Scepticisme – par. 3.4 + 3.5 – vragen

  1. Wat wordt bedoeld met het contextualisme?
  2. Moore draait het basisargument van het scepticisme om (pagina 87). Wat is het basisargument van het scepticisme en in hoeverre draait Moore dit argument om?
  3. Werk uit hoe Moore reageert op het droomargument van Descartes. Verwerk in je antwoord ook het concept van het gezonde verstand.
  4. Waarom hangt het “weten dat” af van de context waarbinnen met “weet dat”? Leg tevens uit wat de kerngedachte is van het contextualisme (pag. 89). Verwerk in je antwoord de omstandigheden binnen een gegeven context en de lage en hoge eisen die we stellen voor het “weten dat”.
  5. Bekijk Ames Room (pag. 88). Waarom is de correspondentie met de feiten als waarneming niet voldoende?
  6. Wat wordt bedoeld met het relevantisme?
  7. Leg uit wat de kerngedachte van “gewone-taal-filosofie” is.
  8. Wanneer is genoeg genoeg? (Pag. 91). Hoe ver moeten we gaan in het uitsluiten van sceptische alternatieven?
  9. Wat is het verschil tussen het contextualisme en relevantisme?

Scepticisme – par. 3.3 – antw.

  • Waar staat de correspondentietheorie voor? Waar gaat deze theorie vanuit?
    De correspondentietheorie gaat uit van het idee dat de feiten moeten “corresponderen” met de feiten. Het klinkt bijna te vanzelfsprekend voor woorden. Iets is pas waar als het “klopt” met de feiten. Maar soms denken we dat iets waar is, maar in werkelijkheid correspondeert datgene waarvan we denken dat het correspondeert met de feiten, niet met de feiten. Dan zijn we wel overtuigd van de correspondentie met de feiten, maar is dat in werkelijkheid niet zo.
  • Wat is het verschil tussen correspondentie en coherentie? Welke vraag speelt bij correspondentie geen rol en bij coherentie wel? Bij coherentie komen feiten voort uit een vooraf gestelde theorie/opvatting. Bij correspondentie is dat niet noodzakelijk.
  • Lees de primaire tekst van Plato, Wat is kennis? (blz. 195-196 uit het Voordeel van de Twijfel). Er zijn drie voorwaarden voor kennis: I. De persoon moet overtuigd zijn en II. Het moet waar zijn. De derde voorwaarde is, in lijn met Plato, de verantwoording of rechtvaardiging. Wat houdt de verantwoordingseis in? Zorg ervoor dat de eis voor verantwoording wordt gelinkt met het uitgangspunt van de -correspondentietheorie. De verantwoordingseis is noodzakelijk om te voorkomen dat onze overtuiging dat iets correspondeert met de feiten ook daadwerkelijk correspondeert met de feiten. De overtuiging moet verantwoord worden. Zoiets als: het is 1 uur, omdat ik nu kijk naar de klok en ik zie dat de wijzers op 1 uur staan.
  • Leg uit waarom het problematisch is, op basis van het voorbeeld van Russells klok, om uit te gaan van de verantwoordingseis als derde voorwaarde voor kennis? Het is in het geval van de klok noodzakelijk om alternatieve gedachte-experimenten uit te voeren van mogelijke andere overtuigingen/ideeën/feiten die wellicht ook corresponderen met de feiten maar de eigen overtuigingen weerleggen. Stel bijvoorbeeld vragen als: Is er een wereld mogelijk waarin de klok toevallig op 1 uur staat, maar dat deze klok niet goed loopt of kapot is? Dit soort tegenfeitelijke gedachte-experimenten kunnen voorkomen dat we iets verantwoorden en voor “waar” aannemen dat als zodanig niet waar is.
  • Welke eis stelt Robert Nozick voor in plaats van de (klassieke) verantwoordingseis? Waar gaat deze eis vanuit? Verwerk in je antwoord de noodzaak om een tegen-feitelijk gedachte-experiment uit te voeren. Haal desnoods nog paragraaf 1.7 (blz. 40) er nog eens bij. De waarheidsgevoeligheidseis. Nozick stelt voor om tegenfeitelijke gedachte-experimenten uit te voren. De vraag is natuurlijk hoeveel experimenten relevant zijn. Zo kun je toch weer eindeloos doorgaan.

Filmfilosofie (4)

Aristoteles gaf aan dat het plot, het belangrijkste component is van een Griekse tragedie. Echter, we hebben ook gezien dat gegeven tijd, plaats en bewegend beeld, de film veel meer elementen in zich draagt dan een traditionele Griekse tragedie. Deze week gaan we iets dieper in op het aspect van het narratief (het verhaal). Hierbij gaat het om het verhalen of vertellen van een verhaal met bijvoorbeeld een plot.

  1. De vraag die we ons zouden kunnen stellen is de vraag naar het zuivere idee van een verhaal of vertelling? Moet er altijd taal aanwezig zijn? Hoe zit dat dan met stomme films (een film waarin niet wordt gesproken)? Is een verhaal een onderdeel van de film als kunst? Kan het verhaal in zichzelf een zuiver idee uitdragen of blijft het via de film altijd een imitatie?
  2. Een zanger als Bob Dylan wint zelfs de Nobelprijs voor de literatuur. Dylan wordt door velen gezien als een verhalenverteller. Hij vertelt over de wereld, de Verenigde Staten, het leven… maar toch zijn het imitaties van de werkelijkheid of niet? Volgens velen spreekt Dylan “the voice of truth” en zoals Dylan zelf zegt: “And the voice of thruth is not a pretty one”. Maar wat is deze waarheid dan? Is dat de letterlijke vertaling van zijn teksten of zit er iets tussen de regels, voorbij het letterlijke verhaal dat grote groepen mensen aanspreekt als waarheid?

3. Bekijk de bovenstaande (kunst)film van Bill Viola. Is deze film een kunstfilm, waarom wel of niet? In hoeverre draagt deze film bij naar de zoektocht naar het zuivere idee/waarheid?

4.  Bekijk het bovenstaande filmpje van de gebroeders Dudok de Wit. Is taal noodzakelijk om een verhaal te vertellen?  Is deze korte film kunst? In hoeverre draagt dit filmpje bij aan het zoeken naar het zuivere idee/waarheid?

5. Bekijk de bovenstaande filmpjes. De eerste twee filmpjes hebben geen tekst en wellicht geen plot. Is hier sprake van kunst? Kunnen deze filmpjes iets zeggen over het zoeken naar het zuivere idee/waarheid?

6. Het laatste filmpje gaat over de tv-serie Twin Peaks. Deze serie heeft een verhaal, gesproken tekst en een plot. Echter, het blijft voor velen volstrekt onduidelijk wat het verhaal is. Is dit kunst? Draagt deze serie bij aan een zuiver idee/waarheid?

Ik adviseer iedereen om naast Stalker van Tarkovsky, ook de nieuwe series Twin Peaks te kijken. Deze serie is voor mij tot op heden een groot mysterie en je wilt de serie tientallen keren afzetten… maar toch blijf je kijken.

  • De vragen van vorige week blijven staan voor deze week.

 

 

Parlementaire democratie – hoofdstuk 4 “Verkiezingen” – antwoorden.

4. Verkiezingen

VRAGEN  blz. 78

  1. In een dictatuur is de macht in handen van een kleine groep mensen. Die beschermen hun macht door tegenkandidaten te weigeren, zodat alleen kandidaten verkiesbaar zijn die loyaal zijn aan het regime.

 

  1. a. Een kiesdrempel zorgt ervoor dat kleine partijen niet in het parlement komen, waardoor de politieke besluitvorming sneller gaat en partijen makkelijker coalities kunnen vormen.

Voer een klassengesprek over de meerwaarde en het effect van kleine, principiële partijen in het parlement.

  1. Niet echt, er is wel een kiesdrempel maar die is dermate laag (0,67 procent van het totale aantal stemmen) dat het voor een kleine partij relatief makkelijk is om een zetel in de Kamer te krijgen.

In landen als Duitsland, België (beide 5 procent) en Zweden (4 procent) hebben kleine partijen het aanzienlijk moeilijker.

 

  1. One man, one vote” past bij het evenredige kiesstelsel omdat iedere stem even zwaar meetelt bij de verdeling van de zetels.

The winner takes it all” past bij het districtenstelsel. De kandidaat die in het district de meeste stemmen haalt, wordt de afgevaardigde in het parlement.

De stemmen op de verliezende kandidaat tellen niet mee.

 

  1. Voorbeelduitwerking eerste vraag:

–      Kiezers laten zich leiden door de peilingen in plaats van door partijprogramma’s.

–      Kiezers denken dat ze geen verschil kunnen maken en gaan niet stemmen.

–      Partijen die laag in de peilingen staan krijgen ten onrechte een verliezersimago.

–      Kiezers besluiten mogelijk onterecht om strategisch te stemmen.

Antwoord tweede vraag: eigen mening leerling.

 

  1. 5. Voordeel: hierdoor kunnen partijen makkelijker een meerderheidscoalitie vormen.

Nadeel: de grootste partij krijgt meer macht dan door het volk is toebedeeld.

De regeling waarbij de winnaar van de Griekse parlementsverkiezingen vijftig bonuszetels krijgt, is sinds 2016 afgeschaft. Gelijk met deze aanpassing in de Griekse kieswet werd de kiesgerechtigde leeftijd van achttien jaar verlaagd naar zeventien jaar.

Bediscussieer met de klas wat voor effect deze wetswijzigingen zullen hebben op de samenstelling van het parlement bij de volgende Griekse verkiezingen.

 

  1. In het regeerakkoord staat het te voeren kabinetsbeleid.

In de miljoenennota wordt de financiering van deze plannen samengevat.

Op gehaktdag legt de regering verantwoording af over het gevoerde beleid en de financiering zoals vermeld in de miljoenennota.

Deze dag bestaat sinds 2000 en wordt ook wel Verantwoordingsdag genoemd.

 

  1. Voorbeelduitwerking:

Door te stemmen op:

–      de grootste concurrent van het CDA, bijvoorbeeld de nummer twee in de peilingen;

–      een grote partij die niet wil regeren met het CDA;

–      een partij die een regering zonder het CDA mogelijk kan maken.

Bij deze vraag gaat het niet zozeer specifiek om het CDA, maar om de vraag wat een strategische stem is als je regeringsdeelname van een bepaalde partij wilt verhinderen.

Een ander voorbeeld van een strategische stem: stemmen op je tweede keuze, omdat de partij van je voorkeur onvoldoende zetels dreigt te halen om te kunnen meeregeren.

 

 

8    In het nieuws  blz. 79

 

  1. Het standpunt van de PVV komt dan overeen met zijn of haar ideeën.

Blijkbaar associeert die kiezer de islam ook met terreur en met joden-, homo- en christenhaat.

  1. Ja, spindoctors adviseren over een zo positief mogelijk imago en overtuigend beeld van de partij. Een goed verkiezingsspotje helpt daarbij.

Zie voor een interessant artikel over spindoctors: themasvwo.nl/spindoctors.

Beluister hier een interessant interview met de Vlaamse spindoctor Noël Slangen: themasvwo.nl/vlaamsespindoctor.

 

 

9    Tweede Kamerverkiezingen  blz. 79

 

  1. De PvdA: 29 zetels verlies.

Mogelijke verklaringen:

–      In de regeringsperiode met de VVD was de PvdA onvoldoende herkenbaar als sociaaldemocratische partij.

–      Veel PvdA-stemmers zijn overgestapt naar GroenLinks.

–      PvdA-stemmers hebben strategisch op de VVD gestemd om te voorkomen dat de PVV de grootste werd.

  1. 2012: GroenLinks, ChristenUnie, PvdD, 50PLUS, SGP, DENK, FvD.

2017: ChristenUnie, PvdD, 50PLUS, SGP, DENK, FvD.

0,05 x 150 zetels = 7,5;  afgerond is dat 8 zetels.

 

 

10    verkiezingsstelsels vergeleken  blz. 80

 

  1. Bij 2 procent zitten partijen met minder dan 3 zetels (0,02 x 150 = 3) niet in de Tweede Kamer. Maar DENK, SGP en FvD hebben respectievelijk 3, 3 en 2 zetels en zitten wel in de Tweede Kamer.
  2. Districtenstelsel: 7

Evenredige vertegenwoordiging: 13

  1. In een districtenstelsel krijgt de winnaar alle stemmen, waardoor een partij die in geen enkel district wint geen enkele zetel bemachtigt.

Bij het stelsel van evenredige vertegenwoordiging gaan geen stemmen verloren, waardoor dus meer partijen vertegenwoordigd zijn.

 

 

11    cartoon  blz. 80

 

Voorbeelduitwerking:

De 28 snaren symboliseren de deelnemende partijen aan verkiezingen. Met zoveel verschillende politieke standpunten is het lastig om tot een coalitie en uiteindelijk tot een regeerakkoord te komen.

 

 

 

12    alternatieve coalities  blz. 81

 

Voorbeelduitwerking (veel meer antwoorden zijn mogelijk)

 

Coalitie Aantal zetels Waarom onhaalbaar?
VVD – PVV – SP – GL 81 VVD, SP, GL sluiten de PVV uit
VVD – CDA – SP – GL 80 SP sluit de VVD uit

 

Zie themasvwo.nl/coalitiechecker voor alle coalities die met vier partijen aan een meerderheid komen. Hier kan ook geselecteerd worden op ‘verenigbaarheid’.

 

 

13    wie zijn dit?  blz. 81

 

  1. Simone Weimans, presentatrice van NOS Journaal.
  2. Eva Jinek – presentatrice van talkshow bij de NPO.
  3. Gijs Rademaker – opiniepeiler bij de NPO.
  4. Frits Wester – politiek verslaggever bij RTL Nieuws.

 

 

14    OPKOMSTPERCENTAGES  blz. 82

 

  1. Dan is er minder draagvlak voor de democratie en verliest de politiek haar legitimiteit.
  2. Diverse trends zijn hier te beschrijven, afhankelijk van gekozen begin- en eindpunt. Voorbeelduitwerking:

Ten opzichte van 2008 is de opkomst bij de:

–      Europese Parlementsverkiezingen licht gedaald;

–      Provinciale Statenverkiezingen op een tussentijdse stijging na licht gedaald;

–      gemeenteraadsverkiezingen min of meer gelijk gebleven;

–      Tweede Kamerverkiezingen licht gestegen.

Of:

De Tweede Kamerverkiezingen hebben vergeleken met de andere verkiezingen voortdurend het hoogste opkomstpercentage.

Mogelijke verklaring:

De Tweede Kamerverkiezingen krijgen de meeste aandacht van de media, waardoor deze verkiezingen meer leven bij kiezers.

  1. Voorbeelduitwerking:

Voordelen:

–      Hogere opkomstpercentages.

–      Betere representatie in het parlement.

–      Meer betrokkenheid van kiezers bij de politiek.

–      Het voorkomt ‘free-riding’ (wel de baten van democratie, niet de kosten).

–      Kosten voor campagnes om het stemmen te stimuleren vervallen.

Nadelen:

–      Inperking van de vrijheid om niet te gaan stemmen.

–      Vertroebeling van de uitslag (door kiezers die willekeurig stemmen).

–      Partijen hoeven zich minder in te spannen om kiezers te overtuigen.

–      De verplichting zorgt voor meer weerzin bij de burger ten aanzien van de politiek.

Correctie: in België geldt een opkomstplicht, niet een stemplicht. Dit houdt in dat de burger de keuze heeft om blanco te stemmen.

 

 

 

15    IN HET NIEUWS  blz. 82

 

1     Nicolás Maduro, 2013 – heden, Venezuela

2     Kersti Kaljulaid, 2016 – heden, Estland

3     Justin Trudeau, 2015 – heden, Canada

4     Abdel Fattah Al-Sisi, 2014 – heden, Egypte

5     Donald Trump, 2017 – heden, Verenigde Staten

6     Emmanuel Macron, 2017 – heden, Frankrijk

 

 

16    WIE DOET WAT IN DEN HAAG?  blz. 83

 

 

 

 

Verkiezingsdebat

blz. 84

 

 

Zie ook ‘Gereedschap voor discussie en debat’ (bladzijde 14 en 15 van het werkboek en ‘Klassengesprekken en discussievormen’ in het document Inleiding en extra’s van de Docentenhandleiding I VWO 2018-2019.

 

Toelichting bij de punten 1 t/m 6:

 

  1. Laat bij de toewijzing van leerlingen aan partijen hun politieke voorkeur meespreken. Het debatteert makkelijker als je daadwerkelijk achter de standpunten van een partij staat, al is het ook uitdagend om juist een standpunt te verdedigen waar je niet achter staat.
  2. Vanzelfsprekend moeten de standpunten bij de uitgangspunten van de partij passen. Het is raadzaam dat de leerlingen kernachtig de standpunten over de zes thema’s voor zichzelf noteren.
  3. Het woordvoerderschap past bij de praktijk van de Tweede Kamer. Ook daar heb je specialisten per thema.

Laat woordvoerders zo veel mogelijk een thema kiezen waar zij affiniteit mee hebben. Zij hebben dan meer kennis over die zaak en kunnen er met meer bevlogenheid over praten.

  1. De debatleider houdt de tijd goed in de gaten: met het horloge in de hand.
  2. U kunt eventueel de punten vijf en zes overslaan als u niet gecharmeerd bent van dit competitie-element.

Benadruk dat het niet alleen gaat om de inhoud van de standpunten, maar ook om de vaardigheid om te debatteren en of de standpunten bij de identiteit van de partij passen.

  1. De beste partij en spreker verdienen uiteraard een applaus!

 

Filmfilosofie (3) – vragen

  1. Om over filmfilosofie te spreken kunnen we ons beperken tot de theorie over film. Echter, filmtheorie is het domein van de filmwetenschappen. Filmfilosofie zou wellicht beter kunnen vertrekken vanuit het idee van Poetics zoals omschreven door Aristoteles. Aristoteles gaat in Poetics op zoek naar de eigenschappen van een Griekse tragedie (toneelstuk). Eigenlijk is er in alle tijden nagedacht over de op dat moment relevante kunstvorm. De vraag is of de film ook een dergelijke analyse zoals Aristoteles in Poetics verdient. Bekijk het onderstaande filmpje:

2. Waarom moet Poetics niet gezien worden als een theorie over kunst, maar meer als een analyse van een Griekse tragedie? Wat is het verschil? (Minuut 2:35)
3. In minuut 3 stelt Aristoteles: “Tragedy is an imitation of an action that is admirable, complete and possesses magnitude; in language made pleasurable… performed by actors, not through narration, effecting through pity and feat the purification of such emotions”. Hoe zou Plato reageren op het waarheidsgehalte van de tragedie?
4. Wat zijn de zes componenten van een tragedie? (minuut 3:22).
5. Waarom is het plot het belangrijkste? En wat wordt bedoeld met de universaliteit van een plot?
6. Aan welke vijf karaktereigenschappen moet een acteur voldoen? (minuut 4:44).
7. Wat is het probleem, volgens Plato, wanneer een filmregisseur met de vier karaktereigenschappen in de hand een filmscript gaat uitwerken? Denk aan het risico van imitatie en reproductie.
8. Neem een eigen film en leg uit wat het idee of de gedachte achter de film zou kunnen zijn. Wat is het alom verbindende idee achter de film? Als er een universeel en alom verbindend idee achter te film zit, representeert de film dan niet een bepaalde, universele vorm van wijsheid/waarheid? In hoeverre kan film met een universeel achterliggend idee, bijdragen aan filosofie?
9. Wat wordt bedoeld met “diction” (eigenschap nummer 4)? In hoeverre is taal bepalend in een film?
10. Taal kan op verschillende manieren gebruikt worden volgens Aristoteles. Denk hierbij aan een versje, ritme, rijm, lange of korte vertellingen, platte taal, etc. Bekijk minuut 5:42 en reflecteer op een zelfgekozen film en leg uit hoe de taal in deze film wordt gebruikt.
10. De vijfde eigenschap is melodie. Melodie is meer dan alleen muziek. Melodie gaat ook over het ritme van de dialoog, het geluid van bepaalde handelingen (zoals een oorlog) en de muziek. Neem twee films in gedachte. Luister naar het ritme van de dialogen, het geluid van bepaalde handelingen en naar de muziek. Wat zijn de verschillen en overeenkomsten? Probeer twee totaal verschillende films te analyseren. (Bijvoorbeeld een film als Stalker enerzijds en Avengers anderzijds)
11. Doe hetzelfde voor de beelden/visuele elementen (punt 6. spectacle, min. 6.25). Denk hierbij aan de kostuums, lfilmset, icht en beweging in beide films.
12. Wat is volgens jou belangrijker voor een film? Een universeel plot of het geluid en het spectakel (het beeld).

Het PLOT:
13. Wat wordt bedoeld met het begrip “Catharsis”? Verwerk in je antwoord de begrippen medelijden en angst (minuut 7:00).
14. Noem twee voorbeelden uit het eigen leven waarbij er sprake is van Catharsis.

15. Waar staat “Hamartia” voor? Waarom is Hamartia heel erg belangrijk en waaruit bestaat de verantwoordelijkheid? (Minuut 7:25)

16. Leg uit wat herkenning (recognition), momenten van realisatie en herkenning, en de omkering (reversal), momenten waarbij de kijker het idee heeft dat de hoofdrolspeler zich iets realiseert maar dat nog niet doen, inhouden. (Minuut 7:50).

17. Bekijk een film vanuit de drie eenheden (unities): I. Tijd, II. Plaats en III. Actie (minuut 8:45). Voldoet de film aan de drie eenheden?

18. Huge Müsterberg is een van de eerste filosofen die heeft nagedacht over de film als filosofie en het onderscheid tussen film en theater/griekse tragedie. Lees desnoods het hoofdstuk “2. The nature of film”. Volgens Müsterberg onderscheidt de film zich van theater door haar technische mogelijkheden. Denk hierbij aan de factor tijd (flashbacks, close-ups en edits) en de factor plaats  (bewegende beelden op verschillende plaatsen). Film kan op een andere manier werelden openen in vergelijking met een theater.  Dit zorgt er ook voor dat de film een andere vorm is. Lees paragraaf 9.2.3. In hoeverre is volgens jou de vorm van de film bepalend of we wel of niet over een kunstfilm kunnen praten? En in hoeverre beperkt de vorm van de film het Platoonse streven naar verlichting?

19. In het bovenstaande filmpje wordt aangegeven dat volgens Müsterberg de film zonder een verhaal/plot, slechts een gadget is. Wat wordt hiermee bedoeld? Kan een film nog kunst zijn als het slechts een gadget is? Kunnen gadgets een bijdrage leveren aan filosofie?
20. In minuut 1:34 wordt gesproken over “cinema” als de kunst van de geest en een imitatie van mentale processen. Wat wordt hiermee bedoeld? Is deze imitatie bedrieglijk in het licht van Plato’s allegorie van de Grot? Of wordt hier een andere soort imitatie bedoeld?

21. Vanaf minuut 1:44 wordt het verschil tussen theater en film uiteengezet. Reflecteer op een film vanuit de verschillen tussen theater en film? Hoe zie je deze verschillen terug in de film?

22. Edits in films zorgen ervoor dat de kijker heen en weer blijft kijken. Kijk eens naar een stukje uit de film Stalker en daarna na een recente actiefilm. Bekijk de snelheid waarmee de beelden wisselen? Welke film heeft de snelste wisseling van beelden?
23. Wat is het effect op de kijker wanneer de beelden snel afwisselen? Wat is de impact van dergelijke edits om de mate waarin de film kan bijdragen aan reflectie, denken en daarmee filosofie?

24. Bekijk het bovenstaande filmpje. Wat is de impact van de close-up?
25. Waarom wordt steeds vaker in moderne films gebruik gemaakt van close-ups zoals in de nieuwe film over Vincent van Gogh (At etenity’s gate): https://www.vulture.com/2018/11/extreme-close-ups-are-defining-the-current-movie-moment.html
26. Dragen close-ups (en de functie van close-ups) bij aan reflectie, denken en filosofie?
27. In een film wordt het geheugen, de verbeelding en de emotie hapklaar gemaakt voor de filmconsument. Wat is de impact hiervan op de film als filosofie? Denk ook aan wat eerder is geschreven over de impact van Netflix op de film.

Filmfilosofie (1) – antw.

D. Bekijk nogmaals Plato’s allegorie van de Grot en lees deze website: https://kunst-en-cultuur.infonu.nl/kunst/127225-is-kunst-imitatie.html

  1. Leg uit wat de kern is van Plato’s Allegorie van de Grot. Verwerk in je antwoord het verschil tussen het zuivere idee in de geest en de troebele, slappe representaties van deze zuivere ideeën, in de (tastbare) buitenwereld.
    Het is belangrijk om een aantal punten samen te brengen. Allereerst het concept van imitatie en kunde (techne), daarna het concept kunst als expressie (par. 9.2.2) en vervolgens het historische concept van kunst dat in de tijd verandert van techne, via de artes liberales naar de schone kunsten en de esthetica.
    Techne: De oude Grieken beschouwden kunst als techne. Van het woord techne komt techniek vandaan. Techne kan het beste worden vertaald als een kunde. Volgens Plato bestond de kunde uit het imiteren van een zuiver idee of zelfs het namaken van een werk van de ander. Vanuit het perspectief dat de zuiverheid gelegen ligt in de (geestelijke) ideeën en niet in de imitaties in de tastbare werkelijke wereld, was Plato geen “fan” van techne in de oude betekenis van kunst.
    Natuurlijk heeft de tijd niet stilgestaan. Lees bijvoorbeeld eens https://kunst-en-cultuur.infonu.nl/kunst/127225-is-kunst-imitatie.html over kunst als imitatie en de verandering van de betekenis van het begrip kunst richting de schone kunsten en de esthetica, ergo: de schoonheidsleer. Kunst, techne, werd steeds minder imitatie en ging op zichzelf staan. Kunst werd steeds meer representatie, expressie en vorm qua concrete eigenschappen en schoonheidsleer als betekenis. Het gaat hierbij om de eigenschappen van kunst: kunst als representatie (9.2.1), expressie (9.2.2) en vorm (9.2.3) en de ontwikkeling van de betekenis van het begrip kunst richting de schoonheidsleer. De vraag die hier centraal staat is: Wanneer is iets schoon/mooi? In België spreekt men dan ook nog steeds over musea van de schone kunsten. De technieken/techne die schoonheid voortbrengen.
  2. Plato ziet de kunstobjecten als afspiegelingen van de werkelijkheid en het werk van de kunstenaar als een reproductieproces/imitatieproces. In hoeverre heeft Plato volgens jou wel of niet gelijk? Wat is de afgelopen jaren veranderd als we het hebben over kunst, kunstwerken en kunstenaars?
    Eigen mening
  3. Is een kunstenaar een leugenaar/bedrieger?
    Ik zou zeggen dat de essentie van de kunstenaar, of zoals men tegenwoordig zegt “maker”, verandert door de tijd heen. De oorspronkelijke betekenis van de kunsten als imitatie is veranderd richting een op zichzelf staande leer van de schoonheid. Iemand die schoonheid nastreeft, onderscheidt zich van de imitator. De vraag blijft wel wanneer er sprake is van schoonheid en of alle vormen van schoonheid ook kunst genoemd kunnen worden.

4. Bekijk het youtube-filmpje met Dave Grohl, de frontman van de rockband Foo Fighters. Als we kunst zien, willen we niet dat alles duidelijk is. We willen onze eigen ideeën erin vinden. Grohl zegt dat hij niet gaat uitleggen waar de liedjes over gaan omdat hij het belangrijk vindt dat je de interpretatie van liedjes moet overlaten aan het publiek. Grohl geeft aan, ondanks dat mensen verschillende interpretaties hebben over dezelfde tekst, ze toch samen het liedje meezingen. Als taal de huis van het zijn is, hoe komt het dan, dat dezelfde mensen met elkaar gaan zingen terwijl ze wellicht iets anders bedoelen als je ze ernaar vraagt?

Enerzijds is er taal. Met de taal wisselen we ideeën/denkbeelden uit met elkaar. D.m.v. de taal kunnen we een film begrijpen en kunnen we elkaar begrijpen. Maar toch lijkt er iets te zijn, een niveau van communicatie die voorbij gaat aan de taal. Een niveau van communicatie wat er als zodanig voor zorgt dat mensen samen dezelfde tekst zingen, maar daar verschillende denkbeelden bij hebben. De vraag is hier wellicht of film ook iets van een dergelijke verbindende waarheid in zich draagt. Kan film verbinden op een niveau in taal maar ook voorbij taal? Is taal leidend in film? Wat nog meer?

5. Is het samen zingen en het verbroederen op een rockconcert, in zichzelf een zoektocht naar wijsheid/waarheid? Zijn er naast taal nog andere huizen te bouwen die mensen samen brengen en de wereld helder en begrijpelijk kunnen maken? Zie vorige vraag.

6. Wat is het verschil tussen kunst en techne?  (par. 9.2.4). Zie vraag 1 t/m 3.

E. Film

  1. Wat is kunst? Is het mogelijk om logisch en systematisch iets (in taal) te zeggen over wat kunst is/wat de essentie is van kunst (en in lijn daarmee de essentie van de film als kunstvorm)? Ik denk dat het moeilijk wordt om vanuit het idee representatie, expressie en vorm de essentie van kunst te vatten.
  2. Wat is film? Is film een optel soms van wat er allemaal gedaan moet worden om over een film te kunnen spreken? In hoeverre is film een kunstvorm? Is film expressie? (paragraaf 9.2)
    Film omvat verschillende eigenschappen/bouwstenen zoals ritme (denk hierbij aan flashbacks, close-ups en edits), (gesproken) taal, geluid/melodie en acteurs. Daarnaast zijn er nog regisseurs, producers, marketeers, etc. De vraag blijft wanneer er sprake is van een film. Is dat wanneer er een beeld is? Een bewegend beeld? Beeld met geluid? En wanneer is de film kunst? Wat is de essentie van film? Wat kan een film ons vertellen over waarheid/wijsheid? (De filosofische vraag naar film)
  3. Moet een film altijd een film zijn met een begrijpelijk (en verkoopbaar) verhaal? Of kan een film ook als film een kunstvorm zijn?
    De wereldberoemde regisseur Martin Scorsese spreekt over “Theme park movies”: https://qz.com/878002/the-movies-are-dead-according-to-martin-scorsese-and-ridley-scott/. Scorsese spreekt over de ontwikkeling dat films geen gemeenschappelijke happening meer dreigen te worden in de bioscoop waar mensen samen komen en samen de film ervaren. Het samen ervaren van een film zou nog kunnen bijdragen aan het samen bespreken en beleven van de film. Hierin zit nog een zoektocht naar wijsheid in. Daarnaast nemen bedrijven als Netflix nemen de filmwereld over en kunnen ze als machtige speler bepalen welke films naar buiten komen en worden gemaakt. Dit zijn steeds vaker super-hero films. Hierin zit een vorm van imitatie en reproductie in. Iets waar Plato zeer op tegen zou zijn.  In deze vorm is het maar de vraag of de film een bijdrage kan leveren aan filosofie of dat het geweld doet aan de waarheid.
  4. In hoeverre is film “techne” (par. 9.2.4)? Bedrijven zoals Netflix zijn misschien wel in staat om op basis van Big-data analyses een film-op-maat te maken. Gepersonaliseerde film zeg maar :). Massaproductie van “kunst”. Hierin lijkt de film op techne in de oorspronkelijke betekenis van massaproductie/imitatie. Lees dit artikel: https://www.huffingtonpost.com/entry/can-netflix-mass-produce-art_us_59e78215e4b0153c4c3ec47b. Daarnaast gebruikt Netflix kunstmatige intelligentie / AI. AI analyseert het kijkgedrag van miljoenen kijkers en probeert op basis van het kijkgedrag een film(format) te reproduceren/imiteren dat goed verkoopt en dus een succes is. Plato zou hier waarschijnlijk fel op tegen zijn. We krijgen geen waarheid voorgespiegeld, maar iets dat toevallig goed verkoopt en lekker wegkijkt… vandaar de vele superhero-movies. Lees ook eens: https://blogs.nvidia.com/blog/2018/06/01/how-netflix-uses-ai/. Het nadeel van een opvoeding in een wereld met dergelijke films, is dat veel mensen eigenlijk andere vormen van films, zoals de film Stalker of kunstfilms, niet of nauwelijks meer kunnen zien. Ze voldoen niet aan het consumptiegedrag van de kijker en de kijker weet niet beter dan dat de beelden snel gaan, de dialogen niet te complexer en het verhaal behapbaar.
  5. Wat betekent “aisthesis”? Waar kijken we naar als we naar de aisthesis van een film? Esthetica betekent waarneming, maar Alexander Baumgarten spreekt ook wel over schoonheid. Een kunstfilm heeft een bepaalde vorm van schoonheid in zich. Wat deze schoonheid, blijft een vraag. Persoonlijk beschouw ik Stalker als een film vol schoonheid, maar iedereen kan voor zichzelf uitmaken wat schoon is en wat een specifieke film tot kunst maakt.
  6. Wat is de taal van de film? (Denk ook aan een stomme film) Film communiceert wellicht via de bewegende beelden. Ik denk dat bewegende beelden wezenlijk zijn voor een film. En met beelden, sluit een film aan bij onze waarneming en kan het een wereld representeren. Representatie (9.2.1) was een van de vertrekpunten om systematisch na te denken over het wezen van de film. De vraag vanuit Plato zou weer zijn, in hoeverre de film een zuivere representatie is van de werkelijkheid of wat een film ons kan vertellen over de werkelijkheid.
  7. Wat is de taal in een film? Draagt een film een eigen manier van waarheidsvinding in zich mee? Wellicht kan een film ons dienen als gids op weg naar verlichting, om Plato’s allegorie van de Grot aan te halen. Een film kan tot denken aanzetten. Wanneer men de film alleen maar ziet en niet gebruikt als instrument voor het denken, dan heeft de film weinig waarde denk ik.
  8. Draagt een film een eigen, niet-talige, waarheid in zich? Bied taal de enige weg naar waarheid of zijn er meer wegen zoals de film? Zie vraag 6.
  9. In hoeverre is een film een representatie van de werkelijkheid? En in hoeverre draagt een film bij aan het zoeken naar waarheid/wijsheid? Zie vraag 6.

Scepticisme – par. 3.2 – antwoorden

1.      Definieer het begrip fallibilisme.
Falliblisme komt van het woord fallible dat feilbaar betekent. Het fallibilisme stelt simpelweg dat vergissen menselijk is, maar dat dat niet betekent dat er geen kennis mogelijk is. Het fallibilisme vertrekt dus niet vanuit de overtuiging dat kennis niet mogelijk is omdat we ons wel eens kunnen vergissen, maar vertrekt vanuit de overtuiging dat kennis bestaat en we ons soms vergissen en kennis aanpassen.

a.      Leg uit waarom het fallibilisme kritisch is ten opzichte van het foundationalisme.
Het foundationalisme gaat uit van een fundament op grond waarop kennis vast wordt gezet. Een soort van dogma. Denk aan een bijbel of beginsel/principe. Vanuit het fallibilisme zou er altijd ruimte moet zijn voor de mogelijkheid dat de mens zich kan vergissen en zich dus ook kan vergissen in het “fundament”.

b.      Waarheid kunnen we definiëren aan de hand van de correspondentie – en de coherentietheorie. Waarheid correspondeert met de feiten of is coherent met een bepaalde theorie/denksysteem. Pragmatisten kijken vooral naar het maatschappelijke nut. Ze gaan om met de dingen om hen heen.
Leg uit wat het verband is tussen fallibilisme en pragmatisme.
Pragmatisten gebruiken de theorie of het instrument wat als zodanig werkt. Wat werkt, is nuttig. Je probeert een paar dingen en wat werkt, blijf je doen. De pragmatist is niet zozeer geïnteresseerd in het fundament of DE waarheid, maar zoekt naar wat werkt (ongeacht de reden waardoor het werkt). De pragmatist begrijpt dat hij of zij zich kan vergissen en iets anders moet gaan proberen wanneer iets niet meer werkt. Hierin ligt een link met het fallibilisme.

2.      Peirce
a.      Peirce maakt een onderscheid tussen levende twijfel en kunstmatige twijfel.
Kunstmatige twijfel verbindt hij aan Descartes en zijn twijfelexperiment. Op grond waarop zijn de vragen naar waarheid op grond van de door Peirce benoemde kunstmatige twijfel bij Descartes (Cartesiaanse twijfel) geen relevante vragen als het gaat om het zoeken naar waarheid? Leg in je antwoord uit wat het verschil is tussen kunstmatige en levende twijfel.
Kunstmatig is verzonnen en niet werkelijk bestaande twijfelexperimenten. Bestaat God? Geen idee… Ik zie geen God… Waarom dan een vraag stellen over God? Bestaan we wel (Descartes)? Is er wel zekerheid over ons bestaan? Als je het antwoord nooit kunt vinden in de werkelijke wereld, dan kan het alleen maar kunstmatig zijn. Peirce vindt dergelijke twijfelexperimenten onzinnig. Hij wil levende gebeurtenissen waar we werkelijk mee bezig zijn.

b.      Een scepticus eist twee belangrijke punten:
i.     Zekerheidseis: absolute zekerheid over wat men als absoluut waar beschouwt.
ii.     Onfeilbaarheidseis: absolute zekerheid over het feit dat mensen zich niet kunnen vergissen.

3.  Peirce heeft geen moeite met de feilbaarheid (het feit dat mensen zich kunnen vergissen) van de menselijke zekerheidsverschaffing. Leg uit waarom Peirce daar geen moeite mee heeft als pragmaticus/fallibilist. Het gaat hem om datgene wat werkt. Niet om de absolute waarheid in pacht te hebben. Deze absolute waarheid bestaat wellicht, maar Peirce begrijpt dat hij zich als mens kan vergissen in zijn idee over deze absolute waarheid.

4. Bekijk de film Rear Window van Alfred Hitchcock. Geef een kritiek op deze film vanuit de onfeilbaarheidseis.

Eigen opdracht

Scepticisme – par. 3.3 – vragen

  1. Waar staat de correspondentietheorie voor? Waar gaat deze theorie vanuit?
  2. Wat is het verschil tussen correspondentie en coherentie? Welke vraag speelt bij correspondentie geen rol en bij coherentie wel?
  3. Lees de primaire tekst van Plato, Wat is kennis? (blz. 195-196 uit het Voordeel van de Twijfel). Er zijn drie voorwaarden voor kennis: I. De persoon moet overtuigd zijn en II. Het moet waar zijn. De derde voorwaarde is, in lijn met Plato, de verantwoording of rechtvaardiging. Wat houdt de verantwoordingseis in? Zorg ervoor dat de eis voor verantwoording wordt gelinkt met het uitgangspunt van de correspondentietheorie.
  4. Leg uit waarom het problematisch is, op basis van het voorbeeld van Russells klok, om uit te gaan van de verantwoordingseis als derde voorwaarde voor kennis?
  5. Welke eis stelt Robert Nozick voor in plaats van de (klassieke) verantwoordingseis? Waar gaat deze eis vanuit? Verwerk in je antwoord de noodzaak om een tegen-feitelijk gedachte-experiment uit te voeren. Haal desnoods nog paragraaf 1.7 (blz. 40) er nog eens bij.