Scepticisme – par. 4.1 – vragen

  1. Ga naar de (Google) app-store en download de Eliza app: https://play.google.com/store/apps/details?id=com.cc.eliza. Probeer de app een beetje uit. Stel eens een paar vragen. Kun je je voorstellen dat midden jaren 60 veel mensen toen dachten dat Eliza een echt mens is?
  2. In hoeverre laat Eliza voor het eerst het probleem van “Andere Geesten” zien? Verwerk in je antwoord de Turin-test van Alan Turing.

3. Wat is conceptueel scepticisme en waardoor speelt het concept “andere geesten” een centrale rol binnen het conceptueel scepticisme?

4. Beschikt een robot, die de Turing-test doorstaat, over een geest? Verwerk in je antwoord ook het begrip “belevingswereld”.

Tip: De film “The imitation game” over (een deel van) het leven van Alan Turing. (Must see!!! Westworld serie!!)

 

 

Scepticisme – par. 3.6+3.7 – antw.

  1. Wat is het verschil tussen inductie, deductie en abductie? In de onderstaande afbeelding wordt heel algemeen de “empirische cyclus” afgebeeld. Dit sluit aan bij wetenschapsfilosofie. Aan de ene kant beschikken we over een theorie. Vanuit deze theorie kunnen we bepaalde verwachtingen uit/voorspellingen doen/hypotheses stellen en vervolgens zien we in de realiteit of deze theorie in aparte/geïsoleerde gevallen klopt, gedeeltelijk klopt of niet klopt (deductie).
    Ook kunnen we specifieke/aparte/geïsoleerde gevallen waarnemen (empirisme) en op basis van een aantal waarnemingen een bepaalde theorie vormen (inductie).
    Bijvoorbeeld:
    Ik heb een twintigtal mensen geobserveerd en ik kwam erachter dat ieder mens sterfelijk is door simpelweg te constateren dat alle mensen zijn overleden. Hieruit heb ik de volgende conclusie getrokken/theorie gevormd (inductie): Alle mensen zijn sterfelijk.
    Vervolgens kwam ik vandaag Socrates tegen. Socrates is een mens. En omdat ik de theorie ken “Alle mensen zijn sterfelijk” en Socrates een mens is, kan ik niet anders zeggen dan dat in dit specifieke geval (Socrates), Socrates sterfelijk is (deductie).
    Dit is een logisch gevolg. Het kan niet anders dan dat een mens sterfelijk is en als ik een mens tegenkom dat deze mens sterfelijk is.

    Bij abductie is iets anders aan de hand. Wanneer ik op zoek ben naar de dader van een moord en ik veel aanwijzingen heb (maar geen logisch bewijs), dan is het niet per definitie “logisch” dat uit een set data (uit de realiteit) ik een logische conclusie/theorie kan trekken (dus niet inductie), maar het is ook niet logisch dat ik over een theorie beschik waaruit blijkt dat de verdachte in alle gevallen de dader is. Neem als voorbeeld een DNA-bewijs. Een DNA-spoor van een verdachte op een slachtoffer ik een zeer goede aanwijzing, maar wil niet automatisch zeggen dat de verdachte het slachtoffer heeft vermoord. Met behulp van data (zoals o.a. het DNA-spoort) kan er een redenering worden opgezet, waaruit niet onlosmakelijk blijkt dat de verdachte ook de dader is, maar wat als zodanig wel de “best mogelijke verklaring” biedt. Dit noemen we abductie.

  2. Leg uit wat het verschil is tussen ondergecodeerde en overgecodeerde abductie? Leg je antwoord uit aan de hand van een voorbeeld.
    Alleen een DNA-spoor is ondergecodeerd. Je hebt dan te weinig codes/data/informatie om tot de verklaring te komen m.b.t. de dader. Je kunt dan wel tot de best mogelijke verklaring komen, maar deze best mogelijke verklaring is dan nog steeds niet goed genoeg om iemand daadwerkelijk te veroordelen.
    Wanneer er naast een DNA-spoort nog karrevrachten aan andere sporen/data/codes/informatie beschikbaar is en je heb eigenlijk aan een stuk of 10 sporen al genoeg, dan is het overgecodeerd. Dit kan in praktische zin ook een probleem opleveren (verder niet filosofisch). Wanneer de politie op informatie/codes/data vraagt via zoiets als opsporing verzocht op tv en de politie krijgt vervolgens tienduizenden berichten die veelal bruikbaar zijn, dan is het niet alleen overgecodeerd, maar kost het ook heel veel tijd om deze berichten te duiden en te onderzoeken.
  3. Sherlock Holmes (zie filmpje) spreekt vaak over deductie. Zijn redeneringen zijn voor hem niets meer dan logische deductieve stappen naar de uiteindelijke conclusie (het weten dat). Leg uit waarom Sherlock Holmes beter over creatieve abductie kan spreken dan over deductie.
    Deductie staat voor een logisch, onvermijdelijk gevolg dat uit een theorie een specifiek geval te verklaren kan worden alsof er sprake is van 1+1=2. Bij creatieve abductie beschikt iemand over een set aan codes/informatie/data en deze set is net te weinig (ondergecodeerd). Door middel van geestelijke inspanning (creativiteit en verbeelding) kan de mens zich iets voorstellen, waardoor het langzaam duidelijker kan worden wie de dader is.
  4. Leg uit in hoeverre er in de film Rear Window, sprake is van creatieve abductie. In Rear Window “fantaseert” (of niet :)?) de hoofdrolspeler een mogelijke moord op basis van wat hij ziet en vervolgens hoe hij de geobserveerde data van achter zijn raam in zijn geest op een creatieve wijze verwerkt.
  5. Wanneer zou er wel sprake kunnen zijn van deductie in plaats van (creatieve) abductie?
    Wanneer het onvermijdelijk en onlosmakelijk zo is dat uit theorie x, specifiek geval y kan worden herleid.
  6. Hoe verhouden “afleiding naar de beste verklaring” en “creatieve abductie” zich tot elkaar?
    Zie vraag 2.

Filosofie (6) – vragen

  1. Wat wordt er verstaan onder de Duitse idealisten?
  2. Volgens Schelling moest de gehele werkelijkheid als een Idee worden gedacht? Leg uit in eigen woorden wat Schelling bedoelt met dit “Absolute”.
  3. Wat is het probleem met het definiëren van het absolute? Verwerk in je antwoord de tweedeling tussen het gedefinieerde en diegene die definieert, waarbij het ook duidelijk wordt dat het definiëren zelf ook weer haar grenzen kent.
  4. Welk “antwoord” biedt de kunst volgens Schelling voor het symboliseren van het absolute?
  5. Leg uit waar het begrip “dialectiek” voor staat.
  6. Geef een voorbeeld van Hegels These, Antithese en Synthese. Verwerk in je antwoord het begrip identiteit. Je mag ook over persoonlijke identiteit spreken, maar ook in algemene termen over identiteit spreken.
  7. Wat wordt er bedoeld met het samenvallen van de subjectieve geest (persoonlijke ontwikkeling) en de objectieve geest (het samenleven van mensen in een maatschappij) en het zelfbegrip van de mensheid op het niveau van de absolute geest?
  8. De absolute geest ontvouwt zich in drie stappen. Welke drie stappen?
  9. Leg uit waarom kunst bij Hegel een belangrijke plek inneemt in het denken?
  10. Hoe denk jij over de plek van kunst voor het denken?

Filosofie (6) – antw.

  1. Leg uit wat Kant met reflectie bedoelt. Verwerk in je antwoord de begrippen verbeeldingskracht, belangeloosheid en autonomie.
    Reflectie draait om de ervaring waarbij verschillende aspecten (voor en door jezelf) in harmonie gebracht worden. Hiervoor is verbeeldingskracht noodzakelijk. Dit streven naar harmonie kan ook leiden tot de subjectieve beoordeling dat iets “moois” is. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat hierbij geen belangen een rol mogen spelen. Als je bijvoorbeeld iets mooi vindt, omdat dat belangrijk is voor je om iets te bereiken, dan is het niet mooi. Echter, het kan wel dat je iets doet wat je niet als mooi bestempeld omdat je er belang bij hebt of een ander doel voor ogen hebt. De reden waarom je het doet, kan wel mooi zijn. Je kunt dus bepaalde vervelende vakken doen, omdat je voor ogen hebt om straks jouw droom te verwezenlijken als oncoloog bijvoorbeeld. Of je kunt talloze schilderoefeningen doen om later de mooiste film te kunnen maken.
  2. Geef een voorbeeld van subjectieve algemeenheid. Wanneer ik een heel mooi liedje hoor, dan wil ik dat iedereen dit mooi vindt, dus ga ik soms mijn best doen om mensen te overtuigen.
  3. Geef een eigen voorbeeld waarbij de scheidslijn tussen enerzijds belangen en anderzijds de subjectieve ervaring van schoonheid moeilijk te leggen is.
    Wil je je diploma halen omdat je het diploma an sich mooi vindt. Niet zozeer het papiertje, maar de gedachte dat in dit diploma zoveel jaar werk zit waar je trots op bent en wat je als werk mooi vindt (ook omdat je hier samen met andere leerlingen en leraren jarenlang hebt geleefd in een school), of wil je het diploma alleen maar halen om verder te komen (belang).
  4. Leg uit hoe Schiller politiek en kunst met elkaar verbindt. Politieke keuzes werden te veel gebouwd op het idee dat mensen volledig rationele keuzes kunnen maken en dat we het land ook zo moeten opbouwen. Schiller was een romanticus die de mens zag als een dier met rationaliteit maar ook met driften/instincten. Wanneer mensen de kunst verstaan om te reflecteren op het eigen handelen, de eigen driften (stofdrift) en de structuur (vormdrift) van de samenleving, dan ontstaat er ruimte voor de levenskunst (het spel om het eigen leven vorm te geven) -> speeldrift. Zo ontstaat er een mens die voortdurend nadenkt en ideeën voor en door zichzelf in harmonie brengt, ontwikkelt en de schoonheid uit en in het leven probeert te halen en te vinden.
  5. Wat is het verschil tussen stofdrift en vormdrif en hoe kan dit verschil door de speeldrift worden overbrugd? Zie vraag 4.
  6. In hoeverre heeft de school als opdracht om aan Bildung te werken? Wat is Bildung? Eigen mening. Bildung staat voor het ontwikkelen van de gehele mens in relatie tot de buitenwereld. Het spel waarbij de mens de vorm (structuur) probeert samen te brengen (spel) met de driften (stof). Tijdens dit spel is het noodzakelijk om de leerling verschillende aspecten van de samenleving aan te bieden, zodat de leerling kan reflecteren, en daarmee een harmonie kan vormen, van de samenleving in de breedte. Dit idee staat wel op gespannen voet met diegenen die vinden dat onderwijs alleen maar als taak/functie heeft om leerlingen een diploma te laten halen. En voor dit laatste valt wellicht ook iets te zeggen, omdat er niet altijd genoeg tijd is om de volledige mens te ontwikkelen.

Filosofie (5) – vragen 9.3

  1. Leg uit wat Kant met reflectie bedoelt. Verwerk in je antwoord de begrippen verbeeldingskracht, belangeloosheid en autonomie.
  2. Geef een voorbeeld van subjectieve algemeenheid.
  3. Geef een eigen voorbeeld waarbij de scheidslijn tussen enerzijds belangen en anderzijds de subjectieve ervaring van schoonheid moeilijk te leggen is.
  4. Leg uit hoe Schiller politiek en kunst met elkaar verbindt.
  5. Wat is het verschil tussen stofdrift en vormdrif en hoe kan dit verschil door de speeldrift worden overbrugd?
  6. In hoeverre heeft de school als opdracht om aan Bildung te werken? Wat is Bildung?

Filmfilosofie (5) – antwoorden week 3 en 4

Week 3:

  1. Om over filmfilosofie te spreken kunnen we ons beperken tot de theorie over film. Echter, filmtheorie is het domein van de filmwetenschappen. Filmfilosofie zou wellicht beter kunnen vertrekken vanuit het idee van Poetics zoals omschreven door Aristoteles. Aristoteles gaat in Poetics op zoek naar de eigenschappen van een Griekse tragedie (toneelstuk). Eigenlijk is er in alle tijden nagedacht over de op dat moment relevante kunstvorm. De vraag is of de film ook een dergelijke analyse zoals Aristoteles in Poetics verdient.
  2. In paragraaf 9.2.1 wordt een onderscheid gemaakt tussen systematische en historische antwoorden. De vraag naar “Wat is filmfilosofie?” en “Wat is film?” kan vanuit de systematische benadering als volgt worden omschreven: Wat zijn de gemeenschappelijke kenmerken van alle films? Aristoteles doet een poging. Niet zozeer om de gemeenschappelijke kenmerken van de film te omschrijven, maar om uit te werken wat de gemeenschappelijke kenmerken van een Griekse Tragedie zijn. Een film heeft veel dezelfde gemeenschappelijke kenmerken als de Griekse Tragedie.
    De vraag blijft echter: 1. Is het voldoende om via een systematische analyse van het begrip film a. helder te krijgen wat film is om vervolgens b. helder te krijgen waar filmfilosofie zich op moet richten?
    De systematische benadering lijkt, ook in lijn met paragraaf 9.2, niet geheel toereikend te zijn. Zoals op pagina 220 van het boek, alinea 2 staat: “Het lijkt niet gemakkelijk om een kenmerk te vinden dat alle kunstwerken gemeen hebben en dat maakt dat kunst kunst is”. Dit geldt wellicht ook voor film(kunst).
    De historische benadering biedt wellicht een uitkomst. Hoe heeft het begrip van kunst zich ontwikkeld door de eeuwen heen van Techne richting Esthetica? Door deze vraag te stellen krijgen we inzicht in de ontwikkeling van het begrip kunst. De vraag is dan: Hoe heeft de film zich door de eeuwen heen ontwikkeld? Op deze manier krijgen we misschien inzichtelijk wat film(kunst) is of betekent voor mensen door de tijd heen.
  3. Waarom moet Poetics niet gezien worden als een theorie over kunst, maar meer als een analyse van een Griekse tragedie? Wat is het verschil? (Minuut 2:35)
    Poetics houdt zich niet bezig met de hoe-vraag. Een theorie naar hoe je het beste een Griekse Tragedie kunt uitwerken? Poetics is slechts een uiteenzetting van de kenmerken van een Griekse Tragedie.
  4. In minuut 3 stelt Aristoteles: “Tragedy is an imitation of an action that is admirable, complete and possesses magnitude; in language made pleasurable… performed by actors, not through narration, effecting through pity and feat the purification of such emotions”. Hoe zou Plato reageren op het waarheidsgehalte van de tragedie? Plato zou de imitatie van een werkelijke actie zien als een imitatie van een imitatie. De werkelijke actie is al een imitatie van het zuivere idee en dan wordt deze imitatie ook nog eens in een tragedie geïmiteerd.
  5. Wat zijn de zes componenten van een tragedie? (minuut 3:22).
    1. Plot, 2. Karakters, 3. Het denken/retorica, 4. Melodie/lied, 5. Medium (wijze van zeggen), 6. Schouwspel
  6. Waarom is het plot het belangrijkste? En wat wordt bedoeld met de universaliteit van een plot? Een plot is de ziel van de tragedie en moet samenvallen met het begin, middenstuk en het einde van de tragedie. Ook moet het plot makkelijk te onthouden zijn, overtuigend worden uitgedragen en een onverwacht/aangrijpend verloop hebben. Het lijden is hierin veelal belangrijk.
  7. Aan welke vijf karaktereigenschappen moet een acteur voldoen? (minuut 4:44).
  • Goed karakter
  • Sympathiek
  • Hoge status
  • Consistent
  • (Niet) Perfect
  1. Wat is het probleem, volgens Plato, wanneer een filmregisseur met de vier karaktereigenschappen in de hand een filmscript gaat uitwerken? Denk aan het risico van imitatie en reproductie. De film wordt dan een imitatie van het Goddelijke en zuivere idee en doet daarmee de waarheid geweld aan.
  2. Neem een eigen film en leg uit wat het idee of de gedachte achter de film zou kunnen zijn. Wat is het alom verbindende idee achter de film? Als er een universeel en alom verbindend idee achter te film zit, representeert de film dan niet een bepaalde, universele vorm van wijsheid/waarheid? In hoeverre kan film met een universeel achterliggend idee, bijdragen aan filosofie?
    Hier gaat het om het universele, het zuivere idee van de film. In hoeverre “helpt” de film bij het zoeken naar het zuivere idee?
  3. Wat wordt bedoeld met “diction” (eigenschap nummer 4)? In hoeverre is taal bepalend in een film?
    Een verhaal hoeft niet alleen maar in gesproken taal overgebracht te worden. De “wijze van zeggen” staat nog niet vast voor de film en daarmee ligt de vraag naar wat de film is ook nog open.
  4. Taal kan op verschillende manieren gebruikt worden volgens Aristoteles. Denk hierbij aan een versje, ritme, rijm, lange of korte vertellingen, platte taal, etc. Bekijk minuut 5:42 en reflecteer op een zelfgekozen film en leg uit hoe de taal in deze film wordt gebruikt. Eigen mening

De vijfde eigenschap is melodie. Melodie is meer dan alleen muziek. Melodie gaat ook over het ritme van de dialoog, het geluid van bepaalde handelingen (zoals een oorlog) en de muziek. Neem twee films in gedachte. Luister naar het ritme van de dialogen, het geluid van bepaalde handelingen en naar de muziek. Wat zijn de verschillen en overeenkomsten? Probeer twee totaal verschillende films te analyseren. (Bijvoorbeeld een film als Stalker enerzijds en Avengers anderzijds)

De dialogen van beide films zijn heel verschillend. Met name de tijd en de lengte van de dialogen verschillen. De dialogen in de film Stalker zijn langer en uitvoeriger dan bij Avengers.

  1. Doe hetzelfde voor de beelden/visuele elementen (punt 6. Spectacle (schouwspel), min. 6.25). Denk hierbij aan de kostuums, filmset, licht en beweging in beide films. Bij Avengers worden er talloze kostuums geïmiteerd. De set verandert ook voortdurend en er wordt veel gebruik gemaakt van digitale middelen. De beelden bewegen ook veel sneller.
  2. Wat is volgens jou belangrijker voor een film? Een universeel plot of het geluid en het spectakel (het beeld/schouwspel). Eigen mening… Echter, ik denk dat een goed verhaal altijd overeind blijft en blijft boeien.

Het PLOT:

  1. Wat wordt bedoeld met het begrip “Catharsis”? Verwerk in je antwoord de begrippen medelijden en angst (minuut 7:00).
    Catharsis staat bij de oude Grieken voor emotionele zuivering. Een film, of kunst kan een emotioneel zuiverende werking hebben. Het confronteert de innerlijke angsten en ellende en deze confrontatie kan “louterend” en zuiverend werken. Daarna ben je van je emoties verlost. Je hebt ze d.m.v. de Griekse Tragedie geuit, waardoor ze niet alleen meer van jezelf zijn.
  2. Noem twee voorbeelden uit het eigen leven waarbij er sprake is van Catharsis.
    De massale rouw tijdens de herdenkingsdienst van mensen zoals prinses Diana en Andre Hazes. Massaal gingen mensen huilen… niet zozeer omdat ze treuren om de dood van iemand die slechts enkelen echt gekend hebben, maar omdat ze vol met emoties zitten uit het eigen leven die via de herdenking ruimte krijgen om geuit te worden. Ontroering en geraakt kunnen worden lijken hierin essentiële punten.
  3. Waar staat “Hamartia” voor? Waarom is Hamartia heel erg belangrijk en waaruit bestaat de verantwoordelijkheid? (Minuut 7:25)
    Hamartia staat voor de fout die is gemaakt maar waarvoor de hoofdrolspeler wel verantwoordelijk is. Dit maakt dat mensen meegenomen kunnen worden en zich kunnen identificeren en “herkennen” wat het probleem/de fout is. Het universele hierin is wellicht dat niemand perfect is en iedereen fouten maakt.
  4. Leg uit wat herkenning (recognition), momenten van realisatie en herkenning, en de omkering (reversal), momenten waarbij de kijker het idee heeft dat de hoofdrolspeler zich iets realiseert maar dat nog niet doen, inhouden. (Minuut 7:50). Als er iets fout gaat, dan moet deze fout eerst herkend worden om vervolgens te handelen door alles om te keren en de “fout” te herstellen.
  5. Bekijk een film vanuit de drie eenheden (unities): I. Tijd, II. Plaats en III. Actie (minuut 8:45). Voldoet de film aan de drie eenheden? Hierin verschillen de eigenschappen van de film met die van de Griekse tragedie. In een film is het mogelijk om verschillende tijden samen te laten vallen (flashback, etc.) in een film. Daarnaast kan het decor ook veranderen in een film en tegenwoordig kunnen special effects een rol spelen in de mate waarin de acties worden weergegeven.
  6. Huge Müsterberg is een van de eerste filosofen die heeft nagedacht over de film als filosofie en het onderscheid tussen film en theater/griekse tragedie. Lees desnoods het hoofdstuk “2. The nature of film”. Volgens Müsterberg onderscheidt de film zich van theater door haar technische mogelijkheden. Denk hierbij aan de factor tijd (flashbacks, close-ups en edits) en de factor plaats  (bewegende beelden op verschillende plaatsen). Film kan op een andere manier werelden openen in vergelijking met een theater.  Dit zorgt er ook voor dat de film een andere vorm is. Lees paragraaf 9.2.3. In hoeverre is volgens jou de vorm van de film bepalend of we wel of niet over een kunstfilm kunnen praten? En in hoeverre beperkt de vorm van de film het Platoonse streven naar verlichting? De film als kunstvorm heeft hele eigen specifieke kenmerken. Aan de andere kant is niet iedere film een kunstvorm. Zo zou ik mijn telefoonopnames van bezoekjes niet als kunst willen bestempelen. De vorm duidt wellicht niet wat het zuivere idee van een film is. Maar wellicht vorm wel. Vorm is, in tegenstelling tot “de vorm”, een abstract idee, maar zodra we vragen hoe dat abstracte idee er dan uitziet, verliest het ook weer haar zuiverheid want dat dwingt om een concrete vorm te omschrijven en deze omschrijving met eigenschappen is dan weer “een vorm van film” (imitatie) van het goddelijke idee “film”.
  7. In het bovenstaande filmpje wordt aangegeven dat volgens Müsterberg de film zonder een verhaal/plot, slechts een gadget is. Wat wordt hiermee bedoeld? Kan een film nog kunst zijn als het slechts een gadget is? Kunnen gadgets een bijdrage leveren aan filosofie? Een instrumentje, hulpmiddeltje of leuk hebbedingetje. Deze films dragen niet bij aan filosofie. Deze films hebben een bepaalde functie (verkopen/succes behalen, lekker consumeren, etc.). Deze functiegerichtheid van de film is al onzuiver en haalt het streven naar het zuivere idee film onderuit.
    De vraag die we ons wel kunnen stellen, is of een bepaalde gadget in zichzelf toch niet iets zuivers aanraakt. In ieder instrument kan toch iets zitten dat uniek en daarmee niet geïmiteerd is.
  8. In minuut 1:34 wordt gesproken over “cinema” als de kunst van de geest en een imitatie van mentale processen. Wat wordt hiermee bedoeld? Is deze imitatie bedrieglijk in het licht van Plato’s allegorie van de Grot? Of wordt hier een andere soort imitatie bedoeld? Enerzijds imiteert de film de geest of probeert de geest in een film zichzelf te reproduceren… Oftewel: de geest maakt iets “Goddelijks” naar haar eigen beeld/idee. De vraag blijft of deze film het Goddelijke is of dat het gewoon weer imitatie is. Maar aan de andere kant, zit er soms iets in de film dat niet te imiteren valt… Iets Goddelijks van de geest, dat niet zozeer bewust in de film is verwerkt. Misschien zien we hierin wel een basis voor filmkunst en film als weg naar waarheid en daarmee filosofie?
  9. Vanaf minuut 1:44 wordt het verschil tussen theater en film uiteengezet. Reflecteer op een film vanuit de verschillen tussen theater en film? Hoe zie je deze verschillen terug in de film?
    Podium: acteurs projecteren emoties + woorden creëren fantasie
    Cinema: emoties kunnen worden getriggerd door bepaald acteerwerk en beelden + beelden creëren fantasie.
    De vraag hierin luidt of beelden (afspiegelingen van de werkelijkheid), wezenlijk aan iedere film, in staat zijn om emoties te triggeren zoals werkelijke acteurs op een podium dat kunnen doen bij het publiek.
  10. Edits in films zorgen ervoor dat de kijker heen en weer blijft kijken. Kijk eens naar een stukje uit de film Stalker en daarna na een recente actiefilm. Bekijk de snelheid waarmee de beelden wisselen? Welke film heeft de snelste wisseling van beelden?
    De snelheid van beelden en edits neemt steeds meer toe. Het idee hierachter is dat hierdoor de aandacht van de kijker toeneemt en de kijker de film makkelijker consumeert. Maar op deze manier wordt er een externe eis aan de film opgelegd (consumptie).
  11. Wat is het effect op de kijker wanneer de beelden snel afwisselen? Wat is de impact van dergelijke edits om de mate waarin de film kan bijdragen aan reflectie, denken en daarmee filosofie? Wanneer de snelheid van elkaar opvolgende beelden niet bepaald wordt door de geest, maar een imitatie is van een regel over de verkoopbaarheid en het stimuleren van consumptie, dan kan deze film wat dat betreft moeilijk bijdragen aan een zuiver idee van film.
  12. Bekijk het bovenstaande filmpje. Wat is de impact van de close-up? Je ziet de emoties.
  13. Waarom wordt steeds vaker in moderne films gebruik gemaakt van close-ups zoals in de nieuwe film over Vincent van Gogh (At etenity’s gate): https://www.vulture.com/2018/11/extreme-close-ups-are-defining-the-current-movie-moment.html
    Mensen worden wellicht getriggerd door emoties in het gezicht.
  14. Dragen close-ups (en de functie van close-ups) bij aan reflectie, denken en filosofie? Als ze als instrument worden ingezet, dan wordt de film weer iets opgelegd. Wat wel kan is dat de film als film geen kunstvorm is, omdat er veel wordt geïmiteerd (los van dat er altijd wel iets is dat niet geïmiteerd kan worden), maar dat de boodschap van de film wel raakt aan een universeel concept.
  15. In een film wordt het geheugen, de verbeelding en de emotie hapklaar gemaakt voor de filmconsument. Wat is de impact hiervan op de film als filosofie? Denk ook aan wat eerder is geschreven over de impact van Netflix op de film. Film als product en niet als kunst. Film met voorbedachten rade.

 

Week 4

  1. De vraag die we ons zouden kunnen stellen is de vraag naar het zuivere idee van een verhaal of vertelling? Moet er altijd taal aanwezig zijn? Hoe zit dat dan met stomme films (een film waarin niet wordt gesproken)? Is een verhaal een onderdeel van de film als kunst? Kan het verhaal in zichzelf een zuiver idee uitdragen of blijft het via de film altijd een imitatie? Ja, dat kan. Een verhaal is niet afhankelijk van gesproken taal.
  2. Een zanger als Bob Dylan wint zelfs de Nobelprijs voor de literatuur. Dylan wordt door velen gezien als een verhalenverteller. Hij vertelt over de wereld, de Verenigde Staten, het leven… maar toch zijn het imitaties van de werkelijkheid of niet? Volgens velen spreekt Dylan “the voice of truth” en zoals Dylan zelf zegt: “And the voice of thruth is not a pretty one”. Maar wat is deze waarheid dan? Is dat de letterlijke vertaling van zijn teksten of zit er iets tussen de regels, voorbij het letterlijke verhaal dat grote groepen mensen aanspreekt als waarheid?
    Het Goddelijke zou wellicht gevonden kunnen worden tussen de regels. Verschillende mensen worden aangesproken door zijn muziek, maar iedereen interpreteert de teksten verschillend. Wat is dan dat zuivere idee op grond waarop grote groepen mensen de muziek van Dylan waarderen?
  3. Bekijk de bovenstaande (kunst)film van Bill Viola. Is deze film een kunstfilm, waarom wel of niet? In hoeverre draagt deze film bij naar de zoektocht naar het zuivere idee/waarheid? Eigen mening.
  4. Bekijk het bovenstaande filmpje van de gebroeders Dudok de Wit. Is taal noodzakelijk om een verhaal te vertellen?  Is deze korte film kunst? In hoeverre draagt dit filmpje bij aan het zoeken naar het zuivere idee/waarheid?
    Eigen mening.
  5. Bekijk de bovenstaande filmpjes. De eerste twee filmpjes hebben geen tekst en wellicht geen plot. Is hier sprake van kunst? Kunnen deze filmpjes iets zeggen over het zoeken naar het zuivere idee/waarheid? Eigen mening.
  6. Het laatste filmpje gaat over de tv-serie Twin Peaks. Deze serie heeft een verhaal, gesproken tekst en een plot. Echter, het blijft voor velen volstrekt onduidelijk wat het verhaal is. Is dit kunst? Draagt deze serie bij aan een zuiver idee/waarheid? Eigen mening.

Scepticisme – par. 3.6 + 3.7

  1. Wat is het verschil tussen inductie, deductie en abductie?
  2. Leg uit wat het verschil is tussen ondergecodeerde en overgecodeerde abductie? Leg je antwoord uit aan de hand van een voorbeeld.
  3. Sherlock Holmes (zie filmpje) spreekt vaak over deductie. Zijn redeneringen zijn voor hem niets meer dan logische deductieve stappen naar de uiteindelijke conclusie (het weten dat). Leg uit waarom Sherlock Holmes beter over creatieve abductie kan spreken dan over deductie.
  4. Leg uit in hoeverre er in de film Rear Window, sprake is van creatieve abductie.
  5. Wanneer zou er wel sprake kunnen zijn van deductie in plaats van (creatieve) abductie?
  6. Hoe verhouden “afleiding naar de beste verklaring” en “creatieve abductie” zich tot elkaar?

 

Scepticisme – par. 3.4 + 3.5 – antw.

  1. Wat wordt bedoeld met het contextualisme? De correspondentietheorie (zie paragraaf 3.3, alinea 1) omvat het idee dat opvattingen/ideeën waar zijn in zoverre dat de opvatting correspondeert met de feiten. Maar hier ontstaat de vraag: “Hoe kunnen we beoordelen of iemand iets weet dat als zodanig correspondeert/overeenstemt met de feiten?”. Het contextualisme omvat het idee dat de “context” bepalend is voor de mate waarin we iets weten. Soms eist de context dat de lat laag ligt en soms dat de lat hoog ligt.
  2. Moore draait het basisargument van het scepticisme om (pagina 87). Wat is het basisargument van het scepticisme en in hoeverre draait Moore dit argument om? Moore stelt het “gezonde verstand” centraal. De scepticus, in lijn met het (kunstmatige) gedachte-experiment van Descartes, neemt dingen aan (kwade demon, mogelijkheid dat alles een droom is, etc.) die veel minder voor de hand liggen (en dus ook letterlijk hanteerbaar zijn) dan waar het gezonde verstand (het echte leven) zich op richt. Moore draait het scepticisme om. Niet de eis om te bewijzen dat we geen BIV zijn, moet centraal staan, maar diegenen die stelt dat we een BIV zouden kunnen zijn, moeten maar eerst eens aantonen dat het gezonde verstand in de gewone, levende wereld niet bestaat. Waarom aantonen dat de wereld wel bestaat in plaats van aantonen dat deze niet bestaat?
  3. Werk uit hoe Moore reageert op het droomargument van Descartes. Verwerk in je antwoord ook het concept van het gezonde verstand. Zie vorige vraag.
  4. Waarom hangt het “weten dat” af van de context waarbinnen met “weet dat”? Leg tevens uit wat de kerngedachte is van het contextualisme (pag. 89). Verwerk in je antwoord de omstandigheden binnen een gegeven context en de lage en hoge eisen die we stellen voor het “weten dat”. Zie vraag 1.
  5. Bekijk Ames Room (pag. 88). Waarom is de correspondentie met de feiten als waarneming niet voldoende? De waarneming kan ons in de steek laten. Er kunnen optische illusies opspelen.
  6. Wat wordt bedoeld met het relevantisme? Het idee dat in een bepaalde context er enorm veel tegenfeitelijke gedachte-experimenten gedaan kunnen worden. De lat kan heel hoog gelegd worden. Je kunt dan eindeloos levende vragen blijven stellen. Maar wat als we nu een theorie of een set criteria hebben op grond waarop we kunnen afspreken welke vragen in een bepaalde context relevant zijn op te stellen en welke niet? Wat dus redelijke twijfel is binnen een context? Maar als we de vraag stellen naar wat relevante vragen zijn, dan hebben we wel weer een alomvattende theorie met een set criteria nodig en begint die zoektocht.
  7. Leg uit wat de kerngedachte van “gewone-taal-filosofie” is. John Austin legt de kerngedachte neer dat in de gewone taal van mensen een “schat aan informatie” over de buitenwereld, binnenwereld en de relatie tussen deze twee ligt. Het is zaak om goed te kijken naar wat wij zeggen te “weten” in ons dagelijkse taalgebruik. Het gaat bij scepticisme en specifiek epistemologisch scepticisme namelijk om wat we kunnen weten (en het hoofdstuk hierna natuurlijk over wat we kunnen mededelen). De vraag naar kennis (episteme). Vervolgens stelt Austin (zie quote in het rood op pagina 91) dat “weten dat” in ons dagelijkse taalgebruik veelal inhoud dat iemand “vindt” dat hij of zij genoeg weet in een bepaalde context. De context bepaalt de relevantie van een sceptisch alternatief. In sommige contexten, zijn sommige vragen en tegenfeitelijke gedachte-experimenten belangrijker dan in andere contexten.
  8. Wanneer is genoeg genoeg? (Pag. 91). Hoe ver moeten we gaan in het uitsluiten van sceptische alternatieven? Eigen mening
  9. Wat is het verschil tussen het contextualisme en relevantisme?
    In paragraaf 3.6 zal dit nogmaals uiteengezet worden, maar in het onderstaande filmpje over Eindterm 55: Contextualisme wordt al na 55 seconden duidelijk wat de overeenkomsten en verschillen zijn. Overeenkomst is dat ze beiden het begrip context gebruiken. Daarmee geven ze ook beide aan dat er verschillende contexten zijn en dat aan deze contexten ook verschillende kennis hangt. Verschil zit in de a. deductieve geslotenheid (eindterm 57) en de internalistische en externalistische benadering (eindterm 59).
    Deductief is een term die eerder bij wetenschapsfilosofie aan bod is gekomen. Deductie is het idee dat uit een theorie logischerwijs de werkelijkheid geduid kan worden. In dit geval kan de context dienen als de theorie en uit de context kan iemand geheel internalistisch, volledig uit zichzelf, beredeneren welke tegen-feitelijke gedachte-experimenten noodzakelijk zijn. Echter, het kan best zo zijn dat iemand gaat nadenken welke soort vragen relevant zijn om in een context te stellen. Dan neigt het meer naar relevantisme.

 

Parlementaire democratie (5)

De tweede kamer aan het werk (kabinetsformatie + werking tweede kamer+ taken van de tweede kamer + uitleg amendementen en moties vanaf minuut 2.30):

 

Verschil tussen de tweede kamer en de regering (kabinet) + scheiding der machten/dualisme + coalitie – en oppositiepartijen:

 

Verschil tussen het bestuur op gemeentelijke, provinciaal, landelijk en Europees bestuur. Plus het verschil tussen eerste en tweede kamer en de regering.