HGL – Week 13

Primaire tekst (8): Georg Hegel – Grundlinien des Rechts Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie
37. De kandidaten kunnen uitleggen hoe de twee grondprincipes van de burgerlijke maatschappij (algemeenheid en bijzonderheid) zich manifesteren. Tevens kunnen zij uitleggen dat door de inwerking
van beide principes op elkaar het algemeen belang gediend kan worden terwijl toch niemand erop uit is dit te doen.

Rechtsfilosofie kan vertrekken vanuit twee verschillende posities. Aan de ene kant betreft de zoektocht naar wijsheid ten aanzien van het recht, een morele zoektocht: in hoeverre sluit een bepaalde straf aan bij het gevoel van rechtvaardigheid? Representeert de opgeschreven wet altijd het rechtvaardige?
Aan de andere kant kan een filosoof ook zoeken naar de betekenis van rechtvaardigheid en straf. Hoe wordt een gedeeld idee van rechtvaardigheid en daarmee de geconcretiseerde straffen en strafmaten vertaald in het recht? De vraag naar hoe mensen samen tot gedeelde wetten en daarmee rechtspraak komen, is een vraag waar Hegel zich mee bezig lijkt te houden. In “Hoofdlijnen van de rechtsfilosofie” (1821) werkt Hegel deze vraag systematisch en tamelijk complex uit.
Par. 182 (blz. 402)
Hegel maakt een onderscheid tussen een individu met eigen, geheel persoonlijke doelen, behoeften en natuurlijke neigingen: het bijzondere… het individuele, het niet algemene, persoonlijke.
De algemeenheid kan begrepen worden als de wereld buiten het eigene, persoonlijke/bijzondere. De algemeenheid, de (buiten)wereld, “bemiddelt” tussen talloze bijzondere mensen (op zichzelf staande individuen). In de wereld komen alle bijzondere mensen elkaar tegen en gaan ze met elkaar om. Het algemene, de wereld, is een voorwaarde voor bijzondere mensen om bijzondere te kunnen zijn t.o.v. andere bijzondere mensen. Simpel gezegd: om op Instagram te kunnen laten zien hoe bijzonder je bent, heb je eerst een wereld nodig met internet, Instagram, waarin je andere mensen tegenkomt tegen wie je kunt “zeggen” hoe bijzonder je bent. Niemand is zomaar “bijzonder”, maar altijd bijzondere in het “algemene”: de wereld waarin het bijzondere (het individu) andere bijzondere mensen (individuen) tegenkomt.

Par. 183
Het individu wordt gemotiveerd uit een soort van eigenbelang “zelfzuchtig”. Maar het persoonlijke eigenbelang staat niet los van de algemeenheid, de wereld waarin het eigenbelang concreet gemaakt kan worden, waarin behoeftes concreet bevredigd kunnen worden. Deze algemeenheid kan als een systeem worden begrepen, waarin alles en iedereen samenvalt. Alles en iedereen draagt op een bepaalde manier bij aan (de vorming van) dit systeem. Deze vorming door alles en iedereen wordt vertaald in de “uiterlijke staat” en deze is “gebaseerd op behoefte en verstand”. De behoeftes en verstandelijke handelingen van alle individuen die op enigerwijze bij hebben gedragen aan een soort van totaalsysteem (de wereld).

Par. 189
Hierin gaat Hegel in op de vertaling van de eigen, subjectieve behoefte naar de bevrediging (objectiviteit). Oftewel: ik heb behoefte aan een taart… Deze behoefte kan alleen bevredigd worden door van deze behoefte ook daadwerkelijk een object (taart) te maken. Het maken van de taart (object) zorgt ervoor dat ik de taart ook kan opeten. Ik heb de buitenwereld nodig om ingrediënten, tijd en ruimte (keuken) te kunnen gebruiken om een taart te bakken en op te eten :). Hegel geeft in deze paragraaf aan: “uiterlijke dingen die eveneens het eigendom en product van andere behoeften en willen zijn, en door de activiteit en arbeid die tussen beide kanten bemiddelen”. Wanneer iemand ingrediënten en de keuken gebruikt om een taart te bakken, dan kunnen anderen deze ingrediënten en keuken niet meer gebruiken. Aan de andere kant kunnen anderen de taart wel gebruiken/consumeren. De objecten (ingrediënten, taart, keuken) “bemiddelen” (objecten/buitenwereld) tussen bijzondere individuen. Omdat alle bijzondere individuen in dezelfde wereld objecten vormgeven en verbruiken, verbinden deze objecten (wereld) mensen met elkaar… ze worden allemaal via het objecten/de objecten/de wereld afhankelijk van elkaar.
Omdat de individuele behoeften puur individueel zijn en simpelweg een “mengel van natuurnoodzakelijkheid en willekeur” (par. 182) zijn, is het belangrijk om op zoek te gaan naar een “redelijke verhouding” in de wereld tussen de mensen en hun omgang met het object/de wereld. Gewoon maar blijven consumeren en bevredigen, is onredelijk en kan tot conflicten leiden. Daarom stelt Hegel dat redelijkheid niet kan zonder verstand. Het verstand en niet de menselijke natuur verzoent alle bijzondere mensen met eigen individuele behoeften met elkaar.

Par. 190
Hier haalt Hegel het “erboven” uitstijgen aan. De mens gebruikt de wereld/objecten om behoeften te bevredigen en is daarmee net als het dier afhankelijk van de wereld om de eigen behoeften te bevredigen. Maar wat de mens nog meer kan is in Platoonse zin te streven naar de universele, Goddelijke ideeën. Deze ideeën overstijgen de wereld en haar objecten. Ze zijn universeel en geheel eigen. Dit zou de “eigen algemeenheid” genoemd kunnen worden. Vanuit deze eigen ideeënwereld ontstaat enerzijds de formule: behoeften x middelen en anderzijds de verstandelijk handeling waarbij iedere behoefte wordt ontleden en onderscheiden in “afzondelijke delen en kanten”. Zo kan iemand de behoefte hebben om een taart te bakken, maar daarvoor moet iemand wel eerst ontleden en onderscheiden welke ingrediënten en middelen (keuken) nodig zijn. Deze verbijzondering van de behoefte (taart bakken) zorgt ervoor dat iemand met behulp van het denken niet zomaar de dierlijke neiging volgt, maar gestructureerd op zoek gaat naar delen die het geheel (taart) realiseren. Iemand heeft dus niet zomaar de behoefte om bevredigd te worden, maar wil graag een taart eten. Een taart is een abstract idee. De taart bestaat nog niet. Om een taart te kunnen eten, moeten talloze stappen worden uitgedacht. Dit is allemaal niet concreet, maar het gevolg van denken, voorstellen en abstractie.

Par. 191
In deze paragraaf gebruikt Hegel het concept verfijning. Het denken, voorstellen en beoordelen als verstandelijke handeling gaat oneindig lang door en blijft creëren, denken, voorstellen en beoordelen tot in de meest verfijnde details.

Par. 192
Het abstract uitdenken van stappen om tot het doel bevrediging te komen resulteert in twee dingen: 1. een concreet object (taart) die door anderen in de wereld vanaf het moment dat het concreet is ook daadwerkelijk bestaat. Anderen zien dat jij een taart gemaakt hebt, 2. het stappenplan, de abstracte manier van denken over het behalen van het doel, wordt een “gespreksonderwerp” tussen alle bijzondere individuen in de wereld. Men gaat uitwisselen en komt op een gegeven moment tot een gedeelde, rationele “manier van doel”/”manier van vorm geven”. Oftewel: in Nederland bakken we een taart zus en zo, via dit stappenplan, etc.

Par. 193
Hier ontstaat een dialectiek… tweezijdigheid. Enerzijds ontstaat er een algemene (abstracte) manier van doen die alle bijzondere mensen kunnen nadoen en anderzijds zorgt deze algemene manier van doen er ook voor dan mensen bijzonder kunnen zijn. Bijzondere mensen kunnen, omdat er een algemene manier van doen is, ervoor kiezen om op een andere en dus bijzondere manier de taart te bakken. Om iets bijzonders te kunnen bakken, moet ook duidelijk zijn van algemeen en daarmee niet bijzonder is. Om aan de andere kant iets algemeens te kunnen bakken, moet ook duidelijk zijn wat het algemene allemaal niet is (bijzonder).

De Duitse dichter Goethe zei ooit eens: In de beperking toont zich de meester. Hegel is een tijdgenoot in de nadagen van Goethe. Op pagina 405 (laatste regels rode tekst) wordt Hegels vrijheidsbegrip in lijn met deze dichtregel uitgewerkt: “Vrijheid ligt alleen in de reflectie van de geest in zichzelf, in zijn onderscheiding van het natuurlijke en in zijn reflectie op de natuur“. Vrijheid is niet zomaar een beetje kiezen tussen optie a of b. Vrijheid is reflectie! Reflectie in de Kierkegaadse wijze als introspectie… het reflecteren op het eigen denken en het systematisch in abstracte termen stappen ontwikkelen. Omdat de mens kan reflecteren op het eigen handelen en in abstracte termen kan ordenen en systematiseren (rationaliseren) is de mens niet louter een slaaf van zijn of haar natuur. De mens kan reflecterend tot een abstract idee komen tegen zijn of haar natuur in (denk bijvoorbeeld aan het geven van het eigen leven omdat iemand ergens in gelooft… dat geloof bestaat concreet niet in de wereld… het is abstractie). Daarnaast richt reflectie zich niet alleen op het innerlijke (introspectie), maar ook op het uiterlijke (de wereld/natuur/object).

Par. 195
Met formeel lijkt Hegel te refereren naar “vorm” en specifiek het vorm-geven aan… het creëren/systematiseren/ordenen/etc. Het bijzondere blijft geheel eigen, maar het is de reflecterende mens die vorm geeft aan het bijzondere. Dit de bijzondere behoefte (stapsgewijs en systematisch) vertaalt naar concrete objecten die deze behoefte kunnen bevredigen.
Hegel geeft wederom het dialectische karakter aan van het vorm-geven/het formele. Enerzijds resulteert de verfijning en het blijven vorm-geven (Hegel noemt dit “vrije wil“!) aan de wereld door het ontwikkelen van objecten met behulp van materie voor steeds meer luxe. Anderzijds biedt materie (de wereld) weerstand. De middelen en objecten zijn wellicht het product van de (vormgevende) vrije wil, maar opgebouwd uit materie en deze materie ontwikkelt en verandert door de tijd heen de middelen en objecten. De materie biedt weerstand! (Waardoor dus de mens weer aangezet wordt tot (her)ontwikkelen en creëren en dus het inzetten van vrij wil!)

Par. 196
Arbeid is niet louter een menselijke handeling. Arbeid is ook geen onderdeel van de natuur. Arbeid is de bemiddeling tussen de persoonlijke behoeften en de middelen die uit de natuur voortkomen. Het verschil tussen middel en materie maakt wellicht het een en ander duidelijk. Een middel is een instrument (voortbrengsel) dat door de mens is vormgegeven. Hiervoor een materie nodig. Een instrument bestaat uit materie, maar materie is niet altijd een instrument. Een instrument heeft altijd een doel voor een mens. Een hamer is voor een mens functioneel, maar niet zozeer voor een vlieg of een vogel. In ieder instrument, ligt een door de mens bepaald doel. Een mens onttrekt materie uit de wereld om hiervan een middel/instrument te maken. Met die object/instrument kan de mens door middel van handelen de eigen behoeftes bevredigen… Deze handeling/brug tussen instrument/object en eigen behoeftes is arbeid.

38. De kandidaten kunnen uitleggen wat Hegel verstaat onder theoretische en praktische vorming door het arbeidsproces, waarbij met name aandacht
wordt besteed aan de subjectieve en objectieve kant ervan. Ze kunnen daarbij uitleggen dat deze vorming samenhangt met arbeidsdeling, productiviteit en automatisering.

Par. 197
Hegel onderscheidt theoretische vorming en praktische vorming.
Theoretische vorming komt voort uit het voorstellingsvermogen en het vermogen om bepaalde zaken in abstracte ideeën te vatten (zie par. 190). In lijn met de mogelijkheidsvoorwaarden van Kant (ruimte, tijd, vorm, etc.) gaat het niet alleen om het vatten van (complexe) ideeën, maar ook om ideeën met elkaar te verbinden tot nieuwe complexe ideeën. Het verbinden is een werkwoord. In tijd en ruimte kan de mens bewegen en kunnen ideeën ook bewegen en met elkaar verbonden worden. Heel simpel. Wanneer er geen tijd en ruimte zou bestaan, zou niemand iets kunnen doen, laat staan arbeid verrichten en ideeën verbinden. Tijd en ruimte maken het mogelijk om ideeën te verbinden en nieuwe theorieën te vormen (verbinden en vormen zijn beide werkwoorden die alleen gedaan kunnen worden als hiervoor dus ruimte en tijd is 🙂 ).
Cruciaal voor Hegel is taal! Het blijven vormgeven en verbinden van complexe ideeën zou niet ontwikkelen, wanneer er geen plek (boek/internet) is met een methode (schrift).
Praktische vorming betreft het “met iets bezig zijn” (p. 406) als bemiddeling tot de individuele behoefte en de begrenzing (beperking) van materiaal en anderen in de wereld.

p. 198
Abstractie = specificering (van middelen en behoeften). Dit leidt tot specifiekere productie, arbeidsdeling (concreet in de gezamenlijke wereld/gemeenschap). Arbeidsdeling zorgt voor eenvoudigere taken en specifieke ontwikkeling van vaardigheden en meer productie (lijkt op Adam Smiths voorbeeld van de speldenmaker). Deze abstractie van vaardigheden en productie typeert de wederzijdse betrekking en afhankelijkheid van mensen in de wereld. Belangrijk is te begrijpen dat abstractie leidt tot specificering van produceren. Produceren is een onderdeel van werk. Hoe systematischer en abstracter het produceren, hoe mechanischer de wereld wordt vormgegeven, hoe dichter we bij een abstracte wereld als machine/automaat geraken.

HGL – Week 12

Voordat Hegel wordt besproken, kunnen de volgende twee bronnen (krantenartikel uit trouw en een inleidend youtube filmpje) een handige inleiding zijn voor het denken van Hegel. Probeer voor jezelf aan het einde van deze week eens de weg van Kant – Hegel – Marx uit te werken.

https://www.trouw.nl/nieuws/de-wake-up-call-van-hegel~b7053c2b/

34. De kandidaten kunnen de opvatting van Hegel uitleggen waarin individuele (subjectieve) vrijheid niet kan worden verwerkelijkt zonder de specifieke sfeer van zedelijkheid, die hij ‘burgerlijke maatschappij’ noemt.

Zeden zijn handelingen die maatschappelijk gezien gewenst en fatsoenlijk zijn. Zeden worden met name bepaald door tradities en normen en waarden in een bepaalde cultuur of samenleving waar iemand leeft. Het zijn gebruiken die worden vastgesteld door een bepaalde groep in de maatschappij.”

Aan het einde van week 11 werd al gesproken over het verschil tussen het individuele streven vanuit een Goddelijk idee en de individuele verantwoordelijkheid moreel te handelen zodanig dat iedereen het zou moeten doen. Het klassieke verlichtingsideaal van Immanuel Kant. Aan de andere kant benadrukte MacIntyre in lijn met Aristoteles de veelvormigheid van de dagelijkse praktijk. In-de-wereld, in de gewone alledaagse praktijk, zijn er verschillende mensen met allemaal eigen belangen en ideeën die niet altijd op elkaar aansluiten. Persoonlijk ervaart iemand eenheid anders wordt men gek, maar in-de-wereld zijn er verschillende mensen met uiteenlopende ideeën. De wereld is daarmee veelvormig en divers.

Hegel probeert het verlichtingsideaal van het autonome individu (persoonlijke vrijheid, p. 191) te verbinden met de dagelijkse veelvormige praktijk. De mens kan alleen een autonoom individu zijn, wanneer er ook een wereld is met een bepaalde ordening waarin iemand individu kan zijn. Autonomie staat daarmee niet los van de wereld waarin iemand zit.
Oftewel in leerling-termen: Je kunt niet vrij zijn als er geen wereld is WAARIN je vrij kunt zijn. Vrijheid en keuzes komen voort uit de wereld waarin je opgroeit. En “gebonden” aan deze wereld waarin je je begeeft, ga je op zoek naar nieuwe manieren om deze wereld en al haar instituties, sociale structuren en culturele en politieke systemen vorm te geven. Hegel (p. 191) onderkent de collectieve context waarbinnen iedereen kan groeien. Een punt waar Kierkegaard, die de individuele relatie tot de eigen innerlijke overtuiging centraal stelt, nauwelijks op lijkt te reageren. Laat de onderstaande uitspraak van Goethe (In de beperking toont zich de meester) eens tot je doordringen. Ben je als studerende vrij als je mag leren wat je wilt of heb je strenge regels en structuren nodig (beperkingen) waar tegenover je je kunt verhouden en je in vrijheid deze structuren kunt hervormen. En dat juist het hervormen en het oefenen een vrije menselijke (individuele subjectieve vrijheid) kwaliteit is. Een kwaliteit die niet kan zonder structuur… zonder wereld, zonder burgerlijke maatschappij! Hegel benadrukt zelfs het aspect van de ordening van de wereld, collectieve sfeer, als iets volstrekt vanzelfsprekends. Iets waar we niet eens echt van bewust zijn. De (p. 191) bijbehorende wijze van doen noemt Hegel zedelijkheid. Hoe vanzelfsprekend was het nog niet zo lang geleden om Zwarte Piet te omarmen tijdens het Sinterklaasfeest, vlees te eten en stikstof uit te storen? Allemaal zaken waar we in korte tijd van bewust zijn geworden en die de vanzelfsprekendheid heeft doorbroken. Voor Hegel is de politieke en sociale structuur en daarmee de zedelijkheid, het vanzelfsprekende samenleven, een noodzakelijke basis voor de samenleving en daarmee het goede leven. De moderne maatschappij, anders dan de oude Grieken, wordt gearticuleerd in een burgerlijke samenleving.

35. De kandidaten kunnen de opvatting van Hegel over Anerkennung als ‘verdubbeling van ons zelfbewustzijn’ uitleggen met behulp van een voorbeeld en daarmee kritiek leveren op de atomaire vrijheidsopvatting.

In de wereld samen met anderen zoekt men naar groepen met wie iemand zich kan identificeren. Denk hierbij in hele platte zin aan voor- en tegenstanders van Zwarte Piet. Sommigen identificeren zich met de voorstanders en sommigen met de tegenstanders. Beide groepen identificeren zich met diegenen die een strijd voeren over het thema Zwarte Piet. Daar waar de oude Grieken het al hadden over de zorg voor het huishouden (Oikonomos) en de vanzelfsprekendheid van de polis en de plek in de polis, geeft Hegel aan dat ieder mens zich thuis wil voelen bij een groep in de wereld. Vervreemding is een kernbegrip bij Hegel. Denk hierbij aan de voorstanders van Zwarte Piet die zich niet meer thuis voelen in het Nederland waarin mensen de Zwarte Piet niet meer willen zien. Op deze manier vervreemden de voorstanders van de tegenstanders. Dit heeft vanzelfsprekend invloed op wat we vanzelfsprekend achten en daarmee ook op de zedelijkheid (politieke en sociale structuren).

Anerkennung gaat lijnrecht in tegen een opvatting die we tegenwoordig vaak horen waarbij vrijheid wordt gereduceerd tot keuzes maken. Je bent als leerling vrij omdat je mag kiezen tussen een paar opdrachten: individuele keuzevrijheid. Individuele keuzevrijheid is vanuit Hegel een beperkte vrijheid! Vrijheid ligt volgens Hegel niet in het kiezen tussen het een of ander, maar ligt daar waar mensen met elkaar omgaan en relaties aangaan met elkaar: erkenning (van de ander). De manier hoe ik mijn leven vorm geef door de jaren heen, hoe ik mezelf ontwikkel, staat niet los van andere mensen en instituten. Het vormgeven aan mezelf in de wereld, samen met anderen, opent vrijheid! Dit is niet louter een individuele keuze!

De verdubbeling van van ons zelfbewustzijn draait om de geest! De geest ondermijnt het atomaire vrijheidsbegrip en de beperkte keuzevrijheid. Vrijheid ontstaat tussen mensen. Daarvoor moeten mensen elkaar erkennen als mensen. Mensen moet elkaar erkennen als mensen die zichzelf en elkaar vorm geven. De wereld geeft mij de context van waaruit ik vrij kan ontwikkelen. Terwijl ik ontwikkel, vorm ik de wereld. Aangezien de wereld bestaat uit mensen, ben ik zelf gevormd door mensen en kan ik van daaruit de wereld met mensen vormgeven.

Besef dat ieder mens op een eigen individuele wijze de gezamenlijke wereld vormt. Er is dus een individueel aspect en een gezamenlijk aspect! Maar! Ieder mens kan niet ontkennen dat andere mensen ook op eigen individuele wijze de gezamenlijke wereld vorm geven. In deze gezamenlijke wereld met allemaal mensen die op eigen individuele wijze vormgeven, verhouden alle mensen zich tot elkaar. Er is sprake van wederkerigheid! Iedereen begrijpt van elkaar dat er gezamenlijke en individuele aspecten spelen en dat we op elkaar aangewezen zijn. We kunnen de ander niet zomaar ontkennen en naast ons neerleggen. Dat zou een ontkenning zijn van de vrijheid van de ander die net als jij zoekt naar het individuele en het vormgeven van het gezamenlijke.

Regelmatig heb ik een discussie met mensen over de vraag wat de vrije wil is. Velen refereren dan naar neurowetenschappers die stellen dat de vrije wil niet bestaat. Maar deze mensen hebben wellicht een beperkte opvatting van vrijheid en vrije wil. Voor deze mensen staat keuzevrijheid centraal! Stel er ligt een appel en een ei voor je neus. Neurowetenschappers stellen dat je hersenen reeds een keuze hebben gemaakt nog voordat je zelf bewust bent van je keuze. Vervolgens strekken ze de conclusie dat de vrije wil niet bestaat. Maar dit is vanuit Hegel onjuist. Vrijheid betreft niet het kiezen tussen een appel of een ei, maar betreft het samen met anderen door de jaren heen vormgeven aan jezelf en de wereld.

36. De kandidaten kunnen de opvatting van Hegel over arbeid uitleggen waarin het individu zijn behoeften ‘bemiddelt’, zichzelf vormt en daarmee zijn eigen vrijheid en geluk verzoent met de gemeenschap. Zij kunnen daarbij ook uitleggen dat in corporaties en in de staat private belangen door wederzijdse erkenning worden verzoend in een bestendige gezamenlijkheid.

Het individu lost niet op in een wij (p. 194). Ik vorm de wereld waarin ik anderen erken in een wederkerige verhouding en de wereld “vormt” mij. Deze wederzijdse erkenning vertaalt zich thuis (oikos), in de politieke en sociale instituten en alle andere vormen in de samenleving/burgerlijke maatschappij. Corporaties, instituten, etc. zijn in zekere zin alleen maar gestructureerde samenwerkingsverbanden die tot stand zijn gekomen door menselijke interactie (Hegel) en waarin experts kunnen groeien (Aristoteles/MacIntyre).

Het verschil met MacIntyre (en in zekere zin ook Aristoteles) kan geduid worden door de praktijk te benadrukken. MacIntyre stelt dat de praktijk experts vormgeeft door te oefenen. Experts weten wat het beste is en welke keuzes gemaakt moeten worden omdat ze ervaring op hebben gedaan in de praktijk.
Voor Hegel is de dagelijkse praktijk een wereld waarin mensen elkaar erkennen en dat uit deze erkenning een wereld wordt vormgegeven met instituten. Neem bijvoorbeeld het economisch systeem. Hegel, in lijn met Adam Smith, gaat niet zozeer uit van een expert zoals een ondernemer die de juiste egoïstische keuzes maakt om ten koste van de ander beter te worden. De mens moet juist de behoeftes van de ander erkennen en juist de wederzijdse erkenning kan ervoor zorgen dat de producent de juiste producten produceert die de consument wil consumeren. En daarnaast is het economisch systeem, zoals dat is georganiseerd, in veel opzichten voor ons vanzelfsprekend en daarnaast ook het product van wederzijdse erkenning en ontwikkeling. Iemand die de gezamenlijkheid niet erkent en anderen daarmee ook niet erkent, zal moeilijk in vrijheid zichzelf kunnen ontwikkelen. Iemand die zelf niks wil bijdragen aan de ontwikkeling van de gezamenlijke wereld, zal zichzelf ook niet ontwikkelen. De dagelijkse praktijk is niet alleen maar een praktische oefening in expert-wording, maar ook een oefening in het samen vorm geven aan de wereld en elkaar en elkaar erkennen als mensen met een individuele behoefte en streven.

Het is dan ook niet vreemd dat Hegel en von Humboldt mensvorming en onderwijs samen laten vallen onder het thema Bildung, waarbij onderwijs erop gericht is lerenden oefenen in het samenleven en vorm geven aan de wijze van samenleven. Hiervoor moet de lerende “gebildet” worden: oefenen in het ervaren van rijkdommen van de samenleving in breedste culturele, sociale, politieke, kunstzinnige, wetenschappelijke, religieuze zin van het woord… brede vorming dus.

Lees in dit kader ook het artikel “Maar welk onderwijsheid willen we?”.

Essay-opdracht “MacIntyre”

Primaire tekst (9): Alasdair MacIntyre – After Virtue Na de deugd. Een moraalfilosofisch onderzoek
39. De kandidaten kunnen aan de hand van een uitgewerkt voorbeeld – afkomstig uit kunst, spel, wetenschap, gezin of politiek – weergeven wat MacIntyre verstaat onder praktijken en daarbij de begrippen interne en externe goederen uitleggen en van elkaar onderscheiden. Daarbij kunnen zij uitleggen dat interne goederen alleen te herkennen of te identificeren zijn door deelname aan een specifieke praktijk.

Werk voorbeeld/context/praktijk uit waarbinnen een bepaalde discipline heerst om vervolgens binnen deze discipline uit te werken wat de internal en external goods zijn en daarnaast de relatie is tussen deze “goods”. Geef tevens aan hoe het komt dat mensen uit een andere praktijk bepaalde interne goederen niet kunnen herkennen of identificeren. Probeer ook eens een gedachte-experiment uit te voeren waarbij je op sociale media gaat zoeken naar mensen die interne goederen proberen te herkennen of identificeren zonder kennis, ervaring en inzicht uit de werkelijke praktijk. Wellicht kan vervolgens ook aangegeven worden, wat de impact kan zijn van een dergelijke ontwikkeling (online).

Filosofie & Economie – week 1

1. Economie (oikonomos)

In onze tijd geven we een aparte status aan ondernemers (handelaren). De vrije markt zorgt ervoor dat ondernemers over de grenzen van de polis, de staat en het land over de hele wereld kunnen handelen. Plato stelt dat dit zorgt dat slechts bepaalde mensen rijk worden en dat door de handel vreemde invloeden van buiten naar binnen komen. Geld verdienen met geld noemt Aristoteles later chrematistiek: de geldvermeerderingskunst. Aristoteles zal later beargumenteren dat de geldvermeerderingskunst de samenleving (polis) ondermijnt en de politici haar greep verliezen op de samenleving. De geldvermeerderingskunst gaat namelijk verder dan de grenzen van de stad (vrije markt/globalisering). Volgens Aristoteles staat de chrematistiek linea recta tegenover de oikonomos. Oikonomos staat voor zorg (nomos) voor de huishouding of het huis (oikos). Het begrip economie (oikonomos) betekende oorspronkelijk dus “zorg voor de huishouding” en was aan de regels van de polis en politiek gebonden. Tegenwoordig leven we in een vrije markt, waarbij het woord economie meer wegheeft van chrematistiek dan van haar oorspronkelijke betekenis. Wellicht ondermijnt de vrije markt en daarmee de chrematistiek (geldvermeerderingskunst) het politieke leven en democratieën: https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/het-is-de-vraag-of-de-huidige-vorm-van-wereldvrijhandel-onze-samenlevingen-en-onze-geopolitieke-positie-ten-goede-komt~b1e7053b/. Denk hierbij aan de handelaar die voorbij de eigen grenzen van de stad en zijn of haar medeburgers vooral voor zichzelf en de eigen ontwikkeling geld wil verdienen. De ontwikkeling van het eigen subject ondermijnt mogelijk het samen leven en het Goede Leven. (Voor meer diepgang (en de gevaarlijke weg van Heidegger, via Plato richting het Nazisme -> zie Heidegger, pagina 62 en zijn concept van Dasein en het gevaar van het collectiviteitsdenken). In ieder geval kan Nederland niet meer zonder andere landen. Militair, maar ook technologisch (tv’s, auto’s, machines, voedsel, etc.) zijn we niet meer zelfvoorzienend (autarkisch van autarkeia). Deze afhankelijkheid zorgt ervoor dat we anderen wel moeten toelaten. De vraag blijft hoe om te gaan met het vreemde zonder aan politieke macht en eenheid te tornen.

2. Moderniteit – manier van denken


Hiërarchie: rangorde ( http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/hierarchie)
Formaliteit: volgens de afgesproken vorm (form)
Rationaliteit: berekenbaarheid, methodologisch, reflexiviteit (makkelijk te verliezen -> risico om verloren te raken in een calculerende en betekenisloze routine).
Systeem/instituties/organisatie: gedeelde en afgesproken normen en waarden die in een gestructureerde vorm worden gegoten.
Sociale stratificatie: mensen leven samen (sociaal) en passen zich aan (socialisatie). Stratificatie betekent dat mensen in lagen worden ingedeeld. De ene heeft een belangrijke en hoge functie in de groep en de ander een lage. Op de manier wordt op sociaal niveau de mens gestructureerd in een maatschappij met hoge en lage treden.
Macht/politiek: politiek draait om de verdeling van macht. Wie macht heeft, kan de eigen normen en waarden vertalen in de (her)vorming van bestaande systemen/instituties.
Politieke partijen: groepen mensen die met macht aan de slag gaan.
Klassen: sociale groepen in de samenleving. Bijvoorbeeld de sociaal zwakkeren en de hoge middenklasse.
Status: Hoe wordt naar iemand gekeken vanuit de groep? Status kun je jezelf niet opleggen, maar wordt gegeven.

3. Economische rationaliteit

Homo Economicus: algemeen – quasi-Latijn: veronderstelling dat de mens economische handelt. Hiermee wordt bedoeld dat de mens rationeel, efficiënt en logisch denkt en handelt. ‘de calculerende burger’ is een synoniem. Voor het doorrekenen van modellen is het gemakkelijk de mens als rationeel te veronderstellen. De tegentheorie van de ~ beseft dat een mens soms ook irrationeel handelt, of handelt naar een onderbuikgevoel, bijvoorbeeld impulsaankopen, merkentrouw, aankopen in een kwade of goede bui, etc. Al in de jaren 30 vorige eeuw won deze tweede zienswijze het onder economen: de mens handelt om zijn behoeften te bevredigen, en deze behoeften zijn subjectief.
(https://www.economischwoordenboek.nl/?zoek=homo%20economicus)

Rationaliteit: berekenbaarheid, methodologisch, reflexiviteit (makkelijk te verliezen -> risico om verloren te raken in een calculerende en betekenisloze routine).

Homo Economicus: de mens die op rationele, methodologische en berekenende wijze de zorg voor de huishouding om zich neemt.

Echter, de mens is niet puur rationeel, methodologisch en berekenend en de mens handelt soms ook uit moraliteit. De mens is gebonden rationeel (bounded rationality) en daarnaast koopt de mens niet alleen rationeel en berekenend, maar ook gewoon bij een familielid, vriend of buurman (of buurvrouw) omdat deze persoon hierbij een fijn gevoel krijgt. De zorg voor de huishouding is niet alleen een financieel plaatje, maar ook een plaatje van gevoel en vertrouwen. Deze zorg is ook niet alleen maar gebouwd op eigen belang.