het NRO wordt gefinancierd door het Ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap). Het NRO verdeelt honderden miljoenen euro’s aan onderzoeksgeld aan wetenschappers. Ik zit in een commissie als lid waarbij ik mede bepaal (met 4 andere leden) waar zo’n 10 miljoen per jaar van dat geld naartoe gaat en of het goed terecht is gekomen en wat we kunnen met de publicaties. Gisteren kwam bijvoorbeeld een publicatie uit over het beroepsbeeld van de leraar: https://www.beroepsbeeldvoordeleraar.nl/drieluik/

8. Wat vind je het leukste onderzoek wat je hebt gedaan? Wat voor onderzoeken doe je?
Moeilijke vraag… Ik werk nu voor het vierde schooljaar voor het Lerarenontwikkelfonds (LOF). Het LOF is een door de tweede kamer gefinancierde samenwerking tussen leraren (zonder directeuren enzo 😊). Dit varieert zo van 1 miljoen euro tot 7 miljoen euro per jaar. Leraren mogen zelf mooie dingen gaan maken met elkaar voor de leerlingen en krijgen hier geld voor om daarmee aan de slag te gaan en worden begeleid. Ik heb vier jaar onderzoek gedaan naar de effecten van het LOF op de persoonlijke ontwikkeling van de leraar en op alles wat ze ontwikkelen. Dit was heel interessant. Je kunt alles wat we hebben gedaan tot nu toe hier vinden: https://www.lerarenontwikkelfonds.nl/activiteiten/onderzoek/

Persoonlijk heb ik twee jaar terug heel veel tijd gestoken in netwerken en hoe mensen relaties opbouwen en netwerken uitbouwen en wat het effect is van een school op het netwerk van leraren en hoe scholen kunnen bijdragen aan beter onderwijs door leraren meer ruimte te geven buiten de school interessante mensen te ontmoeten en kennis op te doen. Ik ben zelf wel trots op deze infographic: https://www.lerarenontwikkelfonds.nl/wp-content/uploads/LOF_infographic_netwerken.pdf

Als je hierover nog meer vragen hebt, dan moet je ze zeker stellen. Verder ben ik nu nog bezig met een groot onderzoek naar het proces van innovaties (vernieuwingen). Dit moet ik nog verder uitwerken.

9. Wat??? Wat zie je hier???
Ooit gaf een Amerikaanse filosofieprofessor als toets aan alle leerlingen een wit vel maar daarop een grote zwarte stip en de vraag: Wat zie je?






























Veel studenten antwoorden dat ze een zwarte stip zagen. De filosofieprofessor reageerde teleurgesteld. Het witte vel was voor 95% wit en slechts 5% zwart in de vorm van een stip. Dat wij zo geprogrammeerd zijn, dat we ons focussen op een kleine zwarte stip, maakt ons blind voor alles wat daaromheen is. Dit is misschien wel de kern van de filosofie. We vinden zoveel vanzelfsprekend, dat we eigenlijk niet meer zien hoe iets werkelijk is. Dit geldt natuurlijk ook voor natuurwetenschappen zoals biologie, natuurkunde en scheikunde. Wetenschappers observeren, maar kunnen door alles wat ze weten ook blind worden voor andere manier van kijken naar de werkelijkheid. Wanneer je helemaal gefocust ben op 1 theorie of idee, dan is het maar de vraag of andere ideeën nog opvallen.

10..Heb je de school van Athene in het echt gezien?
Meerdere keren. De laatste keer dat ik in het Vaticaan museum was, was in 2017. Het was toen meer dan 45 graden. Iedere keer ben ik weer onder de indruk van dit schilderij door Rafael, maar ook van de grootste prestaties van de oude Grieken. Sorry voor mij suffe look trouwens 😊.

11. Wat is de luis in de pels?
De luis is de pels symboliseert iemand die lastig is. Natuurlijk zijn filosofen niet lastig omdat ze dat leuk vinden, maar een filosoof kan lastig zijn voor mensen die denken dingen zeker te weten. Zo zullen er vast wel collega’s, ouders, leerlingen etc. zijn die mijn antwoorden en ook deze vragen lastig vinden. Ik vroeg mij bijvoorbeeld zonet af hoe het komt dat zoveel leerlingen het leuk vinden om tijdens een introductieles filosofie via het online Padlet allemaal foto’s te posten met “grappige opmerkingen”. Ik zou graag vragen willen stellen om erachter te komen waarom al deze leerlingen ongeveer hetzelfde doen (posten). Misschien willen ze graag erkenning of gezien worden of vinden ze dit humor. Ik ben altijd geïnteresseerd in hun beweegredenen. Zelfs de meest grove opmerkingen doen mij niet zoveel eerlijk gezegd, omdat ik de leerlingen niet ken. Ik weet dat het veelal pubers zijn en dat dit ook hoor bij de pubertijd. Niets bijzonders op zich, maar dan nog interessant om vragen te stellen. Dus ik denk dat ik binnenkort maar eens wat leerlingen ga vragen waarom ze zich zo gedragen. Misschien leer ik er iets van 😊.

Ik heb dit vaker gedaan en niet alle leerlingen vinden dit altijd meteen leuk. Ze moeten hier in het begin een beetje aan wennen.

Ik vind zelf deze afbeelding wel treffend.

12. ?????? Wat bedoel je met vragen van jeugd?
Ik weet niet precies wat met deze vraag wordt bedoeld, maar ik denk dat het gaat over de reden waarom Socrates, als luis in de pels, de gifbeker dronk en stierf. Socrates stelde vragen over wat veel mensen (sofisten/leraren) vanzelfsprekend vonden. Maar Socrates bleef vragen en de jeugd vond Socrates heel interessant. Jullie zullen ook wel vragen hebben gesteld bij wat veel mensen zeggen. Dat kan ook wel eens vervelend zijn. Omdat velen vonden dat Socrates op deze manier de jeugd op verkeerde gedachtes bracht (terwijl Socrates alleen maar vragen stelde), kreeg hij de doodstraf.

13. Wat betekent corampeerde?
Ik zei “corrumpeerde”. Corrumperen betekent zoiets als bederven (http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/corrumperen). Socrates zou de jeugd corrumperen/bederven met al zijn moeilijke en kritische vragen.

14. Wat is NRO?
Nogmaals: het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek. https://www.nro.nl/

14. Ok boomer
Een boomer refereert volgens mij naar de naoorlogse baby-boomers. Mijn vader is bijvoorbeeld een babyboomer. Hij is 71 jaar oud. Eigenlijk zijn, mijns inziens, mensen jonger dan 65 jaar geen boomers. Boomers komen ook uit een specifieke tijd. Ik ben 40 jaar. Ik ben van de generatie X uit 1979. Ik ben dus niet geboren tussen 1945 en 1955.
Maar wellicht is een boomer wel een idee. Een fantasie wellicht. Het idee van de oude witte man (dat hoor je wel eens). Als de boomer een oude, witte man is, dan moet dit denk ik van te voren wel helder worden uitgelegd. Waarom? Want anders kan een boomer alles zijn wat we willen dat het is. Een boomer kan ook iemand zijn die van kantklossen of breien houdt. Wanneer een boomer alles kan zijn, dan is het dus eigenlijk niks. Je zegt dan niks zinnigs. Je klets dan een beetje uit je nek 😊. Ik ken je niet dus ik neem jouw opmerking serieus en ga er dus ook op in… ik ben niet naïef, ik voel best wel aan dat je gewoon grappig wilt zijn 😊.  

De uitspraak “Ok boomer” staat misschien wel symbool voor de fantasierijke jeugd die graag een hele groep mensen belachelijk wil maken door deze mensen enigszins te beledigen door te wijzen naar de grijze haren en de leeftijd. Misschien wel een manier om te zeggen dat de boomer niet meer belangrijk is of relevant. Sorry, ik heb niet het gevoel dat ik irrelevant ben… Maar daarover mogen we in gesprek gaan met elkaar. Lijkt me heel interessant! Ik zou graag een filosofisch essay willen lezen met als titel: “Waarom Gruijthuijzen een volstrekt irrelevante boomer is”. Ik kijk uit naar het essay!

15. Is dit de laatste donderdag van de week?
Moeilijk vraag 😊. Allereerst zullen we moeten duiden wat we met het woordje “de” bedoelen. “De” is niet “deze”. “De” kan refereren naar iets algemeen: week als idee of de een en echte week… de week der weken! Verschillende taal-filosofen (Russell en Quine) hebben zich eindeloos beziggehouden met alleen al het woordje “de” :). Ik denk eerlijk gezegd dat er nog meer weken zullen volgen en dat de donderdag van vandaag niet de laatste donderdag zal zijn van alle weken die zijn geweest en alle weken die nog gaan volgen. Ervan uitgaande dat de donderdag begrepen moet worden als een van de 7 dagen in de week. We accepteren dan wel de roots uit het Sanskriet, Babylonië en het oude testament. Deze zeven daagse week heeft diep-christelijke roots… Dat verraadt wellicht al dat we allemaal gewend zijn geraakt aan een basis die oorspronkelijk duizenden jaren geleden is gelegd. Er waren (en er zijn) nog steeds culturen die niet met een zeven daagse werkweek werken.

Dus moeilijke vraag. Het ligt er wel aan wat je onder week verstaat en als we weten wat een week is, dan is het in deze vraag nog niet duidelijk welke week precies… Gaat het nu om de week van 2 februari tot en met 8 februari of om een andere week? Of gaat het om een meer vanuit de school en het werk gebaseerde week. Mensen die werken of naar school gaan en minder met God hebben beginnen de week meestal op maandagen. Dan zou je onder week 3 t/m 9 februari verstaan.

Kortom… ik weet niet of dit antwoord bevredigend is, maar ik moet je eigenlijk vooral nog veel vervolgvragen stellen voordat ik met enige zekerheid deze vraag kan beantwoorden 😊. Maar je bent altijd welkom om jouw vraag verder te onderzoeken!

16. Waar denken jullie allemaal over bij filosofie?
Een filosoof kan over (bijna) alles nadenken. In iedereen zit wel een filosoof. Iedereen is wel op een of andere manier ergens in geïnteresseerd. Dat is juist het mooie van filosofie. Over alle onderwerpen kunnen we nadenken. Het ene onderwerp interesseert mij persoonlijk net iets meer dan het andere onderwerp en eigenlijk vind ik dat jammer. Waarom vind ik dat jammer? Omdat mijn voorkeuren voor bepaalde onderwerpen ook verraden wie ik ben en er ook voor kunnen zorgen dat ik blind ben voor interessante onderwerpen die juist voor mij leerzaam zouden kunnen zijn, maar waar ik niet meteen op kom. Soms schrijf ik mij dan ook in voor cursussen (Boschlogie of online MOOC’s zoals Coursera) waar ik geen beeld bij heb… misschien kom ik iets interessants tegen 😊.

Tijdens de gastles heb ik nagedacht over een speculaasje, maar ik denk ook na over onderwijs, pedagogiek, politieke en sociaal-maatschappelijke thema’s en wetenschappelijke inzichten op talloze gebieden.

Gisteren gaf ik een gastles en twintigtal leerlingen vonden het achteraf leuk om op de online padlet talloze grappige en beledigende reacties te plaatsen. Ik vind dat oprecht interessant. Ik ga dan op zoek naar onderzoeken over ontwikkelingspsychologie (Piaget, Vygotsky, Kirschner). Ik probeer dan ook te zoeken naar neurowetenschappelijke inzichten (prefrontale cortex, puberbrein) en naar onderwijsfilosofische posities (Biesta & Branssen). Ik probeer zo onderzoekend te duiden waarom zoveel “grappige leerlingen” ten koste van de grote meerderheid die graag een les filosofie volgt, zichzelf niet kan beheersen. De vaak weinig originele grappige en beledigende reacties, blijken niet zelden het gevolg te zijn van wat de filosoof Nietzsche de dierlijke instincten noemt en wat breinwetenschappers de nog niet volgroeide pre-frontale cortex wellicht noemen. Sommige pubers hebben moeite zichzelf te beheersen. Dit hoort bij het puber-zijn. Ik vind dat mooi om te zien, maar ook jammer voor de meerderheid die graag geïnteresseerd is. Op de manier voelen sommige leerlingen zich uitgesloten en durven ze denk ik minder snel te reageren…

Dat is dan weer jammer. Dus de eerste les (woensdag) was voor mij een experiment. Ik heb de les van donderdag aangepast en langzaam kom ik tot de beste les. En nu ik aan het schrijven ben, besef ik me dat ik weer iets geleerd heb… geweldig toch?

17. Is Mark Zuckerberg een robot?

Moeilijke vraag. Ik ken Mark Zuckerberg niet persoonlijk. Ik heb hem als mens nog nooit werkelijk geobserveerd. Wat ik van het idee “Mark Zuckerberg” weet, is dat hij de oprichter is van het sociale medium Facebook en dat hij via Facebook enorm veel kennis/big data heeft over 1 miljard FB-leden. Dit maakt van hem een machtig persoon. Maar ik ken hem alleen als idee via de digitale wereld. Dus in dat opzicht is hij wel een soort van robot. Maar nogmaals, ik kan niet in zijn geest kruipen. Ik weet niet hoe of wat hij nu, gisteren of morgen denkt. Dus de vraag of hij een robot is, blijft een complexe vraag. Wederom het onderzoeken waard.

18. Wanneer is het wiekent?
Wat bedoel je met “wiekent”?

19. Denkt u ook na over vragen als, is de aarde plat of rond?
De laatste wetenschappelijke inzichten geven aan dat de aarde rond is 😊. Maar als je het water weg zou halen, dan krijg je een rotsblok. Dus, tsja… wat is de aarde? Ik zou zeggen gewoon rond. De aarde ziet er plat uit in onze verbeelding en ik denk dan dat dit wel interessant is. Onze verbeelding kan ons bedriegen.
Bij Kenleer gaan we dit vraagstuk ook behandelen. Kijk eens naar deze website: https://www.bodyworlds.nl/nl/blog/blauw-zwart-of-wit-goud-wij-vertellen-je-hoe-het-zit/
Vraag eens aan verschillende mensen hoe zij de jurk zien. Is de jurk blauw- of goudkleurig?

20. Vinden alle filosofen speculaasjes interessant? Waarom denk u zoveel na over speculaasjes?
Haha, ik probeer zelf altijd op zoek te gaan naar iets interessants… Ik denk dat het speculaasje (van specere/zien) als spiegel van de oorspronkelijke vorm, wel paste bij de introductieles die jullie hebben gehad. Wat ik wilde aangeven is dat speculaasje interessant kan zijn, maar dat er natuurlijk nog veel meer is. Het speculaasje staat voor mij symbool voor eigenlijk alles wat er bestaat en waar we ons mee bezig kunnen houden. Persoonlijk ben ik ook heel erg geïnteresseerd in muziekfilosofie. Ik houd namelijk heel erg van muziek. Verder vind ik economiefilosofie, politieke filosofie, wetenschapsfilosofie, logica en kenleer heel erg interessant. De laatste jaren, ook omdat ik onderzoek doe naar onderwijs, ben ik me ook veel gaan verdiepen in onderwijsfilosofie. Het speculaasje is slechts een voorbeeld van alles waarover de filosoof zich mag en kan verwonderen!
(Misschien denk ik wel gewoon veel na over speculaasjes, omdat ik speculaasjes heel erg lekker vind :)).

21. Denken filosofen over alles te veel na?
Tsja, een filosoof probeert altijd te definiëren waar de vraag over gaat. Wat is “te veel”? Dat blijft voor mij een beetje onduidelijk. Maar als je wilt dat ik hier persoonlijk antwoord op geef, dan wil ik je misschien een ander inzicht geven. Ik denk niet dat ik te veel over iets na kan denken. De menselijke interesse en fantasie, en zo ook die van mij, is denk ik ongrijpbaar, eindeloos en onuitputtelijk. De schoonheid van de verbeelding en de fantasie wordt heel mooi weergegeven, vind ik, in dit fragment uit de film “The Neverending Story” (veel van jullie ouders zullen deze film wel kennen).

Wanneer wordt het denken “te veel”? Ik denk dat ik te veel nadenk wanneer ik over dingen moet nadenken waarover ik helemaal niet wil nadenken. Ik denk dan aan verplichtingen die ik heb als leraar zoals veel nakijkwerk. De gedachte alleen al dat ik veel na moet kijken, zorgt er misschien wel voor dat ik het nakijkwerk ga uitstellen of dat ik me te druk ga maken over al het werk wat ik nog moet gaan doen. Ik denk dat leerlingen dat ook wel eens hebben wanneer ze toetsen moeten maken en veel moeten gaan leren. De gedachte aan het leren van de toets belemmert soms het leren van de toets of zorgt misschien wel voor een overspannen reactie. Ik heb eigenlijk al vrij snel geleerd om hiermee om te gaan door mijn leven en werkzaamheden zo te organiseren dat ik niet te veel hoef na te kijken en niet te veel klassen heb. Daarnaast ben ik gaan zoeken naar manieren om toetsen na te kijken samen met leerlingen om zo van elkaar te leren. Dan lijkt het net alsof het nakijken niet iets is wat moet, maar wat we samen aan het doen zijn… en dat geeft dan weer energie.

Dus om terug te komen op de vraag. Ik denk dat de filosoof vrij moet proberen te zijn, dus ook vrij van verplichtingen of ander moet proberen deze verplichtingen zo te draaien dat het positief is en energie geeft en leuk is om over na te denken. Dit beschouw ik wel als een sport. Vaak lukt het en soms niet… Wist je dat het woord school, bij de oude Grieken “vrije tijd” betekende? Niet vrij om niks te gaan doen, maar vrij om niet te hoeven werken. Kinderen werden door de huisslaaf, de pedagoog (het woord pedos betekent kind en agoog betekent brengen, naar een vrije plek (school) gebracht. Hier konden kinderen zich vrij ontwikkelen en leren zonder te moeten werken en zonder verplichtingen.

22. Wat als je graag van de muur eet?
Dan adviseer ik je naar het sprookjesbos te gaan in de Efteling en dan specifiek naar Hans en Grietje.

23. Wat is phillozophie????????
Ik neem aan dat je filosofie bedoelt. Filosofie is een combinatie van het woord “filos” en “sofia”. Filos betekende voor de oude Grieken “liefde voor” of “houden van”. Tegenwoordig gebruiken de moderne Grieken het woord filos wanneer ze het over een vriend hebben. Sofia betekent wijsheid. De filosof houdt dus van wijsheid.

Ik heb dit ook proberen te leggen tijdens de introductieles. De presentatie die ik tijdens deze les heb laten zien, kunnen jullie hier vinden: https://filosofie.gruijthuijzen.nl/wat-is-filosofie/

24. Is er een mogelijkheid om iets met Filosofie te doen op de HAVO?
Helaas wordt filosofie niet aangeboden op de/het HAVO op het Udens College. Maar ik heb ieder jaar wel 1 of 2 leerlingen die naast het HAVO-pakket toch nog ruimte vinden om filosofie te volgen samen met de VWO leerlingen. Ik heb zelfs dit jaar een HAVO-leerling die de lessen filosofie bij 6VWO volgt en misschien examen gaat doen. De regel is, volgens mij, dat de school geen rekening houdt met de filosofielessen op VWO voor HAVO leerlingen, maar dat vervolgens de HAVO-leerlingen wel met de coach een programma mogen opstellen waarbij ze toch mee mogen doen tijdens de VWO-lessen filosofie. Voor mij ben je altijd welkom. Ik hoop dat, wat in de randstad al heel normaal is en wat bij veel nieuwe scholen ook al vaak het geval is, jonge mensen van jongs af aan niet alleen het examenvak filosofie kunnen kiezen, maar filosofie als standaard vak krijgen vanaf de brugklas op alle niveaus. Het is niet zo dat je über-slim moet zijn om te filosoferen. Wat dat betreft heeft iedereen een filosoof in zich. Natuurlijk bestaat het eindexamen filosofie wel uit lesstof en die kan soms best moeilijk zijn.

25. Moet je eindexamen doen?
Laat ik voorop stellen dat je geen eindexamen moet doen. Het staat je vrij om geen filosofie te kiezen. Echter, wanneer je filosofie kiest, dan moet je in 6vwo eindexamen gaan doen inderdaad. En dan nog ben je vrij om geen eindexamen filosofie te doen, maar dan vraag ik mij wel af hoe je jouw vwo-diploma wilt gaan behalen.

Ik heb ieder jaar wel een stuk of 4 leerlingen die filosofie als extra vak kiezen trouwens. Ik vind dit wel een hele eer. Vakken als filosofie, muziek, BSN, Spaans, Latijn en Grieks staan altijd onder druk. Dit komt omdat veel leerlingen denken dat ze exacte vakken zoals natuurkunde, scheikunde en wiskunde moeten kiezen. Niet altijd omdat ze dat zelf willen, maar omdat je dan een baan kunt krijgen. Allereerst denk ik dat je filosofie juist heel goed kunt combineren met deze exacte vakken, maar daarnaast ben ik bang dat veel leerlingen dingen kiezen omdat ze dan later veel keuzemogelijkheden hebben. Ik vind dit jammer. Als coach heb ik vorig jaar aan een betaklas gevraagd wat voor vervolgopleiding ze gingen doen en 25% ging een vervolgopleiding doen waar helemaal geen natuurkunde, scheikunde of wiskunde voor nodig was. Waarom kiezen kinderen best vaak voor het brede pakket waar je van alles mee kan en niet voor wat ze zelf echt leuk vinden? We zien in de bovenbouw best veel leerlingen met een vakkenpakket die heel zwaar voor ze is en waar ze niet altijd gemotiveerd voor blijven. Hier heb ik ook veel over nagedacht.. hoe dan? Nou, het gevolg hiervan is dat er veel leerlingen zijn die eigenlijk niet het pakket hebben gekozen waar ze blij van worden, waardoor ze nog meer bijlessen op school nodig hebben, waardoor de keuze uren nog meer naar deze moeilijke vakken toegaan ten koste van muziek, maatschappijleer, levensbeschouwing, filosofie, spaans, frans en ga zo maar door… En als dat allemaal niet werkt, dan het liefste nog wat extra bijles buiten de school. Dit noemen we schaduwonderwijs (https://www.oudersonderwijs.nl/nieuws/schaduwonderwijs-schoolkosten-en-gelijke-kansen/). Ik ken in mijn persoonlijke omgeving heel veel mensen die nog veel meer dan ik verdienen met schaduwonderwijs. Voor 100 euro per uur wiskunde en natuurkunde bijles geven aan leerlingen die eigenlijk beter tekenen of muziek hadden kunnen kiezen bijvoorbeeld. Op deze manier put je scholen, leraren, leerlingen en eigenlijk het hele onderwijs uit, maar je maakt de verschillen qua kansen tussen kinderen met rijke ouders en kinderen zonder rijke ouders groter. Filosoof Kees Vuyk schreef hier een prachtig filosofieboek over “Oude en nieuwe ongelijkheid” https://www.bol.com/nl/f/oude-en-nieuwe-ongelijkheid/9200000079530421/). Dit boek heeft in 2017 de Socratesbeker gewonnen voor beste filosofieboek van het jaar. Overigens heeft in 2018 het boek “Het goede leven en de vrije markt” (https://www.bol.com/nl/p/het-goede-leven-de-vrije-markt/9200000095604974/) deze Socratesbeker gewonnen. Wat bijzonder is, is dat dit boek het goede leven en de vrije markt het eindexamenthema is voor 6vwo. Dus alle leerlingen die filosofie kiezen, krijgen een lesboek wat de prijs voor beste filosofieboek van het jaar heeft gewonnen. En weet je wat ook gaaf is? Iedere vier jaar verandert het eindexamenthema en schrijven een paar filosofen gewoon een lesboek… zonder opdrachten (die maken we vaak zelf, zie ook mijn website). Volgens mij zijn wij de enige vakgroep van filosofiedocenten die iedere vier jaar een eigen thema uitwerken waar de leerlingen dan eindexamen in gaan doen.

26. Wat vind je van het systeem die er nu op deze school is?
Je vraagt eigenlijk drie dingen. Ik ga proberen jouw vraag zo zorgvuldig mogelijk te beantwoorden door antwoord te geven op de volgende drie vragen:

  1. Wat verstaan we onder een systeem? (Het idee, zoals de oervorm van het speculaasje)
  2. Welke vorm heeft het onderwijssysteem op het Udens College? (een van de vele vormen van de oervorm en nooit zo perfect als het origineel)
  3. Wat vind ik? Wat is mijn moreel-ethische positie? Wat vind ik het goede om te doen?

1. Een systeem wordt door mensen gemaakt. Zodra er meer dan twee mensen samenleven, moeten ze afspraken maken met elkaar hoe ze samen gaan leven. En hoe meer mensen samenleven, hoe meer je moet afspreken. Een school is een instituut en heeft dus een schoolsysteem. Een instituut is een samenwerkingsverband. Een bedrijf, school, sportclub bestaat niet zonder mensen en niet zonder mensen die niet samenwerken. Dat klinkt stom, maar het is gewoon zo 😊. Systemen zijn noodzakelijk. Ze zijn het gevolg van samenwerking en organiseren onze samenwerking. Het is ook fijn om te weten dat we met elkaar dingen hebben afgesproken. Stel je toch eens voor dat er geen regels zouden zijn… Gewoon helemaal geen. Ik denk niet dat we dan veilig en fijn kunnen samenleven.

2. Echter, een systeem kan ook te veel regelen. Een systeem zegt ook wel eens: “Wij vinden dit heel erg belangrijk”. Ik geef je een voorbeeld van het Udens College. Op de website van het Udens College (https://www.udenscollege.nl/udens/missie-en-visie/) staat:

“Kernwaarden

Onze kernwaarden vormen ons DNA. Ze zijn bepalend voor wie we zijn en willen zijn. De kernwaarden van de school zijn:

We tonen verantwoordelijkheid
We hebben vertrouwen in elkaar
We houden het veilig. Pesten accepteren we niet!
We zijn open naar elkaar
We zijn betrokken bij elkaar.”

Zoals je kunt lezen, lees je vaak het woord “we”. Blijkbaar heeft iemand een tekst getypt die gaat over wat “wij” op het Udens College vinden en waar wij in geloven, wat onze waarden zijn. De eerste vraag die ik als filosoof stel is: “Wie is “we”? Wie wordt er bedoeld met “we”? Ben jij dat? Ben ik dat? Is deze claim juist? Is het zo dat iedereen bij ons op school vertrouwen heeft in elkaar? Of is het zo dat iedereen op school de waarde omarmt dat we open moeten zijn naar elkaar? Ik persoonlijk kan mij hier wel goed in vinden, maar ik ben hierin nooit echt gehoord. Blijkbaar spreekt iemand namens ons. Misschien zijn er clubjes opgericht, hebben veel leraren en leerlingen meegepraat over wat wij waardevol vinden, maar dan nog hebben we niet iedereen gevraagd om hun waarden. Het grote probleem met “wij” is dat wij geen “Wij!” kunnen zeggen. Ik kan nu wel heel hard schreeuwen: “Ik!!!”, maar wanneer ik 1500+ leerlingen en 200+ leraren op het Udens College in het Atrium zet en ik zeg vervolgens dat ze allemaal te gelijk “Wij!!” moeten schreeuwen, dan zul je altijd zien dat dit chaos wordt. Veel zijn te vroeg, te laat, schreeuwen niks… Het punt is, dat het idee “wij” heel moeilijk is. Dit is ook meteen moeilijk als het gaat om het schoolsysteem. Ik denk dat “wij”, alle leraren en leerlingen achter het schoolsysteem moeten staan, maar dit is zo makkelijk nog niet. Daarnaast is het nog niet altijd duidelijk wat men nu eigenlijk verstaan onder de verschillende onderdelen van het schoolsysteem. En wat gaan we dan doen? Dan gaan we meer samenwerken, in gesprek met elkaar, hopende dat we het systeem voor ons zelf en onze leerlingen nog duidelijker kunnen maken… volgens mij zijn we hier mee bezig. We zijn, om het maar een beetje klef te zeggen, op weg naar het ideale schoolsysteem… We zien (observeren, net als speculaasje) nog geen perfect schoolsysteem, maar hoe meer we met elkaar positief werken aan de school en daarmee uiteindelijk ook de afspraken en het systeem, hoe dichter we wellicht bij de ideale schoolwereld komen. En hier werkt filosofie en kritisch denken en vragen stellen heel goed bij kan ik je vertellen!

3. Wat vind ik van het schoolsysteem?
Persoonlijk vind ik dat we tijdens het overdenken van de verbeterstappen die we met elkaar zetten naar het ideale schoolsysteem, meer gebruik zouden moeten maken van kritische vragen en onderzoek. Ik ben van het type dat we onze weerstand moeten organiseren. Ik wil graag mijn tegenstanders voor me hebben zitten en een discussie voeren op feiten. Ik ben niet zo van de meningen en ik houd ook niet van mensen die hard schreeuwen en via macht hun mening willen doordrukken. Gelukkig is het Udens College heel erg open. Maar onderzoeksmatig denken en ontwikkelen vind ik persoonlijk wel een puntje… Het Udens College, zoals veel scholen, werkt toch veel op de automatische piloot met enthousiaste leraren, leerlingen en ouders. Maar op enthousiasme kun je niet altijd de beste wereld bouwen. Enthousiasme is een voorwaarde voor succes, maar niet het eindpunt. Ik vind namelijk dat wanneer je geen onderzoeken verwerkt in je ontwikkeling van de school, je eigenlijk gaat experimenteren met leerlingen. Experimenten die niet gestaafd zijn op wetenschappelijke inzichten. Ik kan mij hier wel eens over opwinden. Op veel scholen, en ook het Udens College, valt hier nog wel een wereld te winnen.

Echter, ik vind ook dat ik te kort door de bocht ben. Want wat ik zeg, kan ook niet waar zijn. Ik heb vaak nagedacht over de grenzen van mijn opvattingen. Wanneer ik kritiek probeer te leveren op mezelf (klinkt raar, maar ik doe het toch), dan denk ik vaak na over wat lesgeven nu eigenlijk is en hoe dat invloed heeft op het werk van de leraar. Ik denk dat lesgeven iets is tussen een leraar en een leerling. Dat lijkt me logisch. Cognitiefilosoof Jan Bransen geeft (https://www.janbransen.nl/nl/gepersonaliseerd-leren-2/) een mooie metafoor. Een leraar wil een leerling iets leren. Hij vertelt iets aan de leerling. Laten we nu even inbeelden dat wat de leraar vertelt, een bal is die de leraar gooit naar de leerling. Lesgeven, de bal gooien naar de leerling, is niet iets wat de leraar alleen doet. Het is ook de bedoeling dat de leerling probeert de bal te vangen en terug te gooien. Dan leert de leerling iets. De leerling mag zelfs boos worden en de bal wegschoppen. Dat wil je niet als leraar, maar de leerling geeft wel iets terug. Wanneer een leraar de bal gooit en hij ketst tegen de muur en een paar meter verder staat de leerling een beetje geestdodend door zijn Instagram-account te scrollen, dan is er geen sprake van interactie, communicatie en dus ook niet van leren en lesgeven.

Who cares? Ik heb hier ook lang over nagedacht. Ik denk dat wanneer een kind, een leerling, naar mij toekomt en mij in de ogen aankijkt (De Filosoof Levinas spreekt over een Appel in het aangezicht/gelaat van de Ander – https://www.filosofie.nl/nl/artikel/46960/het-gelaat-van-de-ander.html), dat ik niet anders kan dan reageren. Het kind gooit een bal naar mij (bijvoorbeeld door te vragen of ik hem of haar wil helpen). Ik als leraar zeg dan nooit, zoals bijvoorbeeld bij veel andere banen, ik heb volgende week maandag om 14.30u een half uur tijd voor je. Nee, een leraar zal acuut reageren en staat vaak meteen voor de leerling paraat. Ik denk dat dit een van de mooiste dingen is van onderwijs, maar ook geestelijk het meest zware. Je hebt als leraar niet veel tijd om rustig over dingen na te denken. Kinderen, net zoals ouders die opvoeden, hebben een enorme verantwoordelijkheid en staan bijna altijd dag en nacht voor leerlingen klaar. Dat is prachtig, maar ook soms zwaar en ik kan mij dan ook voorstellen dat veel leraren geestelijk gezien niet altijd de ruimte hebben of voelen om ook nog veel onderzoeken te lezen en rustig na te denken over onderwijsverbeteringen. De liefde voor het kind en voor de school kan zo dus ook het onderzoek en de reflectie in de weg zitten. Snap je dat? Daarom probeer ik als filosoof, maar ook als leraar, ook een paar andere baantjes te hebben waar ik meer met onderzoek bezig ben, zodat ik dat ook weer bij ons op school gaan doorgeven. Zo organiseer ik ook met een aantal collega’s de onderzoeksdagen ben ik op school onderzoekscoördinator voor nieuwe leraren en leraren die op de lerarenopleiding zitten.

Ik probeer hier iedere keer weer het juiste midden te zoeken tussen mijn liefde voor leerlingen (in de professionele zin van het woord) enerzijds en de noodzaak om kritisch en weloverwogen op basis van onderzoek na te denken over goede lessen. Dit is enorm interessant en ik ben nog lang niet uitgeleerd en ontwikkeld.  

27. Zou je ooit iets anders willen doen dan filosofie? Wat is het leven?
De filosoof Socrates zei ooit eens: “Het niet onderzochte leven, is het niet waard te leven”, waarop hij vervolgde met de opmerking “Ken uzelf”. Ik denk dat Socrates hier de basis legt van de filosofie. Het leven is een onderzoek naar jezelf, wie je bent en wat je wilt worden. Het leven is ook een onderzoek naar de wereld om ons heen. Zelf heb ik ooit een “Script-talk” gegeven met de titel: “Een niet onderzochte les, is het niet waard te doceren!“. De wereld waarin wij leven, de natuur, de chemie, de biologie en ga zo maar door verdient toch gewoon al onze interesse? Althans dat vind ik! Het leven zonder filosofie, een leven zonder onderzoek, is geen leven. En dat onderzoekende leven kan een muzikant zijn die een mooi muziekstuk probeert te schrijven, maar ook een raketwetenschappers die probeert bij Space-X een raket naar de maan te krijgen. Of een stratenmaker die probeert zo mooi en goed mogelijk de straat aan te leggen. En ook iemand met het syndroom van Down die voor zichzelf het leven op unieke wijze vorm geeft. Zolang niemand de oervorm van de mens en wat de mens is en wat het leven is, heeft ontdekt en gedefinieerd, is denk ik ieder mens uniek. Ik stel voor dat we allemaal blijven en juist ook daarom blijven leven! Ik zou al denkende nooit iets anders willen doen dan filosofie.

Of ik altijd filosofieles zou willen geven… Ja, want ik denk dat het leven en het onderzoekende leven nooit op zichzelf staat. Ik leef altijd samen met andere mensen. En daarom denk ik dat ik altijd geïnteresseerd moet blijven in andere mensen en in mezelf. Ik moet dus vragen blijven stellen. De filosoof Karl Popper zei op zijn sterfbed dat de toekomst onvoorspelbaar is en wanneer deze onvoorspelbaar is, ligt veel in de toekomst nog open en is het onze plicht om positief te zijn. Positief of negatief zijn is een keuze. Wanneer we negatief zijn omdat we het afgelopen jaar bepaalde dingen hebben gezien of gedacht, dan wil dat nooit zeggen dat dit juist is en dat dit het komende jaar nog een keer zal gebeuren. In wezen biedt filosofie en lesgeven en samen met elkaar filosoferen over lesstof en twijfelen aan wijsheid en waarheid een mooi beging voor het denken en het leven!

Ik weet dus niet hoe ik iets anders zou kunnen doen! Iedereen in een filosoof. Misschien kan het vak filosofie je zelfs helpen om op zoek te gaan naar het goede leven! Ik zeg misschien omdat ik niet te hard van stapel wil lopen en ook geen priester wil of kan zijn van een bepaald geloof.

28. Wat als de appel in een vliegtuig is?
Ik weet niet precies waar deze vraag over gaat. Maar misschien kan ik de Schotse filosoof George Berkeley aanhalen. Van George Berkeley komt de bekende uitspraak “Esse est percipi”. Dit betekent Zijn is waargenomen worden. Wat we zien (observeren), bestaat ook echt. Zodra ik iets niet meer zie, bestaat het ook niet meer. Ik zie mijn vrouw nu niet, dus ze bestaat ook niet. Als mijn appel in een vliegtuig is, en ik zit niet in het vliegtuig… bestaat de appel dan? Moeilijke vraag.

Wanneer een boom omvalt in een bos, maar niemand is in het bos aanwezig, maakt de boom dan geluid 😊? Een typisch kennisprobleem. Moeten we kennis waarnemen zodat het kan bestaan.

Kijk maar eens naar dit filmpje over Mary’s Room… Wat denk jij? Wanneer je iets wil weten kun je me altijd mailen: gruijthuijzen@hotmail.com

29. Mag ik het speculaasje opeten?
Ja, je mag het speculaasje opeten. Eigenlijk vreemd ook dat je hier toestemming voor vraagt… Ik hoop wel dat je dit nu al hebt gedaan overigens 😊.

Als er nog vragen zijn, dan kun je me altijd mailen op gruijthuijzen@hotmail.com.

Groeten van jullie mogelijk toekomstige filosofiedocent,
Robert-Jan Gruijthuijzen

Ps. In het geval dat ik talloze verkeerde redeneringen en vreemde dingen heb getypt, wil ik alvast de schaker Jan Hein Donner aanhalen: “Ik neem alles terug en beweer het tegendeel!”. Ik probeer voor mezelf ook een vraag te blijven. Ik denk dat wanneer ik ga wandelen, ik alweer anders denk over de kwesties die ik hier nu heb aangestipt. Niet heel anders, maar vast wel een beetje anders.

HGL – Week 19

52. De kandidaten kunnen de opvatting van Bentham uitleggen, toepassen en beoordelen dat ons handelen wordt bepaald door het nutsprincipe en de mens primair wordt begrepen als een belichaamd zelf dat allerlei prikkels ondergaat en gedreven wordt door het najagen van genot en het voorkomen van pijn.
Tevens kunnen zij uitleggen dat Benthams benadering een vorm is van modern economische denken, waarbij de consument calculerend bezig is om zijn leven zo aangenaam mogelijk te maken.
Bentham begint met een aanname. Deze aanname moet worden geaccepteerd om vervolgens zijn redenering te kunnen volgen. Deze aanname is dat de natuur de mensheid heeft “geplaatst onder de heerschappij van twee ‘soevereine meesters'” (p. 237). Deze twee meesters zijn (en dit moet dus aangenomen worden): 1. pijn en 2. plezier. Ieder mens wordt gestuurd door 1. het najagen van plezier en 2. het voorkomen van pijn.
Dit principe heeft een naam: “principle of utility”, oftewel het nutsprincipe! Nut moet vervolgens worden gedefinieerd als het voortbrengen van geluk of voordeel enerzijds en het tegengaan van pijn en ongeluk. Iedereen is, zelfs de meest vrome persoon op aarde, op een of andere manier bezig met het voortbrengen van geluk/voordeel en het tegengaan van pijn/ongeluk.

Nadat is aangenomen dat ieder mens altijd op de een of andere manier geluk nastreeft, is het belangrijk om de volgende stap in Benthams redenering te volgen:
Voorwaardelijk voor het voortbrengen van geluk/voordeel of het tegengaan van pijn/ongeluk, is de aanwezigheid van een lichaam. Het lichaam kan pijn doen of geluk ervaren. Zonder lichaam geen pijn en geen geluk.
Nadat we deze stap aannemen, dat zonder lichaam geen pijn en geen geluk kan worden ervaren, is het noodzakelijk aan te nemen dat het lichaam (subject) “prikkels” ondergaat in de wereld. Denk bijvoorbeeld aan het thema prikkelgevoeligheid bij steeds meer jongeren in het autisme-spectrum of kinderen met ADD op een leerplein die mogelijk “een teveel aan prikkels, (krijgen) waardoor hij/zij zich wat terugtrekt om die vele prikkels te verwerken. Hij/zij krijgt teveel opties om uit te kiezen, waardoor een keuze wordt uitgesteld.” In deze tijd van social media en self-exposure, met porno, games en instant whatsapp berichten, krijgen steeds meer mensen steeds meer prikkels. Dit kan problematisch worden.
Bentham (p. 238) komt met een laatste criterium. Dit criterium is op de samenleving gericht. Het gaat uiteindelijk niet om het voortbrengen van geluk/voordeel en het tegengaan van pijn/ongeluk in deze wereld vol prikkels. Het gaat ook niet om ervoor te zorgen dat jij de goede prikkels krijgt die zoveel mogelijk geluk voortbrengen. Het gaat erom, volgens Bentham, om in deze wereld te zorgen voor zoveel mogelijk geluk/voordeel voor zoveel mogelijk mensen in deze wereld. Dus niet alleen voor jezelf. Oftewel Benthams universeel geluksbeginsel: “Het grootste geluk voor het grootste aantal mensen”. Dit beginsel moet altijd en overal de leidraad zijn.

Maar hoe weet je wat zoveel mogelijk mensen gelukkig maakt? Welke criteria hanteer je hiervoor? In week 1 kwam figuur 2.7 met de Ranking of Happiness al voorbij. Diegenen die deze ranking hebben opgesteld, hebben hiervoor (ongetwijfeld met veel onderzoek onderbouwd) criteria opgesteld op grond waarop ze de conclusie konden trekken dat land X “gelukkiger” is dan land Y. Maar net zoals mensen zijn de verschillen gigantisch. De ene mens ervaart minder snel pijn of kou en de andere mens ervaart een geluksmoment langer dan de ander. Sommigen raken meer ontroert door een mooi gedicht dan anderen. Idem voor de ervaring van liefde, consumptie en ga zo maar door.

Eindterm:
Tevens kunnen zij uitleggen dat Benthams benadering een vorm is van modern economische denken, waarbij de consument calculerend bezig is om zijn leven zo aangenaam mogelijk te maken.

Om uiteindelijk tot een slotsom te kunnen komen wie of welk land gelukkiger is, moeten criteria onderzocht worden en vervolgens afgewogen worden. Denk hierbij aan een leerling die een slecht punt heeft gehaald vandaag voor een toets en gisteren niet heeft geleerd, maar daardoor gisterenavond wel naar zijn of haar favoriete concert kon gaan. De afweging is dan dat het concert meer plezier oplevert dan dat het slechte punt pijn realiseert.
“Alles is calculeerbaar geworden” (p. 239)!
Hoe zien we dit terug in het moderne economische denken en eigenlijk in ons allemaal? In hoeverre zijn wij allemaal een op consumptiegerichte homo economicus/calculerende mens? Laten we een leerling als op consumptiegerichte, calculerende mens als vertrekpunt nemen.

Op de website van het Udens College staat: “We willen leerlingen op maat ondersteunen om de eigen ambities waar te maken. Ze krijgen steeds meer regie over het eigen leerproces. Een coach begeleidt de leerlingen bij het maken van keuzes.” Een ambitie waarmaken wordt gelinkt aan het regie krijgen over het eigen leerproces. Tijdens dit leerproces wordt de leerling begeleid in het maken van keuzes.
Een keuze is een afweging. Kies is dit of kies ik dat. Daarnaast draait de keuze om de eigen afweging, niet die van de leraar/coach. Dit wordt ambitie genoemd. Uiteindelijk is het streven dat de moderne leerling zelf bepaald hoe “het eigen leerproces” vorm krijgt. Hierbij is het natuurlijk noodzakelijk om te weten waar je gelukkig van wordt. Wanneer je weet waar je gelukkig van wordt, kun je doelen stellen. Leraren moeten dan ook leerlingen helpen in het opstellen van doelen.
Dit wordt in het boek “berekenend en vergelijkend denken” (p. 239) genoemd. Dit is de soort rationaliteit (niet poëtisch of muzikaal en ook geen communicatieve rationaliteit zoals bij Habermas, p. 210) die tegenwoordig aan de winnende hand is en waar overal, vanuit scholen en overheden steeds vaker op gestuurd wordt (niet zonder kritiek overigens).
Denk hierbij ook aan het kiezen van je eigen zorgverzekering, vervolgopleiding, kinderopvang, tandpasta, Sociaal Medium, wel of niet een bericht posten online, God mag weten wat. Ergens is het maar de vraag of mensen wel zo goed kunnen calculeren en vergelijken. Herbert Simon kwam tot de conclusie dat de calculerende mens maar beperkt calculerend is. Dit idee wordt ook wel “bounded rationality” genoemd. Slechts in zeer eenvoudige situaties, kunnen redelijk intelligente mensen de juiste keuze “uitrekenen”.
Vorige week werd Foucault aangehaald. Foucault sprak over “biopolitiek”. Biopolitiek is “a complicated concept that has been used and developed in social theory since Michel Foucault, to examine the strategies and mechanisms through which human life processes are managed under regimes of authority over knowledge, power, and the processes of subjectivation.” Wat zijn dan deze strategieën en mechanismes die het menselijk leven “managen”? Een van deze strategieën en mechanismes draait om het stimuleren en vrijwel voor vanzelfsprekend cultiveren van het idee dat de mens een zelf-kiezende, autonome burger is/moet zijn. Deze strategie wordt vrij makkelijk overgenomen, omdat veel mensen het idee hebben dat een mens geen mens is wanneer hij of zij niet kan kiezen. Kiezen is waarschijnlijk voor veel mensen een essentieel onderdeel van het leven. Niemand zegt zomaar: “Ik kan niet kiezen”. Mensen willen misschien niet kiezen en willen dan misschien dat anderen voor ze kiezen, maar niemand zal uiteindelijk zeggen dat hij of zij niet in staat is te kiezen. Dat maakt het ideaal van de calculerende mens, de homo economicus, ook als biopolitiek thema zo moeilijk te weerleggen.
Op pagina 239 wordt terecht het verschil tussen hedonistisch denken en utilistisch denken aangehaald. Hedonistisch denken neigt meer naar de leerling die voor zichzelf, los van de samenleving, kijkt wat het nut is voor hem of haar persoonlijk. Dit is meer individualistisch denken. Utilistisch denken kijkt naar het geluk voor zoveel mogelijk mensen en is daarmee meer collectivistisch denken. In beide gevallen is er sprake van een calculerende burger.
De calculerende burger wordt herkend aan een samenleving waarin iedereen van alles moet beleven. En bedrijven moeten belevingen verkopen. Iemand moet geprikkeld worden iets te kopen/consumeren. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar wat men wil, maar ook hoe men ervoor kan zorgen dat iemand iets wil/geprikkeld wordt. Talloze intelligente systemen/technieken berekenen wat mensen willen of denken te willen en prikkelen deze mensen met aanbiedingen, etc. om het genot maar (op korte termijn) te stimuleren. Het is maar zeer de vraag of een dergelijke wereld houdbaar is. Heidegger benadrukte al dat een mens niet alleen wil, maar altijd meer wil. Iedereen wil vooruit. Meer geld, meer liefde, meer geluk. De nadruk op het calculeren van geluk, kan ook verslavend werken zoals vorige week al besproken werd… Men wil steeds meer beleven… lijstjes afvinken… de wereld rondreizen, meer likes, meer suiker, meer sport, een beter lichaam, meer seks, meer “vrienden”, meer gamen, leukere lessen, betere leraren, hogere punten (met minder energie) en ga zo maar door.


53. De kandidaten kunnen de opvatting van Kant dat de goede wil – als het vermogen om zichzelf te bepalen – het grondprincipe is van ons handelen uitleggen, toepassen en beoordelen. Tevens kunnen zij vanuit deze opvatting kritiek leveren op de utilitaristische opvattingen van Bentham door uit te leggen dat we onvrij – en niet autonoom – zijn als we ons niet laten leiden door redelijkheid maar door lichamelijke prikkels van genot en pijn.
Let op! Bentham is extern gericht. Hij gaat uit van het (utilistische) idee dat de mens geprikkeld wordt van buiten. Goede punten wil je niet omdat je het wil, maar omdat je van buiten gestimuleerd wordt om goede punten te halen. Haal je geen goede punten, dan word je niet goed van buiten (door de leraren, de school, je ouders, etc.) gestimuleerd. Jouw geluk is afhankelijk van de prikkels van buiten.
Neem nu de uitspraak: “Ik wil taart”. Voor een taart ben je afhankelijk van de buitenwereld. Wanneer je echt taart wilt, dan ben je niet geheel vrij. Je wordt gestuurd/geprikkeld door de wens/behoefte een taart te kunnen eten. En deze taart moet bereid worden. Wanneer dat niet kan, dan ben je overgeleverd aan ongeluk. Je kunt niet anders dan ongelukkig zijn, want het is niet mogelijk om een taart te maken. Je wordt daardoor ook afhankelijk van de buitenwereld.
Kant benadrukt, net als Bentham, dat de mens beïnvloed wordt door (dierlijke) neigingen en behoeftes. Maar de mens is niet overgeleverd (p. 237) aan deze neigingen.
De uitspraak “Ik wil taart” hoeft zich niet alleen te richten op de taart, maar kan zich ook richten op het innerlijke: ik, oftwel: “Ik wil”. Hier komt de vraag naar boven: “Wat wil ik?” en “Waarom wil ik dat?” en “Wat zou ik moeten willen?”. Kant stelt dat we niet alleen overgeleverd zijn aan onze neigingen/behoeftes, maar dat we de autonome, vrije keuze kunnen maken om iets anders te willen… om onze neigingen te weerstand en verantwoordelijkheid te nemen! (Zonder deze autonomie aan te nemen is de mens niet vrij (zie ook eindterm 57)).
Maar in de hedendaagse consumptiemaatschappij vol met verslavingen (vetzucht, drugs, games, etc.) valt deze verantwoordelijkheid voor velen erg zwaar en dreigt de mens overprikkeld te worden. Aan de andere kant we moeten aannemen dat de mens de/zijn/haar natuur kan overwinnen. Pas dan kunnen we vrij zijn volgens Kant, niet overgeleverd aan de prikkels uit de natuur.

Primaire tekst (11): Immanuel Kant
57. De kandidaten kunnen aangeven wat Kant verstaat onder goede wil en kunnen uitleggen dat deze volgens hem van absolute waarde is.

58. De kandidaten kunnen uitleggen dat het vrije handelen volgens Kant aan een algemene wetmatigheid gebonden is. Tevens kunnen zij uitleggen aan welke specifieke eis de wetsvorm van het goede handelen moet voldoen.

Kant schrijft (p. 419): “Matiging van prikkels en passies, zelfbeheersing en nuchter beraad zijn niet alleen in velerlei opzicht goed, maar lijken zelfs deel uit te maken van de intrinsieke waarde van de persoon”. In de vorige paragrafen werd het verschil tussen de externe prikkels (Bentham) en de interne wil (Kant) al benadrukt.

Kant stelt dat een goede wil niet goed is door het effect (zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen), maar alleen goed is wanneer iemand het goede wil doen. Iemand kan namelijk iets heel slechts willen, wat toevallig goed uitpakt. Kant stelt dat je het goede moet willen en niet naar het effect/nut moet kijken. De goede keuze is geen kwestie van calculeren en afwegen, maar een kwestie van de wil en het goede willen.

Kant spreekt (p. 420) over de derde propositie in termen van “achting voor de wet”. Achting staat voor aanzien, bewondering en eerbied. De wet staat voor het moreel zuivere en juiste om te doen/willen. Kant stelt al het ware dat het niet bewonderenswaardig is om iets slechts te willen wat goed uitpakt. Bewondering/achting (subjectieve zuivere achting, p. 420) krijgt iemand die het goede wil omdat het goed is om het goede te willen en niet omdat het goede toevallig goed uitpakt.

Deze subjectieve zuivere achting leidt volgens Kant tot een objectieve wet (dit woord een “maxime” genoemd). De wet luidt: “Ik behoor nooit anders te werk te gaan dan zo dat ik ook zou kunnen willen dat mijn maxime een algemene wet zou worden” (p. 421).