Scepticisme – par. 4.4 – vragen

De twee eindtermen rondom paragraaf 4.4 luiden:

73. De kandidaten kunnen uitleggen hoe vanuit het denken van Edmund Husserl, Maurice Merleau-Ponty, Jean Paul Sartre en Emmanuel Levinas kritiek geleverd kan worden op de filosofische problematisering van andere geesten.

74 De kandidaten kunnen Ludwig Wittgensteins respons op het conceptueel
scepticisme weergeven aan de hand van zijn “privétaal-argument”.

  1. Wat is het basisargument op grond waarop men kan stellen dat het probleem van andere geesten en daarmee het conceptueel scepticisme een pseudoprobleem is?
  2. Waar staat het denken van Husserl voor? Waardoor wordt het probleem van andere geesten een pseudoprobleem vanuit het denken van Husserl?
  3. Idem voor Maurice Merleau-Ponty?
  4. Idem voor Sartre?
  5. Idem voor Levinas?
  6. Idem voor Wittgenstein? Leg in je antwoord uit wat Wittgenstein bedoelt met “prive taal”.

Scepticisme – par. 4.3 – ant.

  1. Wat is een filosofische zombie? Wat is het onderscheid tussen een mens en een zombie? Een filosofische zombie is iets dat lijkt op een mens, maar geen binnenwereld heeft. Een mens beschikt over een binnenwereld. De vraag is natuurlijk of de mens hierin uniek is.
  2. De mogelijkheid van zombies is een metafysisch en een epistemologisch probleem. Leg uit. Metafysisch omdat de vraag naar boven komt of filosofische zombies, net als mensen, überhaupt wel bestaan. Op grond waarop kunnen we concluderen dat filosofische zombies bestaan in plaats van niet bestaan? Dit blijft de vraag. Epistemologisch is het concept van filosofische zombies ook problematisch. Kunnen we kenniscriteria opstellen op grond waarop we kunnen spreken van een filosofische zombie? Aan welke kenmerken moet zo’n filosofische zombie voldoen?
  3. Functionalisten gaan ervan uit dat mentale toestanden volledig kunnen worden gekarakteriseerd in termen van de “functie” die een bepaalde mentale toestand speelt. Als dit zo is, dan hebben we hier een probleem als het gaat over het onderscheiden van mensen en robots. Leg uit. Verwerk in je antwoord de concepten “sensorische input” en “mentale input”. Wanneer alle ervaringen van mensen objectief geanalyseerd kunnen worden en vervolgens in een format of programmatuur vertaald kunnen worden, dan zijn menselijke ervaringen reproduceerbaar en overdraagbaar naar bijvoorbeeld filosofische zombies. Dan kunnen we moeilijk nog onderscheid maken tussen het bijzondere van de mens t.o.v. een robot. Dan zouden we ook rechtspraak moeten bouwen voor robots/filosofische zombies, omdat deze zombies eenzelfde moraliteit, ervaringen, gevoel etc. als mensen bezitten.
  4. Wat is het verschil tussen enerzijds het aspect van bewustzijn dat te maken heeft met representaties en anderzijds het aspect van bewust zijn dat gaat over de kwalitatieve beleving/ervaring? Het bewustzijn van de representatie gaat over de reproduceerbaarheid van ervaringen. Ieder mens heeft ook emoties en ervaart de wereld op een bepaalde manier. De ervaring van de mens bepaalt ook, hoe de mens representeert en ook hoe de mens denkt over de mogelijkheid van filosofische zombies.
  5. Kan een robot een fenomenale ervaring (hoe het is) hebben, zoals een mens? Eigen mening. Ik denk persoonlijk niet dat een robot in staat is om menselijke ervaringen te hebben.
  6. Bied het onderscheid tussen robot en mens op basis van intuïtie een sterk fundament om op verder te bouwen? Intuïtie is geen fundament waar we wetenschap op kunnen bouwen met theorieën etc.
  7. Waarom is het noodzakelijk, als we robots bepaalde ervaringen willen meegeven, dat we de zuiver kwalitatieve aspecten van de ervaring (qualia) in kaart brengen? Omdat anders robots geen menselijke ervaringen heeft, maar beperkte, menselijke interpretatie van de menselijke ervaringen.
  8. Is het mogelijk om qualia in kaart te brengen zonder context? Wat is het probleem als het gaat om het programmeren van ervaringen en de contexten waarbinnen deze ervaringen zich moeten manifesteren? Als de context (de wereld) bepalend is voor de ervaring, dan zouden we alles in de wereld mee moeten programmeren. Dat kan niet. Een mens kan wel intuïtief in de wereld zijn. Kunnen we dit ook programmeren?
  9. Kun je naast taalvermogen en wiskundig inzicht, nog meer karaktereigenschappen geven van de mens die als zodanig noodzakelijk zijn, willen we robots menselijke ervaringen meegeven? Eigen mening.
  10. Waar staat het begrip “spectruminversie” voor? Hoe weten we van elkaar dat we dezelfde kleuren zien en hetzelfde proeven als wie iets eten? En wat zegt dit dan over het programmeren van dergelijke ervaringen in een robot? Mensen kunnen in werkelijkheid iets anders zien en proeven, dan andere mensen terwijl ze wel hetzelfde woord aan geven aan wat ze zien en proeven. Hoe weet je of ze werkelijk hetzelfde zien en/of proeven? Is dit noodzakelijk als het gaat over het programmeren van menselijke ervaringen?

Scepticisme – par. 4.3 – vragen

  1. Wat is een filosofische zombie? Wat is het onderscheid tussen een mens en een zombie?
  2. De mogelijkheid van zombies is een metafysisch en een epistemologisch probleem. Leg uit.
  3. Functionalisten gaan ervan uit dat mentale toestanden volledig kunnen worden gekarakteriseerd in termen van de “functie” die een bepaalde mentale toestand speelt. Als dit zo is, dan hebben we hier een probleem als het gaat over het onderscheiden van mensen en robots. Leg uit. Verwerk in je antwoord de concepten “sensorische input” en “mentale input”.
  4. Wat is het verschil tussen enerzijds het aspect van bewustzijn dat te maken heeft met representaties en anderzijds het aspect van bewust zijn dat gaat over de kwalitatieve beleving/ervaring?
  5. Kan een robot een fenomenale ervaring (hoe het is) hebben, zoals een mens?
  6. Bied het onderscheid tussen robot en mens op basis van intuïtie een sterk fundament om op verder te bouwen?
  7. Waarom is het noodzakelijk, als we robots bepaalde ervaringen willen meegeven, dat we de zuiver kwalitatieve aspecten van de ervaring (qualia) in kaart brengen?
  8. Is het mogelijk om qualia in kaart te brengen zonder context? Wat is het probleem als het gaat om het programmeren van ervaringen en de contexten waarbinnen deze ervaringen zich moeten manifesteren?
  9. Kun je naast taalvermogen en wiskundig inzicht, nog meer karaktereigenschappen geven van de mens die als zodanig noodzakelijk zijn, willen we robots menselijke ervaringen meegeven?
  10. Waar staat het begrip “spectruminversie” voor? Hoe weten we van elkaar dat we dezelfde kleuren zien en hetzelfde proeven als wie iets eten? En wat zegt dit dan over het programmeren van dergelijke ervaringen in een robot?