Project Economie – inleiding

Eerste les:

  • Gestart met ‘kennismaking’ etc.
  • Toelichten projecten + intro project 1.
  • Ingrediënten van een goed bedrijf: A. Persoonlijke drijfveren, B. Vaardigheden, C. Bedrijf (rechtsvorm), D. Markt (context)
  • A. Persoonlijke drijfveren, toekomstbeeld etc. (Waarom?) *
  • B. Vaardigheden – visionboard, je eigen persoon in beeld te vangen. Theorie rondom ondernemerschap, entrepreneurship en intrapreneurship en bijbehorende vaardigheden per onderdeel
    Welke vaardigheden heb je waarvoor nodig? (Zie filmpjes van Feynman en van de universiteit van Hong Kong (coursera)).
  • Inzoomen en richten op productontwikkeling (divergent en convergent denken en associëren)

Entrepreneur / intrapreneur / professional
Risico nemen / veiligheid
https://www.coursera.org/lecture/entrepreneurship/1-6-intrapreneurs-and-entrepreneurs-l1oAz

Kwalitatieve en kwantitatieve data.

HGL – Week 1 (indeling)

student_0 got: paper_9 paper_3 paper_6
student_1 got: paper_7 paper_3 paper_0
student_2 got: paper_7 paper_10 paper_8
student_3 got: paper_8 paper_1 paper_2
student_4 got: paper_9 paper_7 paper_5
student_5 got: paper_6 paper_9 paper_1
student_6 got: paper_3 paper_9 paper_7
student_7 got: paper_4 paper_1 paper_2
student_8 got: paper_1 paper_5 paper_10
student_9 got: paper_1 paper_10 paper_3
student_10 got: paper_5 paper_9 paper_4

WA (1) verdeling opdrachten

student_0 got: paper_14 paper_12 paper_13
student_1 got: paper_18 paper_15 paper_7
student_2 got: paper_15 paper_0 paper_5
student_3 got: paper_12 paper_2 paper_9
student_4 got: paper_16 paper_9 paper_12
student_5 got: paper_15 paper_2 paper_7
student_6 got: paper_10 paper_13 paper_17
student_7 got: paper_10 paper_2 paper_8
student_8 got: paper_10 paper_4 paper_11
student_9 got: paper_10 paper_4 paper_13
student_10 got: paper_2 paper_9 paper_6
student_11 got: paper_9 paper_6 paper_5
student_12 got: paper_4 paper_17 paper_13
student_13 got: paper_8 paper_15 paper_1
student_14 got: paper_9 paper_2 paper_4
student_15 got: paper_7 paper_9 paper_11
student_16 got: paper_9 paper_11 paper_17
student_17 got: paper_6 paper_11 paper_8
student_18 got: paper_2 paper_12 paper_1

Indeling leerlingen + criteria

6VWO
0. Leon Verbakel
1. Ingeborg van Duijn
2. Tijmen Hoff
3. Hilde van der Loop
4. Matt Kanters
5. Jorianne Raaijmakers
6. Hanna Rongen
7. Noah Roos
8. Nina van Dixhoorn
9. Aline Smits
10. Anne van Veghel
11. Sterre Verstegen

5VWO
0. Jordan Theihzen
1. Julie Bongers
2. Nele van Uden
3. Youp van Dillen
4. Iris van Druten
5. Fieke van Gerwen
6. Mees Robben
7. Kayleigh Hummel
8. Max Karimoen
9. Senna Manders
10. Zoë van Otterdijk
11. Süreyya Özil
12. Mila Poldermand
13. Martijn Groen
14. Max Schraven
15. Giel Smits
16. Dirkje Beckers
17. Romee Brans
18. Josephine Blokker

Criteria (20 punten per criterium)

Geen fotobeschrijving beschikbaar.

Relevantie (20p)
Punten worden toegekend op grond van de mate waarin het essay aansluit bij het gekozen citaat. Met andere woorden, de deelnemers tonen aan dat zij de focus op het onderwerp of de problematiek in het citaat kunnen vasthouden.

Filosofisch begrip (20p) 
Punten worden toegekend op grond van de mate waarin het essay overtuigend aantoont dat de deelnemers filosofische begrippen en theorieën correct verwoorden, toepassen of herkennen. Met andere woorden, de deelnemers tonen aan dat zij een inhoudelijke kennis van de filosofie hebben.

Consistentie (20p)
Punten worden toegekend op grond van de kwaliteit inzake argumentatie, redenering en analyse. Met andere woorden, de deelnemers tonen aan dat zij filosofische vaardigheden als verheldering, analyse en logisch redeneren overtuigend beheersen.

Coherentie (20p)
Dit onderdeel betreft de formele structuur van het essay. Punten worden toegekend op grond van de mate waarin het essay geordend, leesvriendelijk en overzichtelijk opgesteld is. Met andere woorden, de deelnemers tonen overtuigend aan dat zij hun essay met behulp van alinea’s, tussenkoppen, voetnoten, tussentijdse samenvattingen of aankondigingen (denkstappen) kunnen structureren.

Originaliteit (20p)
Punten worden toegekend op grond van de mate waarin het essay een persoonlijke toon heeft, of de persoonlijkheid van de deelnemers doorklinkt in hun tekst. Dit criterium is vaak controversieel of multi-interpretabel. Originaliteit betreft in dit geval niet het baanbrekende gehalte van het essay, maar de persoonlijkheid van de tekst.

Uitmuntende essays scoren goed op alle criteria. Deel deze beoordelingscriteria vooral met je leerlingen zodat ze weten waar ze op worden beoordeeld, en voel je vrij om ze met behulp van deze criteria concreet voor te bereiden op de Olympiade.

Artikel “Misbruik van een fundament van de wetenschap”

column

Wie twijfel zaait over het klimaat, maakt misbruik van een fundament van de wetenschap

Hieke Huistra Beeld Maartje Geels

Ooit was het weer een neutraal gespreksonderwerp, bij uitstek geschikt voor een praatje bij de bushalte of in de winkel. Hieke Huistra
19 januari 2019, 13:46

Iedereen kon erover meepraten, en het bleef altijd gezellig. Maar nu het eigenlijk altijd te warm, te koud, te droog of te nat is voor de tijd van het jaar, wordt een praatje over het weer al snel een discussie over het klimaat, en klimaatdiscussies, die verlopen zelden harmonieus. Zeker niet, zo zagen we ook afgelopen week weer, als er verkiezingen in aantocht zijn.

Dat is tot op zekere hoogte begrijpelijk. Minder CO2 uitstoten is niet leuk. Zonnepanelen kosten geld, met de trein in plaats van het vliegtuig kost tijd, minder kaas en vlees eten kost plezier. Er zijn lasten, die moeten verdeeld worden, en hoe je dat wilt doen hangt af van je ideeën over wat een rechtvaardige samenleving is, en is dus een politieke kwestie.

Maar niet alleen over de lastenverdeling wordt geruzied. Steeds weer worden ook wetenschappelijke feiten ter discussie gesteld. Afgelopen maandag bijvoorbeeld beweerde Frits Bolkestein in de Volkskrant dat onze klimaatmodellen onbetrouwbaar zijn en dat er “onvoldoende duidelijkheid” is over het effect van klimaatmaatregelen. Er zijn volksvertegenwoordigers en presidenten die nog verder gaan, door te stellen dat zelfs het bestaan van klimaatverandering niet wetenschappelijk bewezen is – wat ongeveer hetzelfde is als zeggen dat wetenschappers nog moeten uitzoeken of appels naar boven of naar beneden vallen.

We zijn gewend geraakt aan dit soort twijfel, maar het is ooit anders geweest. Trouw herinnerde ons er vorige maand aan door de kersttoespraak van Koningin Beatrix uit 1988 af te drukken. Beatrix waarschuwde zonder enig voorbehoud voor ‘sluipende milieuverwoesting’, waaronder ‘stijging van de temperatuur met bedreigende gevolgen, zoals de verhoging van de zeespiegel.’ Eerder dat jaar was het internationale klimaatpanel IPCC opgericht. Politieke leiders wereldwijd wilden iets doen aan de klimaatverandering waar wetenschappers voor waarschuwden.

Gepensioneerde natuurkundigen

Maar in de jaren negentig kwam de twijfel op. Veranderde het klimaat wel? Kwam het wel door menselijke CO2-uitstoot? Was het misschien niet een natuurlijke variatie? Zouden we niet beter eerst wat extra onderzoek doen, voordat we allerlei overhaaste maatregelen namen? Die twijfel kwam niet uit de lucht vallen, maar werd bewust gecreëerd door een handvol gepensioneerde natuurkundigen zonder enige kennis van klimaatwetenschap maar met politieke en financiële belangen die hen minder happig maakten op beperking van de CO2-uitstoot. Wetenschaphistorici Naomi Oreskes en Erik Conway beschrijven hoe dat ging in hun boek ‘Merchants of Doubt’, handelaren in twijfel.

Die handelaren waren vooral oud-natuurkundigen die werkten bij een conservatieve denktank, het Marshall Instituut. Hun doel was niet om klimaattheorieën keihard te weerleggen, maar om te suggereren dat de wetenschappers nog niet precies wisten hoe het zat. Ze schreven rapporten waarin ze selectief citeerden uit wetenschappelijke artikelen om zo de indruk te wekken dat wetenschappers nog discussieerden over de oorzaken en zelfs over het bestaan van klimaatverandering.

Het slimme van die strategie was dat een beetje twijfel zaaien over klimaattheorieën veel makkelijker is dan ze helemaal te ontkrachten. En een beetje twijfel is voor de meeste politici genoeg om maatregelen uit te stellen en eerst maar eens verder onderzoek te vragen – precies wat Bolkestein doet in zijn opiniestuk. Met dat vragen om verder onderzoek kun je eindeloos doorgaan, want wetenschap is nooit af.

Twijfelverkopers

Dat was een tweede slimmigheid van de twijfelverkopers: ze maakten handig gebruik van het feit dat onzekerheid een fundamenteel onderdeel is van de wetenschap. Wetenschappers weten nooit iets helemaal zeker. Het beste wat ze kunnen doen is het onderling eens worden over hoe het hoogstwaarschijnlijk zit. In de klimaatwetenschap is dat al lang gebeurd: al sinds het einde van de negentiende eeuw wordt er onderzoek gedaan naar de opwarming van de aarde, sinds de jaren zestig waarschuwen veel wetenschappers voor klimaatverandering, en sinds de jaren negentig bestaat er eigenlijk geen enkele dissidente klimaatwetenschappers meer.

Dat is een onwaarschijnlijk grote consensus, en meer kunnen we niet vragen. Wie dat niet genoeg vindt, en absolute zekerheid wil, moet wachten tot Nederland onder water loopt — en dan maar hopen dat Bolkesteins partijgenoten in de tussentijd genoeg proefballonnetjes hebben opgelaten om ons allemaal de lucht in te tillen.

Om de week schrijft Hieke Huistra, wetenschapshistorica aan de Universiteit Utrecht, over hoe wetenschap werkt. Lees hier eerdere columns.

Bron: https://www.trouw.nl/nieuws/wie-twijfel-zaait-over-het-klimaat-maakt-misbruik-van-een-fundament-van-de-wetenschap~b7df1cfa/

Lees ook: https://filosofie.gruijthuijzen.nl/wetenschapsfilosofie-2/
Voor meer info zie cursus wetenschapsfilosofie.

HGL – Week 6

15. De kandidaten kunnen de opvatting uitleggen dat het opstellen van burgerrechten mede voortkomt uit de protestantse religieuze levenservaring. Daarbij kunnen ze uitleggen wat Locke bedoelt met ‘de rechten van het vrije individu’ en wat Kant voor ogen heeft met ‘het autonome individu’.
(Zie vorige week: https://filosofie.gruijthuijzen.nl/hgl-week-5/ – specifiek de laatste paar alinea’s)

16. De kandidaten kunnen de aan het protestantisme ontsproten kritiek van Kierkegaard op de opvattingen van verlichtingsfilosofen over het autonome individu weergeven, toepassen en evalueren.
(Als mogelijke Essay-opdracht?)

17. De kandidaten kunnen de opvatting dat authenticiteit kenmerkend is voor de moderne invulling van het goede leven, uitleggen en evalueren.
Authenticiteit komt van autos (zelf) en hentes (doen of zijn), zie: https://www.etymonline.com/word/authentic. De moderne invulling van het goede leven vertrekt vanuit het idee dat ieder mens in staat is om (even heel kortzichtig uitgedrukt) zelf dingen te doen (zelfsturing) en zichzelf te zijn (identiteit). Iemand met een vrije wil, kan zelf dingen doen en kan aan zichzelf werken. Zijn er überhaupt wel mensen die in staat zijn om dingen niet te doen en niet aan zichzelf te werken?
(Luister ook eens naar het liedje Iron Sky van Paolo Nutini, zie filmpjes onderaan. Wanneer mensen de Iron Sky – een geestdodende opgelegde wereld) wordt overwonnen, dan is er vrijheid)
Alles wat iemand doet en is, is dan ook een eigen verantwoordelijkheid en dit verplicht individuen om na te denken over wat ze doen en wie ze willen zijn (dat is vrijheid!). Lees eens de missie en visie van het Udens College (of een willekeurige andere school of universiteit): https://www.udenscollege.nl/udens/missie-en-visie/. Het gaat hier over verantwoordelijkheid, leerling als vertrekpunt (voor ontwikkeling), vertrouwen in elkaar, ambitie, etc. Typisch moderne opvattingen van het goede leven centraal in veel democratische rechtsstaten. Opvattingen die ten tijden van Plato en Aristoteles niet zo vanzelfsprekend waren.
(Wanneer echter deze moderne opvatting een “Iron Sky” wordt en mensen geestdodend deze opvatting volgen zonder na te denken, dan is dat weer het tegenovergestelde van vrijheid. Deze paradox wordt verderop uitgewerkt!)

Primaire tekst (2): John Locke – Tweede verhandeling over het staatsbestuur
18. De kandidaten kunnen uitleggen wat de natuurwet volgens Locke inhoudt. Daarbij kunnen zij de volgende aspecten uitleggen, toepassen en beoordelen: – op welke manieren mensen gelijk zijn in de natuurtoestand; – welke rechten en plichten mensen van nature hebben; – hoe persoonlijk bezit ontstaat; – hoe vanuit de natuurtoestand een staat kan ontstaan.

Op welke manieren zijn mensen gelijk in de natuurtoestand?
Van nature (dus niet vanuit een samenleving of cultuur) zijn mensen (net als dieren) vrij. Dit is de natuurtoestand. Een toestand van gelijkheid. Mensen beschikken over rede (denken, twijfelen). Van nature zijn mensen vrij om te beslissen (autonomie) “over hun eigen doen en laten en naar eigen inzicht, binnen de grenzen van de wet der natuur” (p. 366). De grenzen van de natuur zijn geen wetten uit wetboeken, maar zijn ons gegeven door de biologie. Denk hierbij aan wetmatigheden die worden gedoceerd bij vakken als natuurkunde, scheikunde en biologie. Mensen leven binnen deze natuurwetten en zijn als zodanig binnen deze natuur “vrij” en kunnen “vrij handelen”. Van nature is er geen aangeboren “gen” van waaruit we kunnen stellen dat er a. een hiërarchie bestaat tussen mensen en dat bijvoorbeeld b. een koning boven het volk staat.
Wanneer iedereen zich begeeft in een natuurtoestand van gelijkheid dan is het onvermijdelijk dat ik a. mezelf liefheb en daarmee alles liefheb wat b. gelijk is aan mezelf. In de natuurtoestand hebben alle gelijken elkaar gelijk lief. Wanneer je iemand die gelijk is aan jezelf geweld aandoet, dan doe je eigenlijk ook jezelf geweld aan.

Welke rechten en plichten hebben mensen van nature?
Locke benadrukt dat de natuurtoestand, met daarin alle gelijke mensen, een natuurwet hanteert die voor alle gelijke mensen verplichtend is: de wet van de rede. Rede is een plicht.
(Sartre zal later stellen dat alle mensen gedoemd zijn tot vrijheid (plicht). Geen enkel mens kan mens-zijn en tegelijkertijd niet denken of twijfelen, dat is onmogelijk. Zelfs over de meest kleine dingen denken mensen na).
Gelijken onder het oog “van een almachtige en oneindig wijze maker”(p. 367). Hier ontvouwt Locke zich als een protestants denker. Dienaren als gelijken onder het oog van een almachtige God, zijn hoogstens eigenaar (slaaf) van God maar niet van elkaar (ze zijn onder het oog van God, gelijken!). God bepaalt hoe lang iemand op aarde leeft. Mensen mogen elkaar niet als eigendom gebruiken en misbruiken, tot de dood toe. Dit is alleen voor God gegeven. De enige hiërarchie is die van God boven de mensen. Mensen onderling kennen geen hiërarchie. Er bestaat dan ook geen gezag/hiërarchie dat behalve God mensen mag doden (gelijkheid is een recht).

Hoe ontstaat persoonlijk bezit?
Nu komt de kwinkslag. Locke stelt vervolgens (deel 7, p. 368) dat mensen weerhouden moeten worden om inbreuk te maken op de rechten van andere gelijke mensen door ze kwaad te doen. De redenering gaat als volgt:
1. Een wet kan alleen wet zijn als deze ook wordt nageleefd. Het heeft geen zin een wet op te stellen die de meerderheid niet deelt. Bijvoorbeeld: op de snelweg mag je vanaf nu niet harder dan 30 km/u rijden. Deze wet kan niet gehandhaafd worden.
2. Een natuurwet kan alleen een natuurwet zijn als deze kan worden nageleefd anders is de natuurwet zinloos.
3. De natuurwet moet gehandhaafd worden, zodat onschuldigen worden beschermd tegen overtreders.
4. Deze handhaving is niet weggelegd voor klein groepje mensen (zoals bijvoorbeeld de Aristocraten bij Plato), maar voor alle mensen. Alle mensen zijn gelijk begiftigd met rede. Alle gelijke mensen mogen evenveel helpen in het handhaven van de natuurwet.

Hoe kan vanuit de natuurtoestand een staat ontstaan?
Eigendom is voor Locke cruciaal. Eigendom verbindt Locke met (hand)arbeid. Eigendom dient volgens Locke via de wetten van een staat beschermd te worden.
(Mensen maken dingen, technieken, plannen, scholen, lessen, telefoons, yoga-cursussen. Mensen halen materialen uit de natuur en geven hier vorm aan.)
Het maken is arbeid, de vorm het product. Het product is iets nieuws wat nooit zonder deze arbeidende mens in de natuur was geweest. Het product en de arbeid die tot dit product heeft geleid, behoren toe aan deze arbeidende mens. Het product als de arbeid zijn zijn (of haar) eigendom! Hij arbeidt en hij heeft het product gemaakt.
(De vragen die opkomen zijn: A. behoren de materialen die gebruikt zijn voor het product niet nog steeds toe aan allen? En behoort daarmee het product niet (voor een deel) toe aan allen? In een tijd waarin het klimaat steeds belangrijker wordt, lijkt een colaflesje onschuldig, maar het bestaat uit plastics en deze behoren weer toe aan een aarde met eindige grondstoffen en grenzen. Locke leefde in een grenzeloze wereld. Deze wereld bestaat niet meer. Locke hint wel naar een dergelijke wereld wanneer hij stelt: “(…) in elk geval als er in gemeenschappelijk bezit voldoende van even goede kwaliteit is overgebleven voor anderen” (p. 369)
B. Maken mensen nog een product in hun eentje? Wat is het gevolg van productiewerk, waarbij individuen slechts een schakeltje zijn in bijvoorbeeld de productie van een auto? Aan wie behoort dan de auto toe?)

19. De kandidaten kunnen uitleggen welk doel de stichting van een staat heeft volgens Locke. Daarbij kunnen zij de volgende aspecten uitleggen, toepassen en beoordelen: – dat daartoe een wetgevende en een uitvoerende macht nodig zijn; – welke vermogens (powers) van de mens in de natuurtoestand daartoe gedeeltelijk of geheel opgegeven moeten worden.

Locke benadrukt vervolgens het idee van het behoud van hun eigendom (p. 369)** en drie ontbrekende zaken in de natuurtoestand die eigendom beschermen. Dit zijn:
I. De afwezigheid van een algemeen gedeelde wet die wordt erkend als gemeenschappelijke norm/maatstraf voor goed en kwaad (deel 124),
II. Een onpartijdige rechter die wetten handhaaft niet beïnvloedt door passie, hebzicht, eigenbelang, nalatigheid en onverschilligheid (deel 125),
III. Een uitvoerende macht die vonnissen kan uitvoeren (deel 126).
(Eigenlijk zien we hier de contouren van Montesquieu’s Trias Politica – Scheiding der Machten, uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht. Montesquieu is 15 jaar oud wanneer Locke overlijdt. Als Franse equivalent van het moderne denken in Europa moet Montesquieu kennis hebben genomen van deze basistekst van Locke).

In deel 127, p. 370, geeft Locke aan dat de mens niet in de natuurtoestand moet blijven verkeren. In een gemeenschap maken mensen dingen en deze dingen behoren deze mensen toe en dit moet beschermd worden via “gevestigde wetten van een regering”, die worden gehandhaafd.

In deel 128, p. 370, vat Locke de twee rechten van mensen samen:
1. Ieder mens kan doen en laten wat hij of zij goed acht voor hem of haarzelf en alle anderen in de gemeenschap binnen de grenzen van de natuurwet waarbinnen iedereen gelijk is aan elkaar en een onderscheidende gemeenschap vormt van andere gemeenschappen,
2. Alle gelijkenen in deze gemeenschap beschikken over het vermogen om misdrijven tegen de natuurwet, alles wat tegen de wetten van de onderscheidende gemeenschap ingaat, te bestraffen.

In deel 129 & 130, p. 371, lijkt Locke een paradox te benadrukken:
1. Wanneer iemand zich laten besturen door wetten die gemaakt zijn door een samenleving, dan kan hij of zij niet meer doen en laten wat hij of zij goed acht voor hem of haarzelf en alle anderen in de gemeenschap*,
2. Het vermogen om te straffen wordt opgegeven. Hij en alle andere gelijken geven de natuurlijke vrijheid op, door de straffende instantie (handhavingsmacht) in handen van de samenleving te leggen.

Punt 2 rechtvaardigt Locke door te stellen dat wanneer alle gelijke mensen deze natuurlijke vrijheid opgeven voor een beter leven, levensonderhoud, voorspoed en veiligheid, dan rechtvaardigt dat de macht van de staat. In deel 131 stelt Locke dan ook dat mensen deze natuurlijke vrijheid opgeven “slechts met de bedoeling om zichzelf, zijn vrijheid en zijn eigendom beter te beschermen, en dus kan de macht van een door mensen gevormde samenleving of wetgevende vergadering, nooit verondersteld worden verder te gaan dan het algemeen belang”.
(Hier komt de vraag naar boven of overheden en politici wel altijd het algemeen belang dienen of dat ze soms wel eens verder gaan dan het algemeen belang)

* Opmerking: punt 1 uit deel 129 & 130, p. 371, bespreekt het idee van een gemeenschap. In een geglobaliseerde wereld is het soms moeilijk om duidelijk te maken wie in welke gemeenschap zit. Meestal stellen we dat een staat/land een gemeenschap is, maar er zijn ook culturele gemeenschappen (Joden) die overal ter wereld leven (Italianen, Grieken, Chinezen in New York). Denk ook eens aan de inlijving van Krim in Oekraïne door Rusland, waarbij Rusland aangeeft dat ze hun culturele gemeenschap beschermen (voorbij de officiële landsgrenzen). Idem zien we eenzelfde discussie nu in China en de verwesterde stad Hong Kong. In een geglobaliseerde wereld is de vraag naar de gemeenschap een complexe vraag. Wellicht verklaart dit ook de opkomst van veel politici die bepaalde gemeenschappen meer centraal willen stellen dan minderheden. Wie is de Nederlander, de Europeaan? De Amerikaan? De Chinees?

(Lees ook eens het artikel: Máxima: Dé Nederlandse identiteit bestaat niet. Geert Wilders heeft hier destijds (2007) heel fel op gereageerd. Volgens hem bestaat er wel degelijk een Nederlandse identiteit. Merk op dat “Dé” Nederlandse identiteit. Een nadruk op “Dé” geeft aan dat het hier gaat om een duidelijk te definiëren identiteit. Foucault sprak al over identiteit als een ui. Wanneer alle schillen eraf worden gehaald, dan blijft er geen kern over. Hume benadrukt later dat identiteit niet iets is wat je kunt waarnemen. Identiteit is wellicht eigen aan een mens of een cultuur, maar als zodanig niet te vatten of te definiëren. Wanneer je identiteit, cultuur, volksgeest definieert als zijnde zus-en-zo-, dan loop je wellicht het risico dat politici deze definitie gaan misbruiken of gebruiken voor eigen gewin. Stel je voor dat ik zeg: De student wil persoonlijke aandacht en dat neem ik niet alleen als het dogma op grond waarop ik al mijn onderwijs ga bouwen, maar ik verplicht alle anderen om dit ook te doen. Diegenen die dit niet doen, leven niet volgens de gemeenschappelijke, gedefinieerde norm en wet/dogma die is opgesteld en zijn wanneer we het overdrijven (proto-)”terroristen”. Waar het hier om gaat, is het feit dat zelfs het concept van een gemeenschap fluïde is. Mensen komen en gaan, net als gedeelde normen, waarden en tradities. Maar hoe dingen bewegen, komen en gaan, is helemaal niet zo makkelijk te definiëren. Het is net zo moeilijk om te stellen dat zwarte piet bij de Nederlandse identiteit hoort als stellen dat de Nederlandse identiteit verandert en dat daarom zwarte piet er ook anders uit kan zien. Beide partijen blijken te weten wat Dé identiteit is van Dé gemeenschap en hoe deze moet ontwikkelen. Dit is niet zelden het begin van polarisatie en strijd!)

** Opmerking. In de oude Griekse mythologie was Prometheus een zogenaamde Titaan die samen ging werken met de Olympische God Zeus. Prometheus was namelijk heel berekenend. Hij voorzag dat de olympische Goden zouden gaan winnen van de Titanen, dus hij liep over. Prometheus keek vooruit. Prometheus betekent letterlijk: hij die vooruit denkt. Zeus gaf na de strijd Prometheus toestemming om leven te creëren. Prometheus maakte dieren, planten, etc. Maar Prometheus verveelde zich. Deze levende dieren miste iets. Dat iets was het Goddelijke zelf, een gelijke. Iemand zoals hijzelf. Stiekem stal Prometheus iets uit de hemel en dat is het vuur. Het vuur waarmee hij een bepaald soort dier maakte met dezelfde vaardigheid als de Goden: de mens met rede. Het vuur stond voor de rede. Zeus heeft Prometheus gestraft (net als God Adam en Eva heeft gestraft). Vanaf dit moment zijn er dieren met een rede en de rede is het vuur uit de hemel, waarmee de mens het Goddelijke in zich draagt. Hier ontvouwt zich een paradox. Enerzijds lijden mensen als redelijke (onaffe) wezens op aarde, omdat ze blijven ontwikkelen, zoeken en bouwen, op zoek naar het Goddelijke. Deze ontwikkeling is voor velen pijnlijk en stressvol. Anderzijds beschikt de mens over het Goddelijke vuur en biedt de rede het instrument (vuur) om tot God en daarmee in de hemel te komen. De vraag is natuurlijk of deze rede uiteindelijk resulteert in een goed leven op aarde om daarna in de hemel te komen of dat de aarde zelf op weg is naar een hemel op aarde. Zie de onderstaande afbeelding van Prometheus die het vuur uit de hemel steelt. Voor meer info: https://historiek.net/prometheus-griekse-mythologie/72597/

Afbeeldingsresultaat voor prometheus vuur aan mens

Primaire tekst (3): Søren Kierkegaard – Vrees en Beven
20. De kandidaten kunnen de opvatting van Kierkegaard over het christelijk geloof als paradox weergeven, uitleggen, toepassen en beoordelen. Daarbij kunnen zij: – uitleggen op wat voor manier de enkeling als enkeling hoger staat dan het algemene; – met het Bijbelverhaal over Abraham de opvatting van Kierkegaard uitleggen dat het christelijk geloof als paradox niet kan worden gemedieerd met het algemene en dat geloof dus niet herleidbaar is tot ethiek.

Kierkegaard bespreekt (p. 373) het probleem van een teleologische suspensie van het ethische. Teleologisch kennen we van Aristoteles en staat voor doelmatigheid: “(…) een uitdrukking van het ethische”, waarin zijn Telos (doel) te vinden is “in een hogere uitdrukking van het ethische” (p. 376). Hier betreft het een studie naar het goede (ethiek) met een gemeenschappelijk doel. Kierkegaard vraagt zich af of het goede wel aan een dergelijk gemeenschappelijk doel (teleologische suspensie – suspensie staat voor “ophangen” – Kierkegaard gaat in op het idee over het goede kan worden opgehangen aan een (Aristotelische) doelmatige ethiek) kan worden opgehangen (p. 376, alinea 2).
Dit is wederom essentieel voor de vraag naar het goede leven. Zijn antwoord luidt: Nee. Hij legt vervolgens uit waarom niet. De ethische relatie moet terug gebracht worden naar “een gevoel waarvan de dialectiek gelegen is in de relatie” (p. 376) en niet in een doelgerichte ethiek die gedeeld wordt door de gemeenschap. Deze relatie wordt verder door Kierkegaard, en ook hieronder, uitgewerkt.

Paradox
Een mens groeit op in een gemeenschap. Een mens is in eerste instantie ondergeschikt aan de gemeenschap. Een baby is geheel afhankelijk van de gemeenschap. In de gemeenschap groeit ieder mens tot een individu “in een absolute verhouding tot het absolute” (p. 373). Het absolute is datgene waar ieder individu in gelooft en voor “waar” aanneemt. Iedereen heeft overtuigingen waar hij of zij helemaal van overtuigt is. Wanneer iemand geen absoluut geloof is wat hij of zij voor waar aanneemt, dan zou alles in het leven twijfelachtig worden en zou men vragen stellen als: Is dit wel een tandenborstel? Is de ander nu boos of gelukkig? Welke taal spreken wij? Alles zou twijfelachtig worden. Dit is niet het geval. Iedereen leert, gedurende het leven, voor zichzelf wat waar is. De absolute verhouding tot het absolute is iets wat in de geest, van binnen, aanwezig is. Het is onmogelijk om het absolute, de waarheid, in ieder afzonderlijke mens te vatten en de verhouding van het individuele denken tot de individuele waarheid te vatten. Er is niemand behalve het individu zelf dat ook maar op enige wijze begrijpt, voelt, etc. wat er in iemand omgaat en waar men in gelooft.
De paradox bestaat hieruit: het individu is in eerste instantie ondergeschikt aan het algemene: de gemeenschap. De gemeenschap vormt het individu. Maar op een gegeven moment vormt het individu een eigen relatie tot het absolute (waarheid/geloof). De relatie (absolute verhouding) tot het absolute (waarheid/geloof) is puur individueel en bepaalt hoe men handelt in de gemeenschap. Deze relatie bepaalt niet alleen het handelen in de gemeenschap, maar staat daarmee ook boven het algemene: de gemeenschap. De gemeenschap kan talloze opvattingen hebben over het goede, maar als een IS-strijder gelooft dat zijn strijd het goede is en hij een absolute verhouding tot dit absolute moet uitoefenen door ongelovigen op de meest gruwelijke wijze te doden, dan hebben algemene ethische wetten en opvattingen niet veel zin. Het algemene, de gemeenschap is daarmee (in tweede instantie) ondergeschikt aan de individuele relatie tot het absolute. De enkeling staat hoger dan het algemene!

Leg met het Bijbelverhaal over Abraham de opvatting van Kierkegaard uit dat het christelijk geloof als paradox niet kan worden gemedieerd met het algemene en dat geloof dus niet herleidbaar is tot ethiek.
Kierkegaard gaat in op en betwist de stelling “dat als het er op aankomt alles aan alles gelijk is” (p. 374). Deze stelling zou zo kunnen aansluiten bij de opvatting van Locke over de natuurwet: mensen zijn onder het toeziend oog van God gelijken onder gelijken.
Kierkegaard haalt het verhaal van Abraham aan. Abraham wordt gevraagd zijn zoon Isaac te offeren voor God***. Volgens Kierkegaard kan Abraham handelen “krachtens het absurde” (p. 374). Het absurde is datgene wat de gemeenschap als “absurd” bestempelt. Abraham kan echter datgene doen wat de gemeenschap als absurd bestempelt. Abraham heeft een vrije wil en een vrije relatie tot zijn geloof van wat het goede is om te doen. Dit resulteert in een dermate (absurd) geloof dat hij zijn zoon wil opofferen voor zijn geloof. Hiermee staat zijn individuele vrije wil en zijn geloof boven de opvatting van het algemene: de gemeenschap en haar opvatting over het absurde. Wanneer Abraham een cursus ethiek zou hebben gevolgd, dan zou hij van zijn geloof moeten zijn gevallen. Hij zou zijn geloof naast zich neer moeten leggen, omdat het onmogelijk is om een gelijk mens zoals zijn zoon Isaac te offeren. Maar juist zijn innerlijke geloof kan aan deze gemeenschappelijke (ethische) wet voorbij gaan. Abraham kan het absurde, het onmogelijke, doen zonder zich schuldig te voelen over de maatschappelijke consequenties.
(Hierbij moet natuurlijk worden aangemerkt, dat dergelijke overtuigingen soms ook tot hele goede dingen kunnen leiden. De extreme voorbeelden zijn nodig om de innerlijke relatie helder te krijgen, maar dat wil nog niet zeggen dat dit altijd slecht is).

Denk hierbij aan een IS-strijder die zonder berouw ongelovigen kan vermoorden. Het is heel moeilijk om dit soort gedachtes te veranderen. In het rapport “RE-INTEGRATIE VAN DELINQUENTEN MET EEN EXTREMISTISCHE ACHTERGROND: EVALUATIE VAN DE NEDERLANDSE AANPAK” (p. 3) staat het volgende:
“Uit de evaluatie wordt duidelijk dat het TER-team twee belangrijke voorwaarden stelt voor een succesvolle aanpak: het opbouwen van een werkalliantie (vertrouwensband met de cliënt) en een individuele aanpak. Deze twee voorwaarden zijn beide in overeenstemming met de uitkomsten van wetenschappelijke onderzoek waarin zowel de vertrouwensband tussen begeleiders en cliënten als het gebrek aan een standaard of blauwdruk voor deradicalisering (en dus de noodzaak tot een individuele aanpak en het belang van flexibiliteit) wordt onderstreept. Uit dit onderzoek blijkt daarnaast dat de ideologie of het gedachtegoed van deze doelgroep datgene is wat de cliënten onderscheidt van reguliere cliënten. Ook deze aanname is in lijn met wetenschappelijke literatuur over terrorisme en (gewelddadig) extremisme, waarbij het belang van het ideologisch aspect in re-integratieprogramma’s wordt benadrukt.”
Wat hier opvalt is het gegeven dat een individuele ideologie (geloof, individuele absolute verhouding tot het absolute) deze “cliënten” onderscheidt van andere type cliënten. Kierkegaard haalt het idee aan dat de mens in eerste instantie ondergeschikt is aan de gemeenschap en in tweede instantie een eigen verhouding tot het eigen, individuele absolute idee ontwikkelt. In eerste instantie groeit de mens op in een gemeenschap die geheel vertrouwd is en die het lid van de gemeenschap begrijpt. De eerste aanpak uit de evaluatie is dan ook om een werkalliantie op te bouwen (vertrouwensband). Logisch, want juist vanuit een vertrouwde omgeving kunnen ideeën meebewegen. Een kind leert van jongs af aan mee te bewegen in een gemeenschap waar het mee vertrouwd is. Echter, oudere terroristen hebben veel meer moeite met het meebewegen. Ze zijn minder flexibel. China heeft daarom als tactiek om (benoemde) terroristen (het is natuurlijk de vraag of dit allemaal terroristen zijn, maar laten we deze vraag even achterwegen) bij de wortel aan te pakken door kinderen van hun ouders te scheiden. Iets wat in het westen wordt gezien als een fundamentele inbreuk op gezinsvorming. De Chinezen zien dit anders. Een kind is nog ontvankelijk voor invloeden van buiten en dienen dan ook uit de handen van mensen met “terroristische ideeën” te worden gehouden. https://www.theguardian.com/world/2019/jul/05/fake-news-china-dismisses-reports-about-detention-of-uighurs
Het tweede wat in de evaluatie naar voren komt is de individuele aanpak. Wanneer de absolute verhouding tot het absolute een innerlijke zaak betreft, dan is het praktisch onmogelijk om tot een eenduidige strategie te komen die overal kan worden geïmplementeerd. Het blijkt dan ook dat er geen duidelijke, landelijke aanpak is. Verschillende instanties gaan verschillend om met mensen met extreme ideeën. Hierdoor denken sommigen wel eens dat het geen zin heeft om iets aan extremisme te doen of dat het veel te duur (tijdrovend) is. De individuele aanpak werkt, maar biedt weinig houvast voor de gemeenschap. Niemand weet precies wat werkt en hoeveel dat gaat kosten.
Er zijn verschillende politieke partijen in Nederland die 1. vinden dat het te kostbaar en gevaarlijk is om terroristen met een Nederlands paspoort en jonge kinderen naar Nederland te halen en 2. dat het onmenselijk is om kinderen van ouders te scheiden. Wanneer beide opvattingen worden gedeeld, dan is de enige uitkomst om ouders met hun kinderen niet naar Nederland over te brengen.
Maar dan komt natuurlijk de vraag naar boven in hoeverre het menselijk is om kinderen met een Nederlands paspoort bloot te stellen aan een terroristische omgeving juist wanneer kinderen ontvankelijk zijn voor (extreme) ideeën en ze hun eigen absolute verhouding tot het absolute ontwikkelen. In lijn met Abraham, en daarmee in minder extreme zin eigenlijk iedereen, overstijgen gelovigen met hun daden het geheel van het ethische: “hij bezit een hoger telos erbuiten, in verhouding waartoe hij het ethische suspendeert”. Het hoger telos bestaat uit de mens die “in geen enkele relatie tot het algemene” (p. 376), een zuiver persoonlijke deugd omarmt. Abraham en alle gelovigen handelen niet in lijn met de gemeenschap, maar omwille van hun geloof in God en daarmee het geloof in zichzelf en het gegeven dat Abraham wil bewijzen trouw te zijn aan het eigen geloof.

Kierkegaard eindigt (p. 377) met de opmerking dat Abraham zijn handelingen ook niet kan bespreken. Het bespreken betreft het algemene binnen een gemeenschap. Je bespreekt iets in een algemeen gedeelde taal met anderen die dezelfde taal spreken. Het gevoel en de relatie tot het absolute gaat daaraan voorbij en laat zich als zodanig dus niet door het algemene mediëren! Oftewel: voor een algemene ethiek op basis van een bepaald doel dat via de rede samen met anderen besproken kan worden en kan helpen mediëren) tijdens een persoonlijke zoektocht naar het goede, is bij Kierkegaard niet veel (geen) ruimte.
Kierkegaard breekt hier met het denken ten tijden van de antieke Grieken. Daar waar veel klassieke toneelstukken vaak gingen over de tragische held met een duivels dilemma waar hij (veelal een hij) in de gemeenschap mee om moet leren gaan (wat is het doel, wat is het goede, wat moet hij doen om in de gemeenschap het juiste te doen), benadrukt Kierkegaard juist de innerlijke dimensie los staat van rationaliteit en een heldendom in een gemeenschap. Geloof is daarmee iets persoonlijks.
(Dit is dan ook niet zo makkelijk te bestrijden met strategieën in het geval van terroristen bijvoorbeeld.).

(Kijk ook eens naar het einde van de film The Dark Knight Returns, waarbij Batman de schuld op zich neemt als moordenaar van een grote hoeveelheid mensen. Batman geeft aan dat hij de persoon kan zien, die Gotham (de stad) nodig heeft, zelfs als dat betekent dat hij de schuld op zich neemt. Batman geeft aan dat iedere held lang genoeg leeft om een crimineel te worden. Net als Abraham, kan Batman, kiezen voor het absurde (idee). Batman gelooft in het absurde als het goede. Hij kan het onmogelijke zijn.
Of kijk eens naar het eerste deel van The Avengers – Infinity Wars, waar Thanos op een gegeven moment zijn meest dierbare bezit (zijn dochter Gamora) moet offeren om de soul stone te kunnen bezitten. Hij offert haar op, omdat hij gelooft in zijn ideologie dat de wereld beter af is wanneer de bevolking is gehalveerd)

*** Opmerking – uit de Bijbel – Genesis 22.
1 En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!
2 En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal.
3 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn jongeren met zich, en Izak zijn zoon; en hij kloofde hout tot het brandoffer, en maakte zich op, en ging naar de plaats, die God hem gezegd had.
4 Aan den derden dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre.
5 En Abraham zeide tot zijn jongeren: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren.
6 En Abraham nam het hout des brandoffers, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen.
7 Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon! En hij zeide: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lam tot het brandoffer?
8 En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen.
9 En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde aldaar een altaar, en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak, en leide hem op het altaar boven op het hout.
10 En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten.
11 Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel, en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!
12 Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden.




HGL – Week 9

23. De kandidaten kunnen de opvatting dat de vrije markt gepaard gaat met dehumanisering, ecologische uitputting en financiële verstikking weergeven, toepassen, evalueren en hiervan eigen voorbeelden geven.

In hoofdstuk 4 (p. 150) wordt gesproken over de “drie vulkanische breuklijnen”. Een vulkaan is een onderdeel van een landschap. Wanneer een vulkaan uitbarst, dan heeft dit enorm veel impact op het landschap en met name de leefbaarheid van het landschap. Mensen zorgen voor het landschap. De zorg voor het akker wordt ook wel cultus genoemd. Het verzorgen van het akker wordt cultiveren genoemd. De (technische) mens, onderhoudt (cultiveert), in symbolische zin nog steeds, het landschap (akker). Op het akker graast pecus. Pecus is Latijns voor vee. Pecunia werd vooral vroeger als woord gebruikt voor geld. Van oudsher representeert het grazende vee geld (pecunia) en is het aan de mens om het landschap (cultus) waarop het vee (geld) kan grazen te verzorgen (cultiveren). Het landschap kan verstoort worden door uitbarstende vulkanen. Goede zorg, en daarmee het goede leven, zal zich moeten richten op deze uitbarstende vulkanen, zodat het vruchtbare leven zoals we dat kennen kan blijven voortbestaan.

De eerste uitbarsting, die het samen leven (en daarmee ook het landschap en het geld) kan ontwrichten, betreft dehumanisering. Het gaat hierbij om de kritiek vanuit Marx op het principe van “the division of labour” zoals Adam Smith deze formuleerde. Vervreemding ontstaat wanneer mensen slechts een onderdeel van een totaalproces uitvoeren.
Deze vervreemding heeft twee niveaus:
1. De mens als arbeider vervreemdt in juridische zin van zijn arbeid. De arbeider verricht het werk, maar de winsten gaan naar de eigenaar. De arbeider maakt iets wat niet van hem is.
2. De mens als arbeider vervreemdt in menselijke zin van zijn arbeid. Het werk krijgt hierbij steeds meer intrinsieke betekenis. Het werk wordt uitgevoerd omdat de arbeider ervoor betaald krijgt, maar zaken als trots en toewijding en passie zijn niet vanzelfsprekend.
Voor de industrialisatie maakte de goudsmid mooie juwelen en de leerlooier mooie schoenen. De goudsmid en de leerlooier waren in de stad specialist en maakte hun producten helemaal zelf. Wanneer iemand door de stad liep met een paar schoenen van de leerlooier, dan zag de leerlooier dit als iets van zijn hand. Na de industrialisatie en de opkomst van “the division of labout” ontstaat de arbeider die niet meer het totaalproces uitvoert, maar slechts een deeltje en voor wie de schoenen veel minder van betekenis is.
Wanneer, en dat wil niet zeggen dat dat altijd zo is, werk steeds vaker wordt uitgevoerd omdat men er geld mee kan verdienen, dan heeft dan invloed op de betrokkenheid en enthousiasme voor het werk en het bedrijf. Op beroepseer.nl worden vijf bepalende kwaliteiten aangehaald voor “zinvol werk”: zelftranscendent, 2. aangrijpend, episodisch, reflectie en persoonlijk. Aangevuld door de zeven doodzonden van niet-zinvol werk, waarbij het gaat om het mensen losmaken van hun waarden, ingaan tegen hun oordelingsvermogen en losmaken van ondersteunende relaties. Zinvol werk draait vooral om relaties aangaan die jezelf tot denken (reflectie), aangrijpen en van persoonlijke aard zijn.
Wanneer werk louter nog een middel is om geld te verdienen, dan komen we terug op wat Aristoteles (lees nog eens week drie) al het ontwrichtende karakter van de chrematistiek (geldvermeerderingskunst) noemde. De chrematistiek voorbij gaan aan oikonomos (de zorg voor de huishouding / economie). De verdeling van het arbeidsproces vervreemdt de arbeider van het product dat hij of zij maakt. Het product is niet meer van de arbeider. De arbeider werkt slechts voor een deel aan het product omdat hier geld mee verkregen kan worden. Voor de rest dreigt de arbeid zinloos te worden. Veelal zet lopende bandwerk niet aan tot reflectie en relaties (wat natuurlijk niet voor iedereen hoeft te gelden, sommigen mensen kunnen heel gelukkig worden van werk wat door anderen als repetitief wordt ervaren). De arbeider werkt voor geld. De eigenaar ziet de arbeider daarmee ook steeds minder als mens, maar als kostenpost. En wanneer er bezuinigd kan worden op een kostenpost, dan wordt dat gedaan. En aangezien de arbeider vervreemd is geraakt van het product en de relatie steeds zakelijker wordt (ik verricht dit werk om dat geld te krijgen), dan raakt het menselijke steeds verder weg en dreigt zelfs uitgebuit te worden. Denk hierbij aan arbeiders die heel hard werken en alleen op zondag het vlees snijden. Of bedrijven die fabrieken naar lage lonen landen met goedkopere krachten verplaatsen op proberen op arbeidskosten te besparen door robots in te zetten in bijvoorbeeld de zorg of de zelfscankassa’s bij supermarkten en de IKEA.
In een vrije (arbeids)markt is arbeid een kostenpost en worden arbeiders concurrenten van elkaar. Denk hierbij aan veel ZZP-ers in Nederland. Met name in Amsterdam is de concurrentie enorm en liggen de ZZP-uurtarieven erg laag. In de cultuursector ligt het ZZP-loon op een extreem laag niveau. In alle gevallen is het noodzakelijk dat mensen iets bijzonders kunnen wat robots en fabrieksmedewerkers, die repetitieve werkzaamheden die vervangen kunnen worden, aan de lopende band niet kunnen. Banen die moeilijk vervangen kunnen worden zijn banen waar juist het menselijke aanbod komt. Banen zoals dat van de verzorgende en de leraar. Men weet dat voor goed onderwijs het noodzakelijk is om een leraar te hebben. Een website als http://www.coursera.org biedt zogenaamde Massive Open Online Courses (MOOC’s) aan. Iedereen kan online cursussen volgen. Een belangrijk onderdeel van deze MOOC’s is echter het online forum. Een soort van marktplaats waar alle deelnemers met elkaar relaties aangaan door met elkaar de stof te bespreken en betekenis te geven aan de inhoud. Zo gaat de inhoud ook leven. Het is dan ook niet vreemd dat er steeds meer aandacht komt voor de praktijk in het onderwijs. Goed onderwijs en het goede leven draait namelijk niet alleen om het ontvreemdende van het geld verdienen, maar om het relaties aangaan. Vandaar alle aandacht voor samenwerken, persoonsvorming, coaching, etc. De vraag blijft natuurlijk of de aandacht voor relaties ook werkelijk zorgt voor betere relaties en daarmee een beter leven en meer betekenis in het werk. Echter, er komt steeds meer kritiek op de privatisering van bijvoorbeeld onderwijs. Chrematistiek: geld zoekt investering, geld zoekt o.a. onderwijs. Er komen steeds meer bijlesbureaus en Google classroom is een verdienmodel en voor Coursera certificaten moet iemand 45 euro betalen. In hoeverre werkt dit ongelijkheid in de hand?

De tweede uitbarsting benadrukt de ecologische uitputting. Voorheen werd de aarde, en daarmee de natuur, begrepen als een grenzeloos theater waarbinnen de mens vrij kon spelen en beslag kon lessen “op energie en grondstoffen. Dat deze eindig zouden kunnen zijn, werd tot aan de jaren 60 van de twintigste eeuw door vrijwel niemand opgemerkt” (p. 151). Maar tegenwoordig zijn de grenzen van de aarde zelf onderdeel geworden van het theaterspel in geestelijke zin en concrete zin. Geestelijk omdat op 7 december 1972 het eerste beeld “Blue Marble” van de aarde werd gemaakt. Vanaf 1972 heeft iedereen op aarde een beeld (een idee in de geest) van haar eigen aarde. Concreet omdat de grondstoffen op aarde op een gegeven moment gewoon op zijn.
Het vrije spel wordt daarmee begrensd door de ecologische grenzen van de aarde. De mens heeft veel impact op de ecologie en daarmee op de eigen ecologische grenzen van de aarde. De vraag is niet of de mens veel impact heeft, dat is grotendeels aangetoond. De vraag is wel hoeveel impact de mens heeft. Is dat veel of is dat heel erg veel. De grote wordende productiekracht (als gevolg van de division of labour en technologische ontwikkelingen) heeft ervoor gezorgd dat bijvoorbeeld de veeteelt steeds intensief en efficiënter kan ontwikkelen. De Universiteit van Wageningen doet veel onderzoek naar duurzame veehouderij, waarbij het zoekt naar een duurzame, efficiëntie en goedkope oplossing voor veehouderijen. Op deze intensieve veehouderij komt steeds meer kritiek vanuit de hoek van dierenrechten en de milieuschade. Zo komt er een vliegtax, waarbij vliegtickets duurder worden, omdat (een klein deel van) de schade van de vlucht voor het milieu aan de klant wordt doorberekend. Shell heeft bijvoorbeeld een CO2-compensatieregeling, waarbij de klant 1 cent per liter extra mag betalen om zo de milieuschade van de benzine te compenseren. Recent is gebleken dat te veel stikstof in de lucht voor milieu en gezondheid in Nederland schadelijk is en dat de rechter heeft verboden om nog meer huizen te bouwen (terwijl er een tekort is aan huizen), omdat dit bijdraagt aan nog meer stikstof in de lucht. De vraag is hoe het samen leven op de Nederlandse akkers vormgegeven kan worden, zonder dat de economie stopt met bloeien. Ontkennen van de impact van de mens op de natuur is gevaarlijk en kan tot een vulkanische uitbarsting leiden. Ontkennen van de impact van duurdere prijzen op de leefbaarheid en beschikbare woningen kan ook tot een vulkanische uitbarsting leiden. Dan is de impact van ontwikkelingen buiten Nederland, zoals waterschaarste als gevolg van klimaatveranderingen en de bevolkingsgroei nog niet meegenomen. Klimaatveranderingen zorgen voor een onvermijdelijke grote groep vluchtelingen uit het Midden-Oosten en Afrika naar Nederland. De oplossing naast het extra belasten van producten (klimaattax) zal ook gevonden moeten worden in het tegengaan van of leren omgaan met de bevolkingsgroei en de klimaatveranderingen. Filosoof Peter Singer geeft aan, in lijn met de statisticus wijlen Hans Rösling, dat de beste remedie om de bevolkingsgroei, en daarmee de vluchtelingenstromen en klimaatveranderingen weerstand te bieden is via economische vooruitgang en de educatie (en verdere emancipatie) van vrouwen. Zo blijkt dat hoe hoger de opleiding van de vrouw, hoe minder kinderen vrouwen krijgen. Sommigen stellen dat alleen geboortebeperking ons nog kan redden, maar wellicht is het vruchtbaarder om burgers overal ter wereld rijker te maken en vrouwenemancipatie mogelijk te maken.

De derde uitbarsting betreft de financialisering, waarbij de nadruk komt te liggen op “alles dienstbaar” maken “aan financieel gewin“. De film The Big Short draait om de kredietcrisis uit 2008. Kort gezegd gebeurde het volgende begin 20ste eeuw. Veel mensen sloten een hypotheeklening af om een huis te kopen. De regels om een lening te krijgen waren er wel, maar werden niet of niet streng nageleefd of waren simpelweg onvoldoende. Banken verdiende geld door hypotheken te verkopen en daar rente voor te krijgen. Geld lenen werd heel normaal. De rentes gingen ook omlaag. In Nederland kan je tot vandaag zelfs een deel van je hypotheekrente terugkrijgen van de belastingdienst.
De algemene regel is: Hoe goedkoper de lening (dus hoe lager de rente), hoe meer je kan lenen omdat ik alles ook moet kunnen terugbetalen. Wanneer ik weinig rente hoef te betalen, dan kan ik meer geld lenen. Het maakt nogal uit of ik 50% rente moet betalen over 100.000 euro of 5%. Daarnaast krijgen huizenbezitters ook geld terug van de belastingdienst (hypotheekrenteaftrek). Hierdoor kunnen consumenten nog meer lenen omdat ze weten dat ze een deel van de rente terugkrijgen.
Daarnaast verkochten banken ook hypotheekleningen die niet afgelost hoefden te worden. Men ging ervan uit dat de huizen steeds meer waard zouden gaan worden (overwaarde) en dat uiteindelijk het huis verkocht kon worden en de schuld met de meerwaarde kon worden afgelost. In veel gevallen sloten mensen een extra hypotheek af op de (overwaarde). Stel iemand kocht een huis van 200.000 euro met een hypotheek van 200.000 euro en na 10 jaar was het huis 250.000 euro waard, dan kon de eigenaar een extra hypotheeklening afsluiten van 50.000 euro.
In Griekenland is er de zogenaamde Katseli-wet. Deze wet beschermt huiseigenaren die de hypotheeklening niet meer kunnen betalen van hun vaste en enige woonadres. Het eerste huis, de oikos (denk hierbij aan de zorg voor de huishouding – oikonomos), wordt beschermd door het recht. Het eerste huis wordt gezien als een noodzakelijkheid voor het goede leven. Banken mogen deze huizen niet zomaar veilen en bewoners dwingen uit huis te gaan. Het eerste huis is daarmee geen investeringsobject waaruit winst gehaald kan worden. Deze gedachte leefde nauwelijks in Nederland, maar ook in andere westerse landen. Veel Nederlanders zagen het eigen huis als een stabiele bron van kapitaal. De babyboom-generatie (geboren na de tweede wereldoorlog) wordt door de stijging van de huizenprijzen uiteindelijk de rijkste generatie ooit. Deze stijgende huizenprijzen zorgen ervoor dat veel jongeren geen huis kunnen krijgen.
Maar waar komt deze stijging van de huizenprijzen vandaan? Omdat mensen steeds meer konden lenen, gingen verkopers van huizen ook steeds meer geld vragen. Wanneer er weinig huizen te koop staan, dan is er sprake van een verkopersmarkt. De verkoper is in het voordeel, omdat er weinig te koop staan (vandaar dat we ook een serieus probleem hebben t.a.v. het bouwen van nieuwe huizen). De verkoper zal aan de potentiële kopers vragen een bod uit te brengen. De kopers lopen het risico tegen elkaar op te moeten gaan bieden. Omdat de leningen steeds goedkoper worden, kunnen kopers ook steeds meer lenen en gaan ze bedragen bieden die niet zelden buitenproportioneel zijn. Op deze manier ontstaat er een zogenaamde huizenbubbel. Mensen betalen steeds extremere bedragen voor een huis. De banken verkopen natuurlijk graag hypotheken aan deze huizenbezitters. Want mensen betalen altijd braaf hun hypotheekrente. Niemand wil namelijk uit huis gezet worden. De betalingsmoraal van de hypotheekhouder is een baken van zekerheid. Niemand die twijfelt aan het feit dat hypotheekhouders hun hypotheek zullen betalen.
Waar ging het mis? Ten eerste werden hypotheken veel te makkelijk verstrekt. Op de instituten die de banken moesten controleren werd bezuinigd en daarnaast werkte veelal de beste mensen bij de banken en niet bij de slecht betalende controlerende instanties. Veel mensen die bij de controlerende instanties werkten, wilden eigenlijk voor de banken werken omdat ze daar meer geld konden verdienen. De controle was niet voldoende en de hypotheken werden te makkelijk verstrekt.
Ten tweede. Banken konden niet meer hypotheken verkopen dan dat er huizen waren, maar ze wilden wel graag nieuwe financiële producten verkopen om nog meer winst te maken. In The Big Short legt wijlen Chefkok Anthony Bourdain uit wat een Colleteralized Debt Obligation (CDO) is. Een CDO is financieel product dat verkocht kan worden. Het is geen auto of iets tastbaars, maar puur abstract. Een CDO is letterlijk een gedekte schuldobligatie. Een gedekte schuldobligatie bestaat uit hypotheekleningen die gedekt worden door de eigenaren die netjes rente en aflossing betalen. Je kunt als bank een groot pakket aan hypotheken doorverkopen tegen een nieuw percentage aan een andere bank, fonds of persoon. Dan krijgt deze het nieuwe percentage van deze CDO. De meest betrouwbare leningen zijn hypotheekleningen en deze krijgen een zogenaamde triple A status (AAA). Deze leningen worden vrijwel zeker terugbetaald.
Maar er zijn ook minder goede leningen, zoals leningen op creditcards, etc. Anthony Bourdain laat in zijn filmpje zien dat je verse vis voor veel geld kunt verkopen (denk hierbij aan een gezond AAA-product). Maar op een gegeven moment is de vis te oud en moet je deze vis eigenlijk weggooien. De vis levert niet veel meer op (denk hierbij aan steeds mensen die de rentes niet meer betalen van leningen). Dit worden dan slechtere producten die minder opleveren met een zogenaamde B-status of zelfs BBB-status (rommel). Bourdain gooit vervolgens alle oude vis in een pan en maakt er een nieuwe soep van en verkoopt deze soep als een exclusieve soep met een AAA status. Op deze manier maakt Bourdain een nieuw product met een AAA-status maar dat bestaat uit afzonderlijke producten (oude vissen) met een BBB-status. En banken blijven nieuwe producten maken van oude producten tot het moment dat niemand eigenlijk meer weet wat er in welk product zit en hoeveel het oplevert. Denk hierbij aan soep die gemaakt is van tientallen andere soepen. Niemand weet meer zeker wat de ingrediënten zijn. De BBB-producten leveren niet veel op. Hier vinden we het verschil tussen de reële economie en de financiële economie. De reële economie (het geld wat iedereen in de wereld werkelijk bezit) bedraagt 80 biljoen dollar (p. 153). Daarnaast heeft iedereen 190 biljoen dollar schuld. Dit is allemaal de reële economie. De financiële economie bestaat uit de verkoop van financiële producten zoals CDO’s, die niks meer te maken hebben met de reële economie. In deze (ondoorzichtige) financiële economie gaat 1,2 quadriljoen dollar in omloop. Dat is 15x het totale bedrag dat alle mensen bezitten in de hele wereld. Iedereen kan zich voorstellen dat wanneer de financiële economie met 1,2 quadriljoen dollar (p. 153) in elkaar stort, de wereld zeg maar failliet is (of dreigt te gaan) en het kapitalisme ten einde. Veel mensen waren hier in 2008 doodsbang voor.
En op het moment dat het niet zo goed gaat met de economie gaan steeds meer mensen hun hypotheekrente niet meer betalen. Als het aantal niet-betalende mensen boven de 5% komt, dan leveren zelfs de AAA-producten niet genoeg op. En dit gebeurt dus ook. Maar toch blijven de AAA-ratings overeind. De ratings worden niet aangepast. Wie bepaalt deze ratings (AAA of BBB)? Dit wordt gedaan door met name de drie grote ratings agencies: Moody’s Investors ServiceStandard & Poor’s, and Fitch Ratings. Omdat deze bedrijven concurrenten zijn en geld willen verdienen, geven ze niet zelden ratings die de grote banken graag willen hebben om zo de klanten de illusie te geven dat alles prima in orde is. Doen deze bedrijven dat niet, dan dreigen banken naar een concurrent te gaan die wel AAA-ratings wil uitdelen.
Vervolgens verkopen veel banken ook verzekeringen. Een fonds kan bij een bank een verzekering afsluiten voor potentiële verliezen. Stel je voor dat je een huis koopt, dan kun je (in theorie) een verzekering afsluiten tegen een mogelijke waardedaling. Een verzekeraar zal inschatten hoe groot de kans is dat het huis in waarde zal dalen. Hoe kleiner de kans, hoe goedkoper de verzekering. Wanneer het huis dan toch in waarde daalt, zal de verzekeraar het verschil uitbetalen. Omdat niemand ervan uitging dat de huizenmarkt in elkaar zou storten (en dus hypotheekhouders hun leningen niet meer zouden kunnen betalen), werden er geen verzekeringen afgesloten tegen een waardedaling van de huizenmarkt. Toch waren er in 2007 een paar “idioten” zo gek om bij de grote banken langs te gaan voor een nieuw product: een verzekering tegen de daling van de huizenprijzen en huizenmarkt (tegen de huizenbubbel zeg maar). Banken wilden natuurlijk snel geld verdienen en maakten een nieuw product voor deze “idioten”. Deze idioten moesten natuurlijk wel premie betalen hiervoor. Omdat de huizenmarkt nooit zou instorten, was deze premie “gratis geld”… totdat steeds meer mensen hun hypotheek niet meer konden betalen.
Zoals eerder gezegd waren in 2008 heel veel mensen bij de banken doodsbang dat de financiële economie in elkaar zou storten en de reële economie met zich mee zou nemen. Want wanneer banken failliet dreigen te gaan, dan verliezen miljoenen burgers hun spaargeld, aandelen, pensioenen, etc., waardoor ze nog minder kunnen aflossen aan toch al failliete banken. En omdat alle banken overal ter wereld vooral gericht waren op winstmaximalisatie (chrematistiek – de geldvermeerderingskunst) in dienst van de eigenaars (kapitalisten/aandeelhouders, zie nogmaals Gordon Gekko uit de film Wall Street) en vrijwel niemand keek naar de morele gevolgen voor de gewone mensen met een huis, dreigden de ene failliete bank zijn schulden bij andere banken niet meer te kunnen betalen, waardoor die andere banken ook dreigden failliet te gaan. Daarnaast werkten veel banken met complexe algoritmes (zie de film Margin Call) om de beurskoersen en financiële producten te analyseren. Slechts enkelen tot niemand begreep deze algoritmes. Met liet de boel maar gewoon gaan. Gevolg: failliete banken die gered moesten worden door landen die met het belastinggeld van hun inwoners banken gingen redden omdat banken “to big to fail” waren. De banken waren zo groot en de impact op het dagelijkse leven van mensen zou zo enorm zijn, dat de overheden wel moesten helpen. In Amerika ging Lehman Brothers failliet en in Nederland de DSB-bank. Miljoenen mensen werden dakloos en verloren al hun spaargelden. De banken schopten de bal ook terug. Ze gaven aan dat iedereen, en dus ook de klanten, vooral heel veel rente wilden hebben en zichzelf rijk wilden rekenen en dat de banken daarom hele dubieuze producten gingen verkopen. Er was vraag naar en in een vrije markt worden hiervoor producten aangeboden. Mensen hadden zich ook beter kunnen verdiepen in hun leningen. Hier zit iets in, maar dan nog blijven de AAA-ratings dubieus en is het maar de vraag of de gemiddelde huiseigenaar in staat is om over een periode van een 30-jarige hypotheeklening een rationele risico-analyse te maken.
“In Griekenland zorgden dit voor een gigantisch probleem. De Griekse staat had sowieso gelogen over de belastinginkomsten door zwart geld op de balans te zetten. In werkelijkheid gaf de Griekse regering veel te veel geld uit. Tel daarbij de dreigende faillissement van de Griekse banken op en de noodzakelijke redding van de overige EU-landen tegen het faillissement van Griekenland en het totaalplaatje is compleet, waarbij Griekenland, instituten (zoals banken), gezinnen (die hypotheken niet kunnen betalen) en bedrijven (die nauwelijks nog geld krijgen) voor een groot deel “in gijzeling worden genomen” (p. 152). Het blijft de vraag of de onderliggende problemen van de krediet- en huizencrisis uit 2008 voldoende zijn aangepakt en of men genoeg heeft geleerd van deze crisis en de maatregelen toereikend genoeg zijn. De toekomst zal het leren. Anders dreigt wederom een grote groep afhankelijk te worden van geldverstrekkers/vermogenden (veelal grote banken, aandeelhouders of sterke overheden of de 1% rijkste burgers ter wereld). Op deze manier dreigt er een nieuwe vorm van “slavernij”, waarbij het rendement op vermogen sterker groeit dan de groei van de economie, de lonen en koopkracht niet meegroeien met de groei van de economie, vermogen meer rendeert dan inkomen en daarmee een kloof ontstaan tussen de vermogenden en de werkenden. Dit is een systeemfout gebaseerd de nooit bewezen ideologie van het neoliberalisme en haar selectieve interesse voor de onzichtbare hand en nadruk op hebzucht. In juni 2019 schrijft een groepje Amerikaanse superrijken een brief naar de presidentskandidaten in 2020 met de vraag naar meer “wealth tax” (overheidsingrijpen in de vrije markt door het belasten van vermogen en actievere herverdeling van geld). Minister Hoekstra haalt in de HJ Schoo-lezing (2019) “The fear of falling van de middenklasse” aan. Deze vermogenden en politicus zien ook een (te grote) tweedeling ontstaan. Naast mogelijke morele argumenten of de Amerikaanse samenleving dit moet willen, is er zeker ook een technisch argument te geven. Een consumptiemaatschappij gebouwd op de grote middenklasse, de burgerij, staat onder druk wanneer deze groep met hun lonen niet meer dan voorheen kunnen consumeren en de koopkracht voor deze groep hierdoor o.a. (er zijn meer redenen) niet meestijgt. (Los van de (relevante) morele vraag of we wel altijd meer groei en koopkracht voor de mens als homo economicus moeten willen. Hier gaat het specifiek om de verhouding tussen kapitaal/vermogen en werk/loonarbeid)

De mens en menselijke maat heeft plaatsgemaakt voor het geld en de geldvermeerderingskunst (winstmaximalisatie), terwijl banen waarbij het gaat om het welzijn van mensen wereldwijd wordt ervaren als zinvol in tegenstelling tot PR-medewerkers, financiële experts en economen. Toch hebben veel overheden verantwoordelijkheid genomen door een zorgplicht voor banken in te voeren en daarbij garant te staan voor spaargeld tot 100.00 euro (depositogarantiestelsel). Daarnaast komt er steeds meer aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), waarbij bedrijven niet alleen winsten willen maximaliseren voor aandeelhouders, maar een aandeel willen nemen in de (duurzame) economie van de toekomst. De overheid heeft daarmee het idee van de totale vrije markt in lijn met de neoliberale visie gedeeltelijk losgelaten en stimuleert MVO. Een totale vrije markt had alle banken failliet laten gaan en het systeem in elkaar laten storten. De vrije markt zorgt dus niet vanzelfsprekend voor een natuurlijke balans. De vrije markt zorgt voor vervreemding en (extreme) ongelijkheid, waarvoor de gewone burger uiteindelijk via het betalen van belasting voor moet betalen.
(Drie voorbeelden:
1. Denk aan de aanvullende beurs voor studenten met ouders die de studie van hun kind(eren) niet kunnen betalen. Op de website van DUO staat het volgende: “De hoogte van de aanvullende beurs en toelage is afhankelijk van het inkomen van uw ouders.” De mate waarin ouders in staat zijn een studie te betalen, is volgens DUO afhankelijk van het inkomen. Ouders met veel kapitaal (dus een flinke bankrekening) maar zonder inkomen, worden dus gecategoriseerd als ouders die NIET de studie van hun kinderen kunnen betalen. Het komt dus voor dat studenten in luxe leven en een aanvullende beurs krijgen. Wat hieruit duidelijk moet worden is dat kapitaal/vermogen niet wordt meegerekend. Kapitaal zorgt voor meer kapitaal (chrematistiek). Het inkomen is veelal nodig om de dagelijkse zorg voor het huishouding uit te voeren (oikonomie). Mensen met heel veel kapitaal hebben geen inkomen nodig. Zij vergaren “inkomen” uit de investeringen die ze hebben gedaan met hun kapitaal.
2. Denk aan de rijkste families (niet met de hoogste inkomens, maar dus met de hoogste bankrekening) die zelf een bank oprichten (dat mag namelijk gewoon) of een investeringsfonds. Deze bank of investeringsfonds kan vervolgens voor heel weinig geld, geld lenen van de Centrale Europese bank. Tevens kunnen ze stichtingen oprichten die geen belasting betalen en daarnaast deze fondsen en stichtingen onderbrengen in landen waar weinig belasting betaald hoeft te worden. De zogenaamde belastingparadijzen. Leden van deze families kunnen vervolgens via deze bank en fondsen en stichtingen aan goedkope leningen komen en hoeven daarnaast weinig belasting te betalen. Dit is allemaal niet weggelegd voor mensen met alleen een inkomen en (te) weinig kapitaal. Zo worden de verschillen tussen kapitalisten en de “loonarbeider” alleen maar groter.
3. Reken ook eens mee. Stel iemand is fulltime leraar en verdient zo’n 2500 euro netto per maand. Daarnaast heeft deze leraar een huis dat hij of zij verhuurd in Amsterdam van 500.000 euro. De maandelijkse huurinkomsten zijn dan rond de 2000 euro. Daarnaast stijgt de waarde van het huis jaarlijks met zo’n 5% (dit is een nog pessimistische voorspelling). Dat is omgerekend 25.000 euro per jaar, meer dan 2000 euro per maand. Hierdoor verdient de leraar (2000+2000=4000 euro) per maand aan huuropbrengsten en waardestijging, terwijl het maandelijkse inkomen 2500 euro is. Het kapitaal/vermogen/bezit levert daarmee meer op dan het inkomen.

24. De kandidaten kunnen uitleggen dat er met de invoering van de vrije markt een scheiding plaatsvindt tussen de private en de publieke sfeer, waarbij ook de politiek beperkt en bepaald wordt door het economisch discours. 
Ze kunnen daarbij uitleggen: 
– dat dit volgens Tronto leidt tot een verschraling van het morele debat in het publieke domein; 
– dat zorg volgens Tronto een publieke taak is en daarom onderwerp is van politiek.

Het grote probleem is dat we de bestaande situatie niet bekijken vanuit een originele bril maar vanuit de logica van de bestaande situatie zelf, waardoor er geen paradigmashift kan plaatsvinden. Dit is het zelfreferentieel karakter. De oplossing voor bijvoorbeeld het ineenstorten van de huizenmarkt is om de markt nog vrijer te maken of om nog meer te reguleren (ingrijpen van de staat in de vrije markt). In beide gevallen zijn dit bestaande ideeën voor bestaande oplossingen. Dit doet denken aan de uitspraak: “Wij van WC-eend adviseren WC-eend“.
Tronto stelt dat de macht van de politiek op drie manieren begrensd wordt: 1. Scheiding tussen moraal en politiek, 2. Scheiding tussen abstracte moraal en toegepaste moraal en 3. Scheiding tussen publieke (openbaar) en private sfeer (thuis).
Bij de oude Grieken werd er al een onderscheid gemaakt tussen de zorg voor de huishouding (private sfeer) die als zodanig ondergeschikt wat aan de regels van de polis (openbare sfeer). De zorg voor de huishouding was ook een aangelegenheid van slaven (zoals de pedagoog, de huisslaaf die kinderen voorzag in scholing) en vrouwen. De private sfeer van de zorg werd toen al gescheiden van de publieke, politieke (mannelijke) sfeer van de zakelijkheid en de harde regels. De zorg kreeg steeds minder plek in de publieke sfeer. De zakelijke publieke sfeer is een sfeer waarin efficiëntie, zakelijkheid, mannelijkheid, verbetering centraal staat. De zakelijke, rationele mens (man) moet (in de moderne tijd) als een afwegende rekenmachine (homo-economicus) voor zichzelf de beste keuze (utilisme) maken (hebzuchtig), waarbij het doel snel de middelen heiligt (p. 156).
De sfeer van de zorg met daarbij zaken als deugdzaamheid (zie primaire tekst 1), burgerschap, moraal passen niet bij de publieke sfeer (p. 156). Ze worden ook vaak als zweverig beschouwd, net als religie. Dat is prima achter de voordeur, maar de politiek moet mensen niet lastig vallen met dit soort zaken. De zorg wordt ongeschikt gemaakt aan het technische denken, de verzakelijking in een technische, harde taal (bureaucratie en cijfers – denk hierbij aan de algoritmes die de huizenmarkt in 2007 bestuurden).
Volgens Tronto is deze verzakelijking een verschraling van het goede leven en is het juist een taak van onderwijs en politiek om juist de zorg niet alleen voor het huishouden (oikonoms) maar voor het hele land te organiseren, waarbij niet het getal en de zakelijkheid voorop moet staan, maar de zorg als fundament voor de wijze hoe mensen relaties aangaan met elkaar en daarmee samen leven.
Wanneer dit niet gebeurt, dan verzakelijken relaties tot verbindingen (producent-consument) die mensen aangaan op basis van wat het ze oplevert. Liefde is dan alleen maar iets wat voor de ander iets oplevert. Ik hou van jou als jij mij een auto geeft. Wanneer je niks voor mij meer betekent en ik niks aan je heb, dan ontvriend ik je op Instagram of Facebook. Of aan de leraar als producent is in een onderwijsfabriek (school) voor de leerling als consument, waarbij de producent voortdurend wordt afgerekend op basis van targets (eindexamenresultaten) zoals Key Performance Indicators (KPI’s), evaluaties van leraren door leerlingen, wat mogelijk manipulatie van cijfers ter genot van de leerling (en het voortbestaan van de school als bedrijf/fabriek) in de hand werkt. Deze stroming wordt ook wel transactionalisme genoemd: de school handelt in lijn van wat het oplevert. De leraar doet hetzelfde en de leerling ook.

Het transactionalisme ondergraaft de verantwoordelijkheid voor en vertrouwen in elkaar (punt II, p. 158). Een deal is niet alleen maar een deal (punt I, p. 157). Veel Russen wantrouwen Europeanen omdat Europeanen in de jaren 90 zaken hebben gedaan met Russen, maar na de deal meteen weer vertrokken, terwijl de Russen zelf dachten dat ze een vertrouwensband hadden. Vertrouwen (wellicht juist in een land waar veel corruptie is) is voor Russen belangrijk. Het is niet alleen maar een zakelijke overeenkomst. Het opbouwen van een vertrouwensband kost tijd. Daarnaast ondermijnt het transactionalisme (punt III, p. 160) het politieke-sociaal contract. Het gaat hierbij om het contract met de samenleving als geheel waarvoor iedereen ook een verantwoordelijkheid heeft. Het is niet duurzaam en draait om kortstondig gewin, waarbij het gaat om snelle targets halen. In het geval van de failliet gegane DSB-bank gaven medewerkers aan leningen te hebben verkocht aan klanten waarvan ze wisten dat de klanten die niet konden betalen. De medewerkers reden soms huilend naar huis, maar ze moesten nu eenmaal targets (doelen) halen en de klant werd gezien als een homo economicus die zelf ook wel kon uitrekenen wat het beste voor hem was (eigen verantwoordelijkheid).
Trump wordt vaak gezien als een transactionalist: America first! Check het onderstaande filmpje waarbij Trump verantwoordt waarom de Amerikanen zich terugtrekken uit Syrië en de Turken vervolgens Syrië kunnen binnenvallen. Los van de vraag wie er goed of slecht is, gaat het hier om de verantwoording van Trump. Trump geeft aan dat de Koerden vechten voor hun eigen land en de Koerden de Amerikanen ook nooit geholpen hebben en dat de Amerikanen veel geld hebben betaald aan de Koerden.

Primaire tekst
(4): Joan Tronto – Caring democracy, Markets, Equality and Justice 
25. De kandidaten kunnen de neoklassieke (economische) visie dat de kwaliteit van zorg beter wordt door de vrije markt en de tegenovergestelde visie dat de vrije markt schadelijk is voor de kwaliteit van de zorg verdedigen. Daarbij kunnen zij van beide visies voorbeelden geven en de politieke implicaties van deze visies weergeven, toepassen en evalueren.


De neoklassieke (economische) visie gaat uit van de mens die uit eigen belang handelt. Wanneer alle mensen uit eigen belang handelen (en kiezen – homo economicus), dan ontstaat strijd en concurrentie waardoor de producten beter en goedkoper worden voor consumenten. Hierdoor ontstaat er een “onzichtbare hand” die zorgt voor nog meer geld (winstmaximalisatie voor iedereen). Meer geld voor de rijke en arme mensen. Hoe meer geld voor iedereen, hoe rijker ook de armsten in een land. Deze visie gaat ervan uit dat de democratie en de zorg voor elkaar en het huishouding (oikonomos) beter gaat als de verzorgers (iedereen) genoeg geld heeft om van te leven.
Joan Trono vertrekt vanuit een tegenovergestelde visie. De markt wordt als publieke sfeer losgetrokken van de (vrouwelijke) private sfeer (het huis en de zorg thuis voor het huishouden). De publieke sfeer is zakelijk, hard, (mannelijk) en vertrekt vanuit eigenbelang. Tronto benadrukt dat het goede leven niet gaat om de vraag hoe om te gaan met kapitaal en product-consument verhoudingen zoals Locke, Smith en Marx. Het goede leven vertrekt vanuit het idee dat mensen gezonde verbindingen met elkaar moeten aangaan: zorg (voor elkaar). Niet alleen thuis, maar in het hele land. De publieke sfeer is niet alleen iets zakelijks (en mannelijks), maar heeft ook zorg nodig voor elkaar. Dit is noodzakelijk voor een gezonde democratie.
Tronto wil dat de zorg voor elkaar wordt gecultiveerd (p. 398). Tronto definieert drie standaardargumenten (p. 397) (die vaak worden aangehaald maar geen fundamentele oplossing bieden voor het probleem van de zorg) over zorg en samenleving:

  1. Zorg is natuurlijk. Mensen zorgen sowieso voor elkaar, daar hoeven politici in de publieke sfeer geen aandacht aan te schenken. Zorg is iets voor mensen zelf. Wel kan de overheid een zorgsysteem met ziekenhuizen en huisartsen en verzekeringen opbouwen en verder uitbouwen.
    Dit argument is volgens sommigen niet toereikend. Dit argument zorgt ervoor dat er geen debat plaatsvindt over het menselijke aspect van zorg. In de thuiszorg wordt bezuinigd op het menselijke aspect. Dit zou te duur zijn en niet efficiënt genoeg. Steeds meer medewerkers krijgen een minutenschema waarin wordt bijgehouden hoeveel tijd welke cliënt krijgt van de verzorger. Deze efficiëntieslag zorgt ervoor dat de zorg van haar menselijke kant wordt ontdaan. Een gesprekje of kopje koffie met een eenzame oudere zit er steeds minder in, terwijl eenzaamheid en persoonlijke verwaarlozing op termijn de samenleving veel meer kost. Het zou wellicht goedkoper zijn om juist ruimte te geven voor zorg.
    (Ruimte voor een coachgesprek kan ook in dit licht worden begrepen. Ruimte voor persoonlijke zorg voor elkaar, voorbij de targets/ eindexamenresultaten).
  2. Zorg is een product dat op de vrije markt verkocht moet worden (waardoor er vanuit de vrije markt ook natuurlijke vraag voor zorg moet zijn. Denk hierbij aan steeds meer producten die gaan over zorg voor elkaar zoals coaches). Het tot product maken van zorg biedt geen fundamentele oplossing voor het zorgvraagstuk.
    Denk hierbij aan marktwerking in de zorg. Wanneer zorg als een product wordt gezien dan bepaalt de vrije markt wat het kost. Zorg wordt daardoor efficiënter en goedkoper. Dit is de theorie. Echter, de afgelopen jaren zijn een aantal ziekenhuizen failliet gegaan als gevolg van marktwerking. Verschillende cliënten (klanten) zijn hier de dupe van geworden. Vertrouwde banden met doktoren/behandelende artsen werden opeens doorbroken.
    Daarnaast zorgen priveklinieken voor verschillen tussen arm en rijk. Arme mensen krijgen minder luxe zorg dan rijke mensen. Rijke mensen kunnen ook dure zelfscans etc. betalen. Wanneer zorg wordt bepaald door de vrije markt, dan kunnen bepaalde mensen meer en betere zorg inkomen dan andere mensen.
    Daarnaast zijn veel mensen die zorg nodig hebben vaak kwetsbaar. Het is maar zeer de vraag of een kwetsbaar, zorgbehoevend persoon als een homo economicus een rationele afweging kan maken met een (economische) kosten-en-baten analyse van wat zorg voor de eigen gezondheid kan opleveren en wat niet. Kwetsbare mensen kunnen soms angstig zijn en daardoor niet altijd de meest rationele (economische) keuze maken.
    Het laatste punt betreft de onbetaalbaarheid van het tot product maken van alle zorg. In 2016/2017 benadrukt de regering het idee van de participatiesamenleving. Mensen moesten meer participeren in de samenleving. Eigenlijk staat hier dat mensen meer voor elkaar moeten gaan zorgen, omdat de overheid deze zorg op langere termijn niet meer kan (of wil) betalen. Niet alle zorg kan betaald worden uit belastinggeld. De zorg die wordt geboden moet goedkoper en efficiënter (minder menselijk) of worden uitgevoerd door zogenaamde mantelzorgers. Een mantelzorger is een vriend of familielid die langdurige zorg biedt aan iemand anders en daar niet voor betaald krijgt, waarbij soms wel extra (financiële) hulp wordt geboden van uit de overheid. Rijkere mensen kunnen meer zorg inkopen en armere mensen moeten daardoor meer voor elkaar zorgen (wat natuurlijk ook zorgt voor minder betaalde inkomsten, wanneer iemand niet kan werken omdat deze persoon voor een familielid moet zorgen). Kortom: het betalen voor zorg is onbetaalbaar.
  3. Zorgproblemen (tekorten) oplossen door globalisering (meer mensen uit andere landen) en zorgrobots.
    Wellicht dat door robots en buitenlandse werknemers een aantal vacatures kunnen worden ingevuld en het gigantische tekort in de zorg (waar eerst op is bezuinigd) iets worden teruggedrongen. Buitenlandse werknemers en zorgrobots lossen echter het fundamentele probleem niet op. Het fundamentele probleem draait wederom om het goede leven met aandacht voor elkaar en daarmee ook zorg voor elkaar. De vrije arbeidsmarkt krijgt het niet voor elkaar om genoeg mensen te vinden. Zorg is sowieso heel erg duur. En robots kunnen de mens en het menselijke (nog) niet vervangen. Menselijk contact is cruciaal in de zorg. De nadruk op het invullen van vacatures typeert “een verwrongen beeld van de verantwoordelijkheid voor de zorg, dat op den duur de democratische beginsleen van een samenleving zal ondermijnen” (p. 399).

Primaire tekst (4) – Daarbij kunnen zij van beide visies voorbeelden geven en de politieke implicaties van deze visies weergeven, toepassen en evalueren.
Tronto stelt de vraag (p. 400): “Hoe moet zorg tot stand komen in een alomvattende democratie” en plaats de logica van de markt (mannelijke, publieke sfeer) tegenover de logica van de zorg (vrouwelijke, privesfeer).
De neoklassieke (neoliberale) economievisie stelt voor dat een land en daarmee haar bevolking zoveel mogelijk geld (winstmaximalisatie / chrematistiek) moet verdienen, zodat men (het land) steeds rijker wordt en de overheid of de mensen zelf zorg in kan/kunnen kopen.
Tronto’s visie benadrukt dat de “logica van de markt” (p. 400) nooit de vraag over zorg, samenleving en uiteindelijk de democratie zal stellen. De logica van de markt stelt de vraag van winstmaximalisatie en beschouwt alle zaken van zorg voor iets achter de voordeur.
De logica van de markt stelt de vraag hoe winst gemaximaliseerd kan worden. (ook in de gezondheidszorg zelf met concurrerende ziekenhuizen bijvoorbeeld)?

Zorg is echter voor niemand hetzelfde en daarmee ongelijk, particulier en pluralistisch (p. 400). Er is efficiënte geen one-size-fits-all oplossing, maar toch blijft men hiernaar zoeken omdat dit geld maximaliseert. De vraag naar de zorg is een vraag naar macht. Hoe hebben verzorgers/ziekenhuizen/instituten “macht” over mensen die hulpbehoevend zijn? Wat moeten we aan deze ongelijkheid, angst, afhankelijkheid, verschillen, etc. doen? Hoe willen we als samenleving voor elkaar zorgen? Dit zijn fundamentele vragen die de logica van de markt niet zal stellen, omdat deze logica stelt dat dit iets is voor achter de voordeur (in de privesfeer).

Tronto stelt een nieuwe logica van de zorg voor als alternatief voor of naast de logica van de markt (winstmaximalisatie) uit eigen belang. Voor deze logica van de zorg is ook iets te zeggen vanuit het Prisoners Dilemma. Samenwerking, en daarmee de afstemming van en zorg voor elkaar, is op langere termijn het beste voor iedereen.
Wanneer we deze nieuwe logica gaan omarmen, dan heeft dat natuurlijk enorme consequenties voor hoe het land en zorg wordt vormgegeven en hoe we denken over samen leven. Andere politieke partijen zullen dan ook aan de macht komen en het goede leven wordt dan niet meer iets waarbij zorg (opvoeding en samen leven) niet alleen maar een privezaak is voor thuis, maar een gemeenschappelijke taak. Hierdoor komt er bijvoorbeeld meer aandacht op scholen voor burgerschap en Bildung. Daarnaast draagt de logica van de zorg een manier van samen leven uit waar vertrouwen de basis vormt. Mensen zijn van nature geneigd om voor elkaar te zorgen. De mens is van nature goed zo schrijft Rutger Bregman in zijn nieuwe boek “De meeste mensen deugen” en hij haalt hierbij een voorbeeld aan van wat er gebeurt als een groep mensen plotseling aanstromen op een onbewoond eiland. De logica van de vrije markt gaat uit van eigenbelang en hebzucht. In het nobelprijs winnende boek “Lord of the Flies” lijkt de schrijver de logica van de markt verder door te denken. Mensen op een onbewoond eiland zouden uit eigenbelang elkaar geweld aandoen. Bregman onderzoekt jaren later of de stelling van het boek (eigenbelang en geweld) ooit werkelijk heeft plaatsgevonden. De uitkomst is het tegenovergestelde: in de praktijk blijkt (er is helaas maar 1 pratkijkvoorbeeld) dat mensen juist in nood voor elkaar willen zorgen! De logica van de markt en haar thema van eigenbelang gaat in de meeste gevallen niet op. Mensen zorgen veel meer voor elkaar (ook in de publieke sfeer) wanneer ze elkaar nodig hebben. Hebzucht is wellicht iets voor een decadente wereld.
Daarnaast is het relevant om de vraag te stellen of zorg voor elkaar een vrouwelijk iets is. Niet zelden wordt bijvoorbeeld gesteld dat technische jongens geen zin hebben in vage praat over zorg voor elkaar. Ook dit argument wordt wel eens aangegrepen in het licht van coaching. Mannen (en technici) zouden minder gericht zijn op zorg. Waarschijnlijk klopt deze logica niet. Het kan wel zo zijn dat mensen van elkaar leren de logica van de markt en eigenbelang voor waar aan te nemen. Maar wat waar gevonden wordt en wat men elkaar aanleert, is nog niet per definitie waar. In ieder geval moet de vraag naar de heersende logica (markt en/of zorg) nog open staan en verdient de logica van de markt niet het alleen heerschappij in het denken over het organiseren van de wijze hoe mensen samen leven in de publieke sfeer.

Lees ook eens dit stuk over de verschillende inkomens tussen mannen en vrouwen in relatie tot de verschillende mate van zorg voor de huishouding.

CDO

HGL – Week 8

22. De kandidaten kunnen uitleggen dat volgens Marx de vrije markt, die gebaseerd is op privébezit van productiemiddelen, op gespannen voet staat met het goede leven. Daarbij kunnen ze uitleggen welke rol het kapitaal daarin volgens Marx speelt. 

Zowel Karl Marx als Adam Smith anticiperen op een nieuwe wereld waarin producten steeds breder beschikbaar wordt voor de burgerij als gevolg van de industrialisatie, technologische en wetenschappelijke vooruitgang. Beiden stellen de vraag hoe om te gaan met de beschikbaarheid van producten voor alle burgers. Het draait wezenlijk om de vraag naar de verdeling van spullen/producten (materiaal, m.a.w.: materialisme) en de rol van politici hoe/om deze verdeling op een bepaalde manier te organiseren.

Marx analyseert 50 jaar na Adam Smith, Smiths economiefilosofie. Deze analyse kan niet zonder de volgende punten: breuk met het verleden (p. 146), waarbij het feodale stelsel van heren en knechten wordt vervangen door de macht van burgers in een burgercultuur met rechten, vrijheden en bezit (een consument moet een gekocht product wel kunnen bezitten) en rijkdom verkregen door middel van handel en arbeid. Deze ontwikkeling kon niet ontstaan zonder de (natuur)wetenschap en technologische vooruitgang. De wetenschap en de technologie maakte het mogelijk dat er meer, goedkoper, efficiënter en sneller geproduceerd en daarmee geconsumeerd kon worden.
Deze breuk met het verleden is, volgens Karl Marx, problematisch. Met de toenemende productiekracht kregen steeds meer burgers ook steeds meer privébezit. Marx analyseert vervolgens het concept van privébezit. Wanneer iemand iets bezit voor eigen gebruik, dan kan dat product niet door iemand anders worden geconsumeerd. Sommige producten zijn noodzakelijk voor het leven, maar wanneer deze producten opeens eigendom zijn van iemand, dan is het niet meer vanzelfsprekend dat deze noodzakelijkheden beschikbaar zijn. Deze moeten dan, soms tegen extreme prijzen, gekocht worden. Deze “modernisering van eigendomsverhoudingen” (p. 147) zorgt ervoor dat iemand die in de winter bomen nodig heeft om het huis op te warmen, daarvoor niet meer naar het bos kan gaan wat plotseling in het bezit is van iemand anders. Een boom kappen in een bos dat van iemand anders is, wordt vanaf dat moment stelen genoemd. In deze tijd kunnen we denken aan de privatisering van water. Water als geen vanzelfsprekend recht, maar iets wat gekocht moet worden.
Marx benadrukt wat aan het einde van de uitwerking van het vorige kerndoel al werd aangestipt. De feodale verhouding van de Heer en de knecht, de meester en de slaaf, maakt in de moderne tijd, als gevolg van de modernisering van de eigendomsverhoudingen, plaats voor een nieuwe verhouding van de heer tot de slaaf: de (rijke) bourgeoisie (met veel bezit) en de arbeiders die alleen maar kinderen (proles) hebben: het verpauperde proletariaat. Veel economen en filosofen herlezen Karl Marx in het licht van de nadelen van het kapitalisme zoals Marx al had voorzien. De rijkste 1% in de wereld bezit 48% van het totale kapitaal. Marx voorzag in de late 18de eeuw dat Adam Smiths idee van concurrentie als aanjager van innovatie uiteindelijk een “race to the bottom” (p. 148) was. Het proletariaat was afhankelijk van de rijke producenten en producenten konden aan de deuren van hun fabrieken mensen met elkaar laten concurreren voor een zo laag mogelijk inkomen zonder sociale voorzieningen vanuit de overheid. In deze tijd spreekt Paul de Beer in het WRR Rapport “Nederland loopt vast in flex” (p. 299) ook over een race to the bottom: “We dreigen in Nederland in een race to the bottom te verzanden. Een land dat het naar mijn idee uiteindelijk moet hebben van kwaliteit en hoogwaardige productie lijkt zich onbedoeld in een positie te wringen waarin we op loonkosten gaan concurreren.”
Juridisch waren burgers vrij en gelijk volgens de wet (met dank aan John Locke), maar sociaal en economisch ontstond er een nieuwe meester-slaaf verhouding. Marx benadrukt dat het proletariaat, de slaven de positie van de meesters mogelijk maakt. Marx werkte dan ook een filosofie uit van de bevrijding van het proletariaat van de kapitalistische machtsstructuren die de bourgeoisie op het voetstuk hielden! Hier ziet Marx iets wat Aristoteles reeds al benadrukt had met het concept chrematistiek: de geldvermeerderingskunst. Wanneer geld niet slechts een ruilmiddel is, maar een doel op zich, dan gaan mensen proberen zo efficiënt mogelijk proberen geld te verdienen. Waren (goederen) wordt niet omgezet in geld om nieuw waren te kopen (WGW) om in de zorg voor de huishouding (oikonomos zoals de oude Grieken zouden zeggen), maar geld wordt omgezet in waar om meer geld te maken (GWG). Zie ook pagina 149. Dit wordt winstmaximalisatie genoemd. En dan komt de vraag naar boven op welke kostenposten bezuinigd kan worden. De logische kostenposten die dan naar boven komen zijn: loonkosten, arbeid(sproductiviteit) en arbeidsomstandigheden. Door steeds betere technieken, kan de mens steeds efficiënter geëxploiteerd worden door het kapitaal. Dit soort voor verpaupering (Verelendung) van de burgerij. (Op een meer algemeen niveau heeft de Italiaan Pareto dit mechanisme ooit eens uitgewerkt: het Pareto principe. Dit principe stelt dat achteraf bekeken een minderheid (hij spreekt over 20%) zorgt voor (80%) de meerwaarde. Dus 20% zorgt voor 80% van de winsten. 20% van de pagina’s in een boek vertelt 80% van het verhaal. 20% van de bevolking maximaliseert winst ten koste van de 80%.)
Denk hierbij aan bijvoorbeeld een leerlingvolgsysteem (techniek) zoals Magister. Deze techniek maakt het mogelijk om leerlingen zo efficiënt mogelijk in systemen te vatten.
(denk hierbij nog eens aan kerndoel 27 (en de analyse van Marx t.a.v. Smith): De kandidaten kunnen uitleggen dat het volgens Smith de taak van de overheid is om de negatieve gevolgen van de arbeidsdeling te voorkomen. Daarbij kunnen zij weergeven wat volgens Smith de negatieve gevolgen van arbeidsdeling zijn en wat in dit verband de functie van onderwijs is). De leraar kan zijn informatie steeds efficiënter ordenen. Zonder deze techniek zou dit niet zo efficiënt mogelijk zijn. Naast de vraag aan leraren om het systeem in te vullen, worden leraren steeds efficiënter ingezet door bijvoorbeeld een lesuur van 50 minuten te reduceren tot 45 minuten. De voorbereiding per les en de lesstof per les blijft veelal hetzelfde, maar leraren worden wel minder betaald omdat ze slechts 45 in plaats van 50 minuten lesgeven. De overgebleven tijd kan efficiënter worden ingezet door leraren als coaches in te zetten. Daarnaast kunnen ook onderwijsassistenten worden ingezet om dure leraren te vervangen tijdens practica. Of er kunnen online onderwijscursussen (zogenaamde MOOC’s) worden ontwikkeld om leraren te vervangen. Zo worden de loonkosten verlaagd. Voordat leraren het weten, worden ze efficiënte schakels in de lopende band van de schoolfabriek en zonder (zelf)inzicht wordt dit nauwelijks nog als probleem gezien totdat leraren helemaal vervangen kunnen worden door technologie (al geven velen aan dat juist het beroep van leraar in de toekomst niet vervangen kan worden door technologie).
Tenslotte voorzag Marx de ineenstorting van het kapitalisme en de vrije markt. Een pure vrije markt zonder sociale voorzieningen en toenemende uitbuiting van het proletariaat zou ervoor zorgen dat het proletariaat bewust wordt van het gegeven dat de bourgeoisie niet zonder het proletariaat kan. De revolutie zou bestaan uit de omverwerping van de bourgeoisie door het proletariaat. In de Sovjetunie heeft dit in 1918 geleid tot een bloedig conflict tussen de Russische Tsaren en het proletariaat, waarbij de Tsaren het onderspit dolven en veelal werden vermoord en het communisme, geïnspireerd door Marx, kon ontstaan. Het communisme ging uit van het idee dat er alleen gemeenschappelijk eigendom (eigendom van de commune) was. Deze politieke uitwerking van het denken van Marx heeft desastreus uitgepakt met miljoenen doden en uiteindelijk de ondergang van het communisme in de Sovjetunie in 1991. Echter, de Sovjet-interpretatie en vertaling van het denken van Marx (Marxisme) doet geen recht aan de zeggingskracht van de filosofie van Marx. De moderne tijd kan nog steeds begrepen worden vanuit het denken van Marx.
Het communisme/Leninisme en Stalinisme als politieke interpretatie van de economiefilosofie van Karl Marx heeft (net als de neoliberalen met Adam Smith) het denken van Marx veel geweld aangedaan.

Primaire tekst (6): Karl Marx –Kritiek op de politieke economie
28. De kandidaten kunnen uitleggen, toepassen en beoordelen dat volgens Marx de ontwikkeling van de productieverhoudingen onvermijdelijk tot een sociale revolutie leidt en dat de sociaal-economische positie van mensen bepalend is voor hun bewustzijn. 

Marx schrijft: “Het is niet het bewustzijn van mensen dat hun zijn, maar omgekeerd hun maatschappelijke zijn dat hun bewustzijn bepaalt” (p. 385). Hier staat dat mensen zich niet bewust worden van hun situatie, maar dat de situatie mensen bewust maakt. De situatie waarin mensen zitten bestaat uit “materiële productiekrachten”, oftewel: de kracht in de maatschappij bestaat uit burgers die (iets) produceren en consumeren. Deze krachten ontwikkelen zich door. Hard werkende producenten verdienen veel geld en kunnen veel consumeren. Marx schrijft: “Als hun ontwikkeling een bepaald stadium heeft bereikt, raken de materiële productiekrachten van de maatschappij in tegenspraak met de bestaande productieverhoudingen” (p. 385). Marx benadrukt de eigendomsverhoudingen, die op een bepaald moment scheef gaan lopen. Producenten produceren en consumenten consumeren, maar op een gegeven moment hebben bepaalde burgers zoveel meer eigendom dan andere burgers, dat deze rijke burgers macht krijgen over de armere burgers. Oftewel: de eigendomsverhoudingen lopen scheef en armere mensen worden uitgebuit in dienst van de rijkere mensen die macht kunnen uitoefenen. De rijkere mensen zullen er dan ook alles aan doen om ervoor te zorgen dat de armere mensen afhankelijk van ze blijven door de productiekracht en productieverhoudingen te manipuleren. Hierdoor ontstaat er volgens Marx een “reusachtige bovenbouw” (p. 385) van kapitalisten (rijke mensen). Hoe schever de eigendomsverhoudingen (hoe groter het verschil tussen (het bezit van) arm en rijk), hoe sneller de “omwenteling” plaats zal gaan vinden. De omverwerping van de reusachtige bovenbouw, de bourgeoisie, de elite. De revolutie!

Primaire tekst (7): Karl Marx / Friedrich Engels – Het communistisch  manifest 
29. De kandidaten kunnen de opvatting van Marx en Engels over de onvermijdelijke overwinning van het proletariaat op de bourgeoisie weergeven en evalueren. Daarbij kunnen zij uitleggen welke rol loonarbeid, kapitaal, productie- en verkeersmiddelen in de klassenstrijd spelen.

De bourgeoisie heeft de burgerlijke klasse mogelijk gemaakt en daarmee afgerekend met de feodale maatschappij door “de familieverhouding haar roerend sentimentele sluier afgerukt en haar tot een zuivere geldverhouding teruggebracht” (p. 389). De feodale maatschappij draaide nog om familieverhoudingen. Waar je bed stond, bepaalde jouw toekomst. Maar de bourgeoisie zette niet het bed, maar geld (kapitaal) centraal en maakte daarmee de burgerij (bourgeoisie) mogelijk! De wereld verandert, niets staat meer vast en alle mensen worden gedwongen hun plaats in het leven (als heer of slaaf) te accepteren, maar met “nuchtere ogen te aanzien”. Vanaf dit moment zijn mensen geen meesters en slaven meer, maar verantwoordelijke en vrije individuen. Dat kan ook zwaar zijn. Opeens word je niet meer bepaald door de plek waar je bent geboren, maar door wat je produceert. Een deel van de oude Aristocratie gaat over in de bourgeoisie. De bourgeoisie wordt vervolgens de machtigste groep in de samenleving. Op een gegeven moment ontstaan er twee groepen binnen de bourgeoisie: de rijken (elite) en de armen (proletariaat).

Echter, de eigendomsverhoudingen gaan op een gegeven moment scheef lopen (zie eindterm 28), waardoor er een georganiseerde armere en rijkere klasse ontstaat en bij groter wordende verschillen een klassenstrijd ontstaat. Marx benadrukt de afhankelijkheid van de rijke bourgeoisie (elite) van het proletariaat (de armen / onderklasse / de arme bourgeoisie). De proletariërs zullen zich steeds weer en beter organiseren en “erkenning” en “arbeidersbelangen” afdwingen in de vorm van wetten (beperken vanuit de staat). Marx spreekt over de bourgeoisie die voortdurend strijd tegen enerzijds de oude aristocratie en het nieuwe proletariaat (een afsplitsing van de bourgeoisie). De elite (rijke bourgeoisie) heeft het proletariaat nodig in de strijd met andere landen en de nog bestaande aristocratie. Het proletariaat, “de middenstand, de kleine industrie” (p. 393), bestrijdt de bourgeoisie (de elite) om de ondergang te voorkomen. Dit noemt Marx de het proletariaat die reactionair en niet revolutionair is. Revolutionairen “verdedigen (…) niet hun tegenwoordige, maar hun toekomstige belangen” (p. 393). Marx en Engels eindigen het manifest niet voor niets met de woorden: “Proletariërs aller landen, verenigt U!” (p. 394).
Marx en Engels benadrukken het idee dat de bourgeoisie die het proletariaat probeert te onderdrukken, wel een proletariaat nodig heeft om te onderdrukken. Om een proletariaat te kunnen onderdrukken “moeten haar levensvoorwaarden verzekerd zijn, waarbinnen zijn tenminste haar slaafse bestaan kan rekken” (p. 393). Om slaven te kunnen hebben, moet de bourgeoisie ervoor zorgen dat slaven verzekerd zijn van de juiste omstandigheden. Wanneer de slaaf “steeds dieper onder de levensvoorwaarden van zijn eigen klasse” zinkt, dan blijkt dat de bourgeoisie niet machtig genoeg is om de slaven te onderhouden. De bourgeoisie kan alleen bestaan wanneer ze steeds meer rijkdom en bezit en daarmee het kapitaal vermeerdert. Een van de voorwaarde voor kapitaalvermeerdering is (goedkope) loonarbeid (verricht door het uitgebuite, concurrerende proletariaat). Het proletariaat is daarmee essentieel. De ondergang (door misbruik van de bourgeoisie) en de daarop volgende zege van het proletariaat (als grootste macht en een afhankelijke bourgeoisie) is onvermijdelijk.

https://www.theguardian.com/books/2019/feb/05/karl-marx-london-grave-vandalised-suspected-hammer-attack-highgate-cemetery

In de 20ste eeuw ontstaan er twee overheersende politieke systemen. Enerzijds het kapitalisme in het Westen, waarbij de vrije markt bepaalt hoe rijkdom en producten worden verdeeld. Anderzijds het communisme in het Oosten, waarbij de staat het volk vertegenwoordigt en rijkdom en producten verdeelt over het volk. Beide systemen vertrekken vanuit de vraag naar de verdeling van spullen.
In het begin van de 21ste eeuw zien we bij rechtse politici in Nederland de opkomst van het begrip cultuurmarxisme. Cultuurmarxisme gaat “om het gebruik van typisch marxistische denkschema’s over onderdrukking en slachtofferschap in andere domeinen dan het economische (waarvoor Marx ze oorspronkelijk bedoelde. (…)Over welke denkschema gaat het dan? Dat waarbij je een complexe maatschappelijke werkelijkheid herleidt tot een waarin twee groepen lijnrecht tegenover elkaar staan: aan de ene kant de onderdrukkers, aan de andere kant de onderdrukten, en daartussen een groot niemandsland. Het voornaamste verschil? Bij Marx ging het over productieverhoudingen, vandaag gaat het over etnische, culturele en seksuele onderdrukking. Bij Marx waren de verschoppelingen der aarde de fabrieksarbeiders, bij het ‘cultuurmarxisme’ gaat het om een regenboogcoalitie van onderdrukte minderheden“. De tegenstanders van het cultuurmarxisme refereren naar de opstand/revolutie van onderdrukte minderheden/onderdrukten als gevolg van homohaat en Islamhaat, , vrouwen door de onderdrukkers (homohaters, Moslimhaters, Witte Mannen, Mannen). De onderdrukten zijn in de minderheid maar zouden via media en indoctrinatie de meerderheid een bepaalde richting op willen duwen (een culturele revolutie). Deze rechtse politici zijn tegen de onderdrukking van de “onderdrukte” minderheid van de “onderdrukkende” meerderheid.
Weer anderen, zoals Ewald Engelen in zijn boek “Het is klasse suffie, niet identiteit!” en aansluitende lezingen, benadrukken het klassieke, materiële verdelingsvraagstuk van Marx in deze tijd. Volgens deze groep, leidt identiteitspolitiek en daarmee ook de strijd tussen onderdrukte identiteiten/groeperingen en de niet onderdrukte identiteiten (Cultuurmarxisme) af van het klassieke probleem van de klassenstrijd.

HGL – Week 7

Hoofdstuk 6 De moderniteit en de vrije markteconomie: het goede leven op een vulkanische breuklijn (6.2 t/m 6.5) 

De vier aspecten van de moderniteit zijn individualisering, rationalisering, technologisering en institutionalisering (p. 137). Hoofdstuk 5 behoort niet tot het eindexamen, maar is mijns inziens wel een noodzakelijke brug naar een helder begrip van deze vier aspecten van de moderniteit. Vandaar dat hier het een en ander wordt verhelderd vanuit een aantal relevante techniekfilosofen.

In de Vraag naar de Techniek (klik hier voor een cursus techniekfilosofie) en in zijn Nietzsche colleges, volume 4, bespreekt Martin Heidegger de filosoof Rene Descartes. Rene Descartes is bekend om zijn befaamde uitspraak: “Cogito Ergo Sum”: Ik denk dus ik ben. Decartes’ twijfelexperiment (zie ook: https://filosofie.gruijthuijzen.nl/category/scepticisme-hoofdstuk-1-ppt/) leidt uiteindelijk tot de opvatting dat de mens zeker kan zijn van 1 ding en dat is dat hij twijfelt (rationaliteit). Daarmee legt Descartes het enige dat zeker is, bij het individu (subject). Het twijfelde individu (subject) staat daarmee tegenover de buitenwereld (object). Het subject (binnenwereld) twijfelt over het object (buitenwereld). Deze subjectivering (t.o.v. de objectivering van de buitenwereld) staat aan de basis van het moderne denken en is in wezen religieus getint. Descartes gaat ervan uit dat God perfect is en dat een perfecte God alleen een perfecte wereld kan maken. Tevens hebben mensen een idee van God, terwijl God niet tastbaar is als object. God is een zuiver (subjectief) idee/ervaring. De perfecte buitenwereld is volgens Descartes (als object) te vatten in wetmatigheden. De buitenwereld als object is (wetenschappelijk) in kaart te brengen. Het is als een kloppende Matrix. Logica, rationaliteit, wetenschap zijn essentieel om de techniek van de Matrix en al haar natuurkunde wetten te begrijpen.
Volgens Heidegger creëert Descartes hier een metafysica, een beeld van de wereld/een manier van kijken naar de wereld (object) door het subject, dat op een specifieke manier is geframed. Het frame (das Ge-stell, noemt Heidegger dit) kenmerkt zich door een manier van kijken van de wereld als een logische, technische “Matrix”, dat als object door het twijfelende Subject onderzocht moet worden.
Zie hier het ontstaan van het frame (Ge-stell) van de moderniteit dat een wereldbeeld opbouwt op basis van individualisering (subjectivering), rationalisering (twijfel, met natuurlijk een training om logisch en systematisch te leren twijfelen, denk hierbij ook aan zoiets als leerdoel-denken) van de buitenwereld (object), dat als ware een Matrix werkt volgens technische regels (hierbij moet techniek begrepen worden als een systeem met logische oorzaak-gevolg relaties. Vanaf nu is alles te begrijpen in termen van: als X, dan Y. Dit wordt bedoeld met technologisering. Niet zozeer dat er meer techniekjes worden gemaakt. Iedere keer wanneer je denkt: “Als ik dit doe, dan dat”, ben je technisch aan het denken). Dit Cartesiaanse Totaalsysteem bestaat uit schakels en de mens is in dit Totaalsysteem een van de vele bestuurbare schakeltjes. De mens wordt een schakel, een knooppunt. Heidegger benadrukt dat een mens als schakel (denk maar aan een leerlingnummer of een BSN-nummer of zelfs een nummer als Jood in een concentratiekamp) in een systeem, iets wezenlijks verliest en dat is poëzie. De mens gaat de wereld als systeem steeds verder in kaart brengen. Het mystieke verdwijnt. Alles wordt gedefinieerd. Mensen gaan vervolgens ook systemen zoals instituten bouwen om het samenleven in de “Matrix” te systematiseren en te controleren. Mensen worden in het Totaalsysteem ook een schakel (Heidegger noemt alle schakels inclusief mensen “Bestanden”. In het Ge-stell zijn alle bestanden geordend). Een dergelijke institutionalisering en bureaucratisering kan volledig aan de mens voorbij gaan. De mens is geen mens meer, maar slechts een instrument in dienst van het systeem. Voor diegenen geïnteresseerd in een mooi boek voor het vak Duits en in deze thematiek, lees eens: https://nl.wikipedia.org/wiki/Het_proces van Franz Kafka over een man die wordt aangeklaagd, maar niemand inclusief hijzelf weet waarom. Maar denk ook aan de financiële crisis uit 2008, waarbij heel veel mensen hun huizen verloren, terwijl niemand precies weet hoe dat komt en talloze “intelligente” machines keuzes maakten die niemand nog kon vatten ( https://qz.com/1151664/ai-does-not-have-enough-experience-to-handle-the-next-market-crash/ & https://www.newscientist.com/article/2166207-discriminating-algorithms-5-times-ai-showed-prejudice/).
Zie hier Heideggers uitleg als basis voor de moderniteit en haar nadruk op (het frame / das Ge-stell van) individualisering, rationalisering, institutionalisering (bureaucratisering) en technologisering.
Filmtip: I, Daniël Blake en het fragment Vrijgeleide a38 uit Asterix & Obelix. Deze twee films maken duidelijk hoe Kafkaesque zorgsystemen dermate onmenselijk en technisch kunnen zijn, dan niemand de natuur van de procedures kan vatten, maar wel gefrustreerd wordt door procedures en bureaucratie. Daniël Blake, Asterix en Obelix worden beide geconfronteerd met een web van obstakels dat zo chaotisch is, waar niemand meer uitkomt.

Bekijk ook eens:

En de kritiek van Thierry Baudet op het onderwijs. Een kritiek waar veel elementen van uit het boek HGL in terugkomen. Een kritiek, die in termen van causaliteit en logisch gevolg, een verband legt met immigratie en klimaat die niet helemaal helder wordt uitgewerkt. Los daarvan, biedt Baudets kritiek inzicht in hoe tegen moderniteit en verlichting aangekeken kan worden, waarbij Baudet het huis (oikos) benadrukt en daarmee de oikonomos lijkt te willen beschermen tegen iets wat hij oikofobie noemt.

21. De kandidaten kunnen uitleggen dat volgens Smith welvaart voor een ieder komt door arbeid, arbeidsdeling en vrije markt. Daarbij kunnen ze: – Smiths opvatting van een markt betrekken en aangeven welke vooronderstellingen hierbij in het geding zijn; – weergeven welke ‘dehumaniserende effecten’ er volgens Smith bij een vergaande arbeidsdeling zullen optreden. 

Adam Smith wordt door veel economen gezien als de Godfather van de moderne, vrijemarkteconomie en het liberalisme en daarmee een van de grondleggers van wat later door economen/neoliberalen (de nieuwe liberalen) als Milton Friedman en Friedrich Hayek verder wordt uitgewerkt in de Washington Consensus. De neoliberalen (geïnspireerd door Heyek en Friedman) benadrukken omwille van de vrijheid (het neoliberalisme) tien punten:
1. De staat moet zich houden aan begrotingsdiscipline,
2. De staat moet niks subsidiëren maar alleen investeren,
3. Een marginaal (minimaal) belastingtarief,
4. De vrije markt bepaalt rentetarieven
5. In de vrije markt zijn er concurrerende valutakoersen (valuta is een muntsoort zoals de Euro, Dollar en Pond).
6. Zo min mogelijk bescherming en bemoeienis vanuit de overheid/staat,
7. Buitenlandse landen moeten zo makkelijk mogelijk in elkaars landen kunnen investerne,
8. Staatsbedrijven moeten worden geprivatiseerd,
9. De staat moet concurrentie stimuleren en niet beperken (behalve om veiligheids- of milieuredenen),
10. Bescherming van eigendom

(Punt 10 kunnen we terugherleiden naar John Locke)

De kern is grotendeels dat de staat/overheid de mensen (lees: vrije markt) zo vrij mogelijk moet laten (voornamelijk veiligheid garanderen) en zo min mogelijk met mensen en bedrijven moet bemoeien. Dit betekent dus ook geen restricties en extra regels. In de jaren 80 sprak de toenmalige president Ronald Reagan niet zelden in hele neerbuigende termen over de overheid. Een overheid waar hij zelf van aan het hoofd stond. Zijn positie was helder. De overheid/staat moest voor veiligheid zorgen, maar de rest moet je aan mensen overlaten tot aan zorg en kraanwater, etc. toe. Voor de economen onder ons: het Pareto efficient maakt duidelijk dat in een geheel vrije markt met volledig rationeel denkende producenten en consumenten zonder onbekende factoren die na verloop van tijd de uitkomst kunnen beïnvloeden, de consumenten uiteindelijk de beste prijs krijgen van de door de producent zo perfect en efficiënt mogelijk geproduceerde goederen. Dit wordt het Pareto efficient genoemd: https://www.economielokaal.nl/pareto/#targetText=Pareto%2Doptimaal%20of%20Pareto%2Deffici%C3%ABnt%20en%20welvaartsverlies,koste%20gaat%20van%20de%20ander. Wanneer de overheid de markt gaat sturen, dan gaat dat ten kosten van de consument of producent en ten koste van de welvaart. Althans, zo luidt de theorie.


Enkele quotes: “If more government is the answer, then it was a really stupid question.”
“Government exists to protect us from each other. Where government has gone beyond its limits is in deciding to protect us from ourselves.”
“As government expands, liberty contracts.”
“The most terrifying words in the English language are: I’m from the government and I’m here to help.” 
“Government’s view of the economy could be summed up in a few short phrases: If it moves, tax it. If it keeps moving, regulate it. And if it stops moving, subsidize it.” 
“Government is not a solution to our problem government is the problem.” 

Lees ook eens de reactie/kritiek op deze neoliberale opvatting door nobelprijswinnaar Paul Romer (econoom) in http://A Nobel-Winning Economist Goes to Burning Man. En houdt daarbij de bekende uitspraak van Goethe in het achterhoofd: “In de beperking toont zich de meester”. Wellicht moeten mensen wel een beperkende staat bouwen, die werkt aan de onderliggende structuur (zoals urban planning en concrete grenzen bij het festival Burning Man), om meesterschap, contact, creativiteit te kunnen tonen. Is een geheel vrije markt wel wenselijk (en überhaupt mogelijk)?

De strekking is duidelijk. De opkomst van het neoliberalisme bouwt voort op het liberalisme van Adam Smith. Althans, dat stellen de nieuwe liberalen vanaf de jaren 70. De vraag is en blijft of de neoliberalen werkelijk voortbouwen op het liberalisme van Adam Smith. Er zijn argumenten te geven waaruit blijkt dat dit niet het geval is. Echter, Adam Smith (p. 139) wordt ten onrechte door veel economen gereduceerd tot twee kerngedachtes: 1. Een vrije markt kan alleen werken als iedereen vooral handelt uit eigenbelang en 2. Het idee van de onzichtbare hand die het land vooruit stuurt. Deze twee gedachten verdraaien juist de kern van de filosofie van Adam Smith.
Waar staan deze twee gedachtes voor.
1.Greed is good, oftewel eigenbelang en hebzucht is goed! Dit sluit aan bij de kerngedachte van de politiek-filosoof Thomas Hobbes (p. 139). Hobbes vertrekt vanuit het gegeven dat de mens hebzuchtig is en dat de staat noodzakelijk is om deze hebzuchtige (slechte) mens de controleren. Maar Hobbes noemt deze staat/instituten wel een “Leviathan”. De Leviathan is een meerkoppig monster, niet echt positief. Een noodzakelijk kwaad. Bekijk onderaan deze pagina het befaamde fragment uit de film Wallstreet (1987), waarin (Gordon Gekko) Michael Douglas deze befaamde woorden uitspreek. Gekko stelt dat de zwakkeren in de samenleving niet zorgen voor meer geld. Hebzucht “captures the essence of the evolutionary spirit”. Hebzucht zorgt ervoor dat mensen het beste in zichzelf halen ten koste van anderen (concurrentie).
2. De onzichtbare hand is het gevolg van alle concurrerende hebzuchtige mensen die ten koste van anderen, zichzelf vooruit willen stuwen. Wanneer iedereen vecht voor zichzelf, dan haalt iedereen het beste uit zichzelf en worden de beste producten gemaakt voor de beste prijzen, wordt er veel geld verdiend en daar heeft iedereen, inclusief de armen, profijt van. Dit is de kern van de moderne interpretatie van onzichtbare hand en het fundament onder de gedachte van een kleine staat en een vrije markt met hebzuchtige mensen. (Adam Smith spreekt slechts 1x in Wealth of the Nations over de onzichtbare hand. Veel neoliberalen hebben de onzichtbare hand vrij selectief gebruikt als het fundament van hun concurrentiedenken).

De ontwikkelingen in onze moderne tijd, en met name de Angelsaksische wereld (Verenigde Staten en Verenigd Koninkrijk) kunnen niet begrepen worden zonder deze twee belangrijke punten en de visie op de (inbreng van de) staat/overheid in het dagelijkse leven. Nederland is altijd sterk verbonden geweest met het Angelsaksische denken, maar heeft ook een sterke binding met Frankrijk en Duitsland. Daarnaast is het Angelsaksische denken, en het idee van Greed is Good, te begrijpen vanuit het protestantisme. Het individuele succes is het gevolg van jouw individuele verhouding tot God. Het individuele succes is je door God gegeven. Je hebt het niet voor niets verdient. En wie zijn wij om te tornen aan wat het perfecte, God, ons heeft gegeven.

Adam Smith heeft echter nooit gezegd dat de staat een meerkoppig monster is dat niks goed kan doen. Sterker nog! Adam Smith achtte zijn boek “Wealth of the Nations“, wat als zodanig als de bijbel van het vrijemarktdenken wordt gezien, veel minder belangrijk dan zijn boek “Theory of Moral Sentiments”. Adam Smith vond zijn boek “Theory of Moral Sentiments” van veel grotere waarde dan het boek “Wealth of the Nations”. In “Theory of Moral Sentiments” is het centrale thema sympathie. Smith benadrukt de noodzakelijke sympathie. Een geheel vrije markt kan immers nooit bestaan zonder sympathie en de begrenzing van de vrije markt door de staat en daarmee bescherming van de burgers van de kwade bijeffecten van de vrije markt. Begrenzing door de politiek en daarmee de politici is juist noodzakelijk. Later zal blijken dat “Greed” niet zozeer “goed” is, maar dat het eigenbelang van de ander altijd belang is voor de producent (lees ook p. 374). Het is in het belang van de producent om inzicht te krijgen in het eigenbelang van consumenten.

De kandidaten kunnen uitleggen dat volgens Smith welvaart voor een ieder komt door arbeid, arbeidsdeling en vrije markt.
Adam Smith ziet arbeid als het “anti-aristocratische middel bij uitstek” (p. 141). Door middel van arbeid kan iedereen worden opgenomen in “de keten van welvaartscreatie” (p 141). De gewone man, de middenklasse, is niet meer afhankelijk van liefdadigheid (caritas), maar kan zich bevrijden van de aristocratie door te werken en geld te verdienen en in het eigen onderhoud te voorzien.
De kern van Smiths denken wordt gevat in zijn voorbeeld van de speldenmaker (paragraaf 3 – Division of Labour / Wealth of the Nations – klik op de tekst voor meer info):

“To take an example, therefore, from a very trifling manufacture; but one in which the division of labour has been very often taken notice of, the trade of the pin-maker; a workman not educated to this business (which the division of labour has rendered a distinct trade), nor acquainted with the use of the machinery employed in it (to the invention of which the same division of labour has probably given occasion), could scarce, perhaps, with his utmost industry, make one pin in a day, and certainly could not make twenty. But in the way in which this business is now carried on, not only the whole work is a peculiar trade, but it is divided into a number of branches, of which the greater part are likewise peculiar trades. One man draws out the wire, another straights it, a third cuts it, a fourth points it, a fifth grinds it at the top for receiving, the head; to make the head requires two or three distinct operations; to put it on is a peculiar business, to whiten the pins is another; it is even a trade by itself to put them into the paper; and the important business of making a pin is, in this manner, divided into about eighteen distinct operations, which, in some manufactories, are all performed by distinct hands, though in others the same man will sometimes perform two or three of them. I have seen a small manufactory of this kind where ten men only were employed, and where some of them consequently performed two or three distinct operations. But though they were very poor, and therefore but indifferently accommodated with the necessary machinery, they could, when they exerted themselves, make among them about twelve pounds of pins in a day. There are in a pound upwards of four thousand pins of a middling size. Those ten persons, therefore, could make among them upwards of forty-eight thousand pins in a day. Each person, therefore, making a tenth part of forty-eight thousand pins, might be considered as making four thousand eight hundred pins in a day. But if they had all wrought separately and independently, and without any of them having been educated to this peculiar business, they certainly could not each of them have made twenty, perhaps not one pin in a day; that is, certainly, not the two hundred and fortieth, perhaps not the four thousand eight hundredth part of what they are at present capable of performing, in consequence of a proper division and combination of their different operations.”

Het technische aspect van de speldenmaker (Pin-maker) zit in de wijze hoe tijdens het productieproces van spelden tien arbeiders ingezet kunnen worden. Alle arbeiders kunnen afzonderlijk spelden gaan maken of arbeiders specialiseren zich in een bepaald onderdeel van het totale proces van spelden maken. (Lees in dit kader ook eens “https://decorrespondent.nl/10472/deze-voetbalclub-is-de-nachtmerrie-van-iedere-competitieve-ouder/924763103880-394a6071?fbclid=IwAR221LqqfeIKINtW1gkpriudcBfp2_ocR7uN3BE02aN1qH7bIG-ynGdio20“). Wanneer de, in dit geval 10, arbeiders ieder een specialisme uitwerken en dit specialisme repeteren, dan worden de afzonderlijke arbeiders niet alleen beter in hun werkzaamheden, maar gaat het totale productie proces aanzienlijk sneller (lees ook alinea 2, blz 142 – HGL, waar wordt gesproken over “kleine, efficiënt georganiseerde stappen”). De arbeiders worden zo efficiënt ingezet in het totale proces van de speldenmakerij. Hun arbeid wordt verdeeld in stappen: arbeidsdeling. Het zoeken naar efficiëntie en het aan de lopende band van de productie zetten van mensen is in wezen een technische aangelegenheid. Adam Smith benadrukt drie verschillende omstandigheden die de stijging in de hoeveelheid werkt mogelijk maken: 1. Toename van behendigheid (skills), 2. besparing van tijd en 3. Technologisering en machinebouw.

– Smiths opvatting van een markt betrekken en aangeven welke vooronderstellingen hierbij in het geding zijn; 
(De meeste dik gedrukte woorden (gemeenschap, sympathie, competitie, efficiëntie, afstemming van talenten, samenwerking en sociale cultuur, onzichtbare hand en betrouwbaar) refereren naar de vooronderstellingen die in het geding zijn).

De vrije markt zorgt ervoor dat producenten gaan concurreren met andere producenten en gaan zoeken naar zoveel mogelijk productie met zo weinig mogelijk personeel (efficiëntie). Hier vinden we de contouren/ontwikkeling van de industriële revolutie. De paradox is dat het efficiënt inzetten van mensen zorgt voor efficiënte productie en daarmee goedkopere producten voor iedereen (consumenten). Consumenten willen natuurlijk spullen kunnen consumeren (verbruiken). De producente creëert welvaart en de consument geniet welvaart. Producenten en consumenten helpen elkaar door verschillende dingen (zo efficiënt en daarmee goedkoop mogelijk) te produceren en te consumeren. Adam Smith benadrukt het gemeenschappelijke aspect van deze verhouding tussen producenten en consumenten. Op de manier hoeven mensen niet te bedelen bij elkaar.
Naast het gemeenschappelijke aspect is inlevingsvermogen/sympathie noodzakelijk. Als producent moet je weten wat de consument wil hebben. De “preferenties” (p. 143) moeten duidelijk zijn. Als product richt je je op het eigenbelang van de consument. “Greed is Good” zei Gordon Gekko, maar niet het vertrekpunt van Adam Smith. Het vertrekpunt is het gemeenschappelijke aspect en het inlevingsvermogen in de “greed” van de ander.
Daarnaast benadrukt Smith het thema geld. Omdat verschillende producenten producten ontwikkelen voor verschillende consumenten, is het noodzakelijk om geld te krijgen voor producten. De vrije markt bepaalt hoeveel een product waard is. Wanneer je als producent het product niet kunt produceren voor de prijs waarvoor de consument het product wil komen, dan ben je niet efficiënt genoeg of de consument heeft er geen behoefte aan. Dan zijn andere producenten efficiënter in het produceren en/of produceer je iets waar weinigen op zitten te wachten. Competitie tussen producenten zorgt voor beter, sneller en efficiënter werk op alle vlakken.
Adam Smith poneert hier een geglobaliseerde vrije markt. Denk hierbij aan de moderne vrachtwagenchauffeur die door goedkopere werknemers uit Oost-Europa worden weggeconcurreerd. Of denk aan de efficiënte bio-industrie in Nederland. Nederland kan alleen concurreren met het buitenland door heel efficiënt de boerenbedrijven te houden. Het leven in Nederland is namelijk te duur en velen kunnen niet leven van een inkomen vergelijkbaar met armere landen in de wereld. Dit is ook een van de redenen van het conflict tussen Donald Trump en Xi Jinping. De productiekosten (arbeiders) zijn in China zo goedkoop, dat de bedrijven in Amerika bijvoorbeeld geen Amerikaans staal, maar “cheap steel and aluminium” uit China staal gaan komen. Trump probeert dit te verhelpen door extra accijnzen te heffen op Chinees staal (en daarmee dus de “kwalijke kanten van de vrije markt” in te tomen.
Adam Smith zou wellicht aangeven dat het niet gaan om de individuele rechten en inkomen van Amerikaanse burgers. De vrije markt is er niet (alleen) om mensen te ontplooien, maar om ervoor te zorgen dat talenten worden afgestemd. Diegenen die iets doen waar ze geen talent voor hebben, worden door de vrije markt aan de kant gezet. Deze mensen moeten iets anders gaan doen, waar ze meer talent voor hebben. Diegenen die iets doen waar ze wel talent voor hebben maar waar geen behoefte aan is, worden door de vrije markt ook aan de kant gezet (denk hierbij aan bepaalde kunstvormen waar geen markt/publiek voor is). Deze mensen moeten met hun talenten iets gaan doen waar markt voor is. Wederom vergt dit afstemming, inzicht in belangen van de ander, sympathie en een maatschappelijk perspectief. In de moderne, individualistische samenleving wil men veelal kunnen doen wat men wil, maar in een vrije markt wil dat niet zeggen dat je daarmee je geld kunt verdienen.
Samenwerking is de sociale natuur (p. 144) en stuwt de geschiedenis en geeft richting. Zelfs eigenbelang kan een plek krijgen in deze sociale natuur waarin men samenwerkt. Het richten op het eigenbelang van de ander, zorgt voor meer productie, efficiëntie en consumptie en dit is beter voor iedereen. Zie hier de onzichtbare hand.
Adam Smith benadrukt (p. 144) de betrouwbaarheid van de Nederlanders. Voor betrouwbaarheid heb je een deugdzaam politiek systeem nodig met een rechtsstaat. Denk hierbij aan het politiek liberalisme van John Locke die de rechten van de mensen op de agenda zette. Wanneer een land en bedrijf onbetrouwbaar is en grotendeels de vrije markt niet omarmen (iedere dag kunnen er weer andere regels zijn – denk bijvoorbeeld aan het moderne Rusland (corruptie, institutionele ambiguïteit/half ingevoerde transities/halve maatregelen/verschillende wetgeving/frameworks & systematische voorkeur/informele handel/staatsinvloed – en staatsbedrijven) en China (de staat als autoriteit binnen alle bedrijven in China)), dan lopen bedrijven en landen het risico om hun kapitaal minder snel naar deze landen en bedrijven te verplaatsen In The Guardian stond het artikel Asian Billionaires embark on UK spending spree as pound nosedives”, waarin wordt aangegeven dat veel Aziatische miljardairs gaan investeren in de UK, met name Londen, omdat o.a.: “A lot of people in China want to get their money out, and the UK is seen as one of the best locations because of our strong legal system and protections. Their money will be neutral once it’s in the UK, and safe if the Chinese government changes its policies.”
In deze quote omvat zowel het politiek liberalisme van John Locke (rechsstaat & daarmee regelgeving) als het economisch liberalisme van Adam Smith (vrije markt). UK omarmt de vrije markt (logisch, de UK is samen met NL een van de grondleggers van het vrije markt denken). Chinese miljardairs mogen vrij investeren in de UK, binnen een duidelijk politiek en stabiel systeem van wetten en regels (althans zo is in ieder geval de indruk). Dit geeft zekerheid en stabiliteit en daar houden veel investeerders van. Dit geeft ook een gelijkwaardig speelveld, niet de staat, niet een belangrijk persoon, maar de wet is voor iedereen en voor alle bedrijven gelijk. Het speelveld waarop alle spelers spelen is voor iedereen gelijk: a level playing field!

– weergeven welke ‘dehumaniserende effecten’ er volgens Smith bij een vergaande arbeidsdeling zullen optreden. 
Wanneer mensen efficiënt worden ingezet binnen een volledig productieproces en men gaat dit werk 40 jaar lang aan de lopende band van het productieproces repeteren, dan wordt er geen gebruik gemaakt van de creativiteit en de noodzaak om te creëren. Mensen gaan dan dag-in-dag-uit
geestdodend werk verrichten. Denk bijvoorbeeld aan hokken, waarin jonge mensen (studenten) in rijtjes naast elkaar voortdurend hetzelfde werk verrichten. Denk hierbij aan de arbeider die de hele dag nieuwe banden op auto’s plaatst (en zelf niet het gevoel heeft gebruik te maken van de eigen creativiteit), maar verder niet geïnteresseerd is in het totale productieproces en daarmee zich daardoor ook niet verbonden voelt met de productie en het bedrijf.

27. De kandidaten kunnen uitleggen dat het volgens Smith de taak van de overheid is om de negatieve gevolgen van de arbeidsdeling te voorkomen. Daarbij kunnen zij weergeven wat volgens Smith de negatieve gevolgen van arbeidsdeling zijn en wat in dit verband de functie van onderwijs is.

Adam Smith benadrukt (in tegenstelling tot zijn hedendaagse aanhangers) juist de noodzaak van een staat/overheid die de schaduwkanten van de vrije markt “intoomt en compenseert” (p. 142) met onderwijs (lees ook “Boek V, hoofdstuk 1, ‘Over onderricht’, p. 382 t/m 384) voor alle burgers (jongens en meisjes) die via lezen, schrijven en rekenen de geest kunnen inspireren (functie van onderwijs). Creativiteit en verhalen (lezen en schrijven) lijken voorwaardelijk voor het goede (geestelijke) leven (onderliggende functies/onderdelen van onderwijs). Het volk moet volgens Adam Smith tegen zeer geringe kosten de mogelijkheid krijgen om “de meest essentiële onderdelen van het onderwijs eigen te maken” (p. 384).

Zie hier een grote uitdaging van deze tijd. Commissie van Rijn heeft dit jaar aangegeven extra te bezuinigen op de geesteswetenschappen. Deze gedachte wordt uitgewerkt in het NRC onderwijsblog over de “Afbraak van de geesteswetenschappen sloopt ook onze vrijheid“. Deze afbraak raakt aan het thema van Adam Smith over de schaduwkanten van de vrije markt. Wanneer geld en efficiënte organisatie van het productieproces (techniek) de overhand krijgt en men omwille van de welvaart (denk aan meer BNP) graag meer geld wil investeren in techniek, technische studies en efficiënter personeel in plaats van taal, cultuur en geschiedenis, dan sloopt dit het inzicht in de wereld en het zelfinzicht: de basis van de filosofie – Ken uzelf! en het fundament van een volledig, vrij leven. Een mens zonder inzicht in de wereld en in zichzelf, is mogelijk de nieuwe slaaf van de efficiëntie en de techniek. Deze ontwikkeling zou ervoor kunnen zorgen dat steeds meer mensen, en daarmee ook technisch hoogopgeleide mensen, vooral aan de efficiënte lopende band van de nieuwe technieken (AI, Big-data, algoritmes, nana-technologie, etc.) gaan lopen en de geest niet meer verreiken met taal, literatuur, kunst, geschiedenis en zelfinzicht. Dit ondermijnt uiteindelijk het idee van vrijheid en “vrije tijd” (school betekende oorspronkelijk vrije tijd). De mens die zich vrij kan ontwikkelen, los van de verplichting “iets technisch” te doen om zo aan de nieuwe lopende band van de techniek te gaan staan. Vanuit Adam Smith zouden we kunnen stellen dat op deze manier de grote massa die ooit via de vrije markt en arbeid bevrijd werd van de aristocratie, langzaam weer aan de lopende band van de techniek wordt gehangen. Het is niet ondenkbaar dat deze nieuwe technische mens efficiënt wil leven en minder geïnteresseerd is in politiek, cultuur, regelgeving etc. maar vooral dingen wil doen en ontwikkelen. Hierdoor de staat het risico dat ze haar macht verliest en steeds minder in staat is de “kwalijke kanten van de vrije markt” in te tomen en te compenseren. Hoe meer mensen opgevoed worden aan de lopende band van de techniek, zonder literatuur, taal en geschiedenis, hoe minder vanzelfsprekend het wordt voor de massa om voor literatuur, taal en geschiedenis en daarmee zelfinzicht te strijden.
Een studie geesteswetenschappen en daarmee (zelf)inzicht in dergelijke technische (innerlijke) processen dreigt hierdoor weer een luxe van een mogelijk nieuwe aristocratie te worden. Een luxe voor diegenen die niet aan de lopende band hoeven te staan. Een luxe voor diegenen met “vrije tijd” (oorspronkelijke betekenis van het woord “school” (shkole)). Vrije tijd om zelfinzicht te ontwikkelen. Vrije tijd, vrij van de technische lopende band. Hier vinden we wellicht het verschil tussen technisch intelligente mensen en wijsheid. Voor wijsheid is vrije tijd en zelfinzicht noodzakelijk. Wijsheid is niet per definitie intelligent. Zo dreigen we weer terug bij af te komen. Scholing als vrije tijd voor de kinderen van de Aristocratie zoals dit reeds het geval was bij de oude Grieken.
Zie in dit kader ook de discussie over de (moderne) functies van onderwijs. Enerzijds wordt gesteld dat onderwijs bijdraagt aan het ontwikkelen van vaardigheden en dat bepaalde vaardigheden binnen de ene discipline vertaald kan worden naar een andere discipline. Denk hierbij aan de denkvaardigheden bij schakers. Schaken stimuleert denkvaardigheden en deze komen ook elders van pas. Idem geldt dit voor afgestudeerde filosofen. Maar voor het idee dat mensen op scholen vaardigheden ontwikkelen die in andere disciplines ook van toepassing kunnen zijn, is nooit bewijs gevonden. Schaken is het technischs spel bij uitstek. De regels zijn onveranderlijk en glashelder. Velen verwarren het leven en organisaties met schaakspelletjes met alle gevolgen van dien. De correspondent schrijft over de noodzaak voor meer generalisten in plaats van specialisten. (Wellicht geldt dit ook voor poëzie, muziek, dans, liefde als manieren van een meer generieke waarheidsvinding naast de eenzijdige, instrumentele techniek.)
Een andere (moderne) functie ligt niet zozeer op het ontwikkelen van vaardigheden binnen een discipline, maar op (zelf)disciplinering (van burgers gericht op de toekomstige arbeidsmarkt). Hier draait het om de vraag of iemand de zelfdiscipline heeft om een diploma te halen. Iemand met een diploma geeft een signaal af aan werkgevers op de arbeidsmarkt. Dit signaal is dat hij of zij gedisciplineerd kan werken voor een langere periode. Dit is de kern van het verhaal in de Correspondent: “Is onderwijs weggegooid geld?”.
Zowel de functies ontwikkelen van vaardigheden en (zelf)discipline lijken te vertrekken vanuit het idee dat het uiteindelijk gaat om het verschaffen van een plek in een (burger)maatschappij waarbij het met name draait om het vergaren van inkomen door arbeid. Denk hierbij aan de extra aandacht voor Loopbaanoriëntatie (LOB). De burger en burgerrechten, vertaald in burgerschapsvorming, is een onderdeel van de burgermaatschappij, maar hier lijkt niet (meer) vanzelfsprekend ruimte voor te zijn daar waar de logica van het marktdenken centraal staat. De schrijver Jesse Frederik beantwoordt de vraag of onderwijs weggegooid geld is, door te stellen dat het onderwijs niet (allen) draait om het aansluiten bij de arbeidsmarkt, maar om de zorg voor de samenleving, burgerschap, burgerrechten en uiteindelijk voor elkaar. Deze zorg, en daarmee de democratie, dreigt onder druk te komen te staan door de nadruk op de (arbeids)markt. In week 9 wordt het thema zorg verder uitgediept. Volgens sommigen draait het onderwijs om wat wij Bildung noemen.


Drie kritieken zijn op (moderne neoliberale interpretatie van) Adam Smiths economie-filosofie en economisch rationaliteitsbegrip te geven (p. 145):
1. De verzwakking van de arbeider door a. het terugdringen van overheidsinvloed en daarmee overheidsbescherming en b. het verbieden om als arbeiders te organiseren (denk hierbij aan de Union-strikes uit de jaren 80 in de UK). De vrije markt moest zo min mogelijk worden beperkt door de overheid. De arbeider moest zo min mogelijk worden beperkt door andere arbeiders. Op de vrije markt spelen individuen op elkaar in en zijn ze van elkaar afhankelijk op een natuurlijke wijze en dat moet niet verstoort worden door samenscholing (vakbonden) en overheidsbescherming. Want samenscholing en overheidsbescherming zit de afstemming van talenten in de weg en kan talentloze mensen beschermen terwijl deze mensen beter iets anders zouden kunnen doen. Het is maar zeer de vraag of deze logica van de vrije markt de arbeider ten goede komt.
2. Adam Smith poneert een economische theorie gebouwd op wat toen heel populair was: de (logica van de) natuurwetenschap en haar empirische wetenschappelijke methode/empirische cyclus (n.a.v. het succes van Newton). Iedere serieuze wetenschap, en daarmee ook de economie als wetenschap, moest om serieus genomen te worden de natuurwetenschappelijke methode (empirische cyclus) omarmen. Adam Smith geeft hiertoe een eerste aanzet. Zijn economische economiebegrip gaat uit van een mechanisch, wetmatig systeem van afstemming tussen consumenten en producenten. De producent produceert wat de consument wil consumeren. Of de producent beïnvloedt de consument zodanig dat de consument consumeert wat de producent produceert.
Het is echter maar zeer de vraag of je de economische wetenschap en het vrije markt-denken in een dergelijke wetmatigheid (verhouding tussen producent en consument) kunt vatten. Denk hierbij aan de factor tijd. Een producent voelt aan wat de consument wil hebben, maar veelal kost het tijd om een product te produceren. Wat garandeert de producent dat het geproduceerde product op het moment dat het uitgetekend, ontwikkeld en geproduceerd is, nog steeds voldoet aan de wensen van de consument. De wensen van de consument veranderen ook door de tijd heen. Theoretici/economen/filosofen als Carl Menger trachtte de factor tijd op te lossen door voort te borduren op een verdere rationalisering van de samenleving. Dit hield in dat producenten en consumenten steeds beter op elkaar worden afgestemd. Hoe meer afstemming (waarvoor sympathie en inzicht in elkaar noodzakelijk is), hoe beter producenten en consumenten elkaar gaan begrijpen en hoe minder snel een producent iets zal produceren wat de consument niet wil hebben en hoe meer begrip de consument zal hebben voor de (noodzakelijke) productietijd.
De vraag is of dit rationaliteitsbegrip van de mens als efficiënt afwegende burgers wel altijd opgaat. De filosoof Amartya Sen omschrijft in “Rational Fools” de grenzen aan de menselijke rationaliteit. Herbert Simon geeft in “Bounded Rationality” aan dat de meest intelligente mensen in eenvoudige situaties een rationele/logische keuze kunnen maken tussen drie/vier en in uitzonderlijke gevallen tot zeven verschillende keuzes. Sen benadrukt de mens die handelt op basis van een opvatting van het goede (moraliteit) en Simon benadrukt de grenzen van de logisch afwegende mens. In 2008 zaten we in een economische crisis. Veel mensen hadden slechte hypotheken, maar werden wel verantwoordelijk geacht voor de eigen keuze voor een risicovolle hypotheek te kiezen. Het is maar zeer de vraag of mensen wel in staat waren om dergelijk complexe keuzes te kunnen vatten, zodanig dat ze er verantwoordelijkheid voor kunnen nemen. Vandaar dat de overheid/staat deze schaduwkanten van de vrije markt aan banden heeft gelegd door een zorgplicht in te voeren voor banken. Hierover zijn twee interessante films gemaakt: Margin Call en The Big Short. Wat betreft de verhouding en afstemming tussen producenten en consumenten, is het maar de vraag of ze in staat zijn rationeel alles uit te “rekenen”/uit te “denken”.
3. Veel economen (met name uit de jaren 80 van de vorige eeuw) spraken over de vrije markt als een cultuur/sociale omgeving waarbinnen de alleen de sterksten overleven. Dit is een sociale variant van de evolutietheorie van Charles Darwin (een twintig jaar later geboren na de dood van Adam Smith). Charles Darwin gaf aan dat in de natuur de sterksten overleven (survival of the fittest). Veel moderne economen begrijpen de vrije markt als een sociale (evolutionaire) variant van deze theorie. De sterksten overleven niet alleen in de natuur, maar ook in een vrije markt cultuur. Deze opvatting noemen we sociaal-Darwinisme. Het is wederom maar zeer de vraag of de mens als sociaal-cultureel wezen louter bezig is met overleven als zijnde een hebzuchtig dier tussen andere dieren. Veel mensen zijn in staat om tegen de logica van het sociaal-Darwinisme (de culturele mens zal altijd anderen willen overheersen) in te gaan en als zodanig irrationeel (niet volgens de heersende logica van het neoliberale Sociaal-Darwinisme) te handelen. Soms kiezen mensen voor een manier van handel drijven, waaruit begrip en sympathie voor de ander blijkt. Voor een manier van handel bedrijven die niet meteen efficiënt en winstgevend is. Denk hierbij aan de moderne nadruk op sociaal ondernemerschap. Maar het is wel het sociaal-Darwinisme was er in de jaren 80 voor zorgt dat Thatcher tegen de vakbonden en arbeiders ingaat en Ronald Reagan in de Verenigde Staten neerbuigend spreekt over de overheid waar ambtenaren werken die niet echt veel bijdragen aan de wereld. Reagan en Thatcher en andere neoliberalen hebben een voorliefde voor de ondernemer. Hier vinden we een moderne maar problematische omgang met het denken van liberaal Adam Smith. Adam Smith vertrekt niet vanuit het idee van het sociaal-Darwinisme. Hij vertrekt vanuit het wederzijds afstemming en wederzijds begrip en empathie als noodzakelijke voorwaarde. De neoliberalen (de nieuwe liberalen die zeggen geestverwanten te zijn van de klassieke liberalen zoals Adam Smith) reduceren Smiths theorie veelal tot het idee van hebzuchtige mensen die ten koste van elkaar willen overleven (survival of the fittest) en daarmee zo efficiënt mogelijk zullen denken en handelen. Deze eenzijdige interpretatie van Smith heeft daardoor ten onrechte Smith in een positie gebracht die hij zelf nooit heeft uitgewerkt! Het is dan ook maar zeer de vraag of het liberalisme in een lijn doorgaat in het neoliberalisme!

Primaire tekst (5): Adam Smith –Een onderzoek naar de aard en oorzaken van de rijkdom van naties 
26. De kandidaten kunnen de twee redenen weergeven, uitleggen en toepassen waarom arbeidsdeling volgens Smith een typisch menselijk verschijnsel is. Daarbij kunnen zij Smith’ opvatting uitleggen dat samenwerken volgens het principe van welbegrepen eigenbelang leidt tot vergroting van de welvaart voor alle lagen van de bevolking.

Arbeidsdeling staat aan de basis van de verbetering van het productievermogen (p. 378). Adam Smith benadrukt “de menselijke aard gelegen neiging om te marchanderen, te handelen en het ene ding te ruilen voor het andere.” (p. 379).
1. Mensen rekenen niet op de goedkunstigheid van andere mensen, maar hebben oog voor het eigenbelang van de ander.
2. Mensen rekenen niet op medemenselijkheid, maar op de eigenliefde van de ander.
Mensen hebben het met elkaar niet over eigen behoeften, maar wat in het voordeel is van de ander. Alleen een bedelaar kiest voor afhankelijkheid.

Voor een verdere verdieping ten tijden van de industrialisatie en de opkomst van arbeidsdeling (Fordism is Amerika), biedt deze documentaire (de Strijd – over de opkomst van de arbeider) een makkelijk te volgen inzicht in het verleden: https://www.npostart.nl/de-strijd/02-01-2020/BV_101396400. De vraag die gesteld kan worden is tweeledig: 1. Werd de mens als arbeider een slaaf die het tempo van de machine moest bijhouden? 2. In hoeverre is de mens tegenwoordig een “slaaf” die het tempo van de machine moet bijhouden? Interessante vragen wellicht voor een essay!

Lees ook: https://www.nrc.nl/nieuws/2019/08/29/het-misverstand-van-de-onzichtbare-hand-a3971554?fbclid=IwAR2y-qweJmsfX9yXhNY3LQfXva9BWS_ELQUGZ82r6sP8Yl7w-ERLCEd0OUY

https://www.nrc.nl/nieuws/2019/08/29/het-misverstand-van-de-onzichtbare-hand-a3971554

https://movies123.pro/movie/margin-call/LA3odAlU/5ZCjumul-watch-free.html

https://www.netflix.com/title/80075560

#01: Eigendomsrecht

Eigendom beschermen is de primaire taak van de overheid.
John Locke (1632-1704)

Wat is het?
Een pleidooi voor bezit. Dit is de hoeksteen van de samenleving.

Wat doet het?
Hebzucht, graaigedrag en kleptomanie in de kiem smoren. Van andermans spullen blijf je af.

In hoeverre kunnen we gedwongen worden om een deel van onze inkomsten af te staan? In beginsel zijn inkomstenbelastingen niet te rechtvaardigen. Ze zijn een schending van het eigendomsrecht zoals de Engelse filosoof John Locke dat definieerde. De natuurwet, stelt hij in Two Treatises of Government (1689), leert ‘dat niemand de ander mag schaden in leven, gezondheid, vrijheid en bezit’. Ons bezit verdienen we door ervoor te werken. In de tijd van Locke kwam dit neer op het land bebouwen, terwijl tegenwoordig de meeste mensen in loondienst zijn. Maar het principe blijft hetzelfde, namelijk dat we de zeggenschap hebben over de opbrengst van onze werkzaamheden.

Mensbeeld
Locke maakt een onderscheid tussen mensen die werken en degenen die dat niet doen. Als voorbeeld van de laatste groep haalt hij de indianen aan. Maakten de kolonisten zich schuldig aan landonteigening toen ze in de zeventiende eeuw de oorspronkelijke bewoners van Amerika verdreven? Volgens Locke niet. Het cruciale verschil was namelijk dat de kolonisten het land gingen bewerken. Vlijt is niet zomaar een deugd, maar kleurt het complete mensbeeld van Locke. Arbeid verrichten is namelijk dé manier om onszelf iets toe te eigenen – of dat nu een lapje grond is of een som geld op ons loonstrookje.

Maatschappijbeeld
Het eigendomsrecht stamt uit de tijd dat de samenleving nog niet bestond. Weliswaar waren er nog geen wetten, aldus Locke, maar het natuurrecht was al wel van kracht. Dat ‘is gericht op de vrede en het behoud van de hele mensheid’. Een sleutelrol in het veiligstellen van de openbare orde speelt het eigendomsrecht. Het legt namelijk hebzucht, graaigedrag en kleptomanie aan banden. Als iets aan iemand toebehoort, kunnen anderen daar geen aanspraak meer op maken. Niet op rechtmatige wijze althans. Daarom acht Locke het de primaire taak van de overheid om het eigendom van burgers te beschermen.

(Bron: https://www.filosofie.nl/nl/artikel/30917/15-belangrijke-ideeen-over-economie.html )