HGL – Week 25

70. De kandidaten kunnen uitleggen wat de transformatie-economie inhoudt. Daarbij kunnen zij twee implicaties van de markteconomische spiritualisering weergeven en beoordelen (mythische en religieuze eeuw door commerciële belevingsgerichte bedrijven en, zingeving als vluchtige consumptiecultuur).

De transformatie-economie is een economie waarin de mens de behoeftes wil bevredigen. Het betreft hier een specifiek type behoeftes namelijk belevenissen. De consument wil sensatie(s). Denk hierbij aan reisjes, concerten, avontuur, etc. Een hele vrijetijdssector ontstaat hierdoor. Aan dit menstype: de mens als consument die op zoek is naar sensatie, wordt een nieuwe levensfilosofie bevonden: het streven naar maximale, persoonlijke groei door het telkens weer op zoek gaan naar “toegevoegde waarde” (p. 323) voor jou als mens.
Er ontstaat een vrijetijdsmarkt met mensen die “helpen” gedurende deze persoonlijke ontwikkelingstocht. Denk hierbij aan coaches, psychologen, therapeuten, zelfhulpboeken, website, etc. Dit zijn de nieuwe priesters van de moderne consumptiemaatschappij. Zij bemiddelen de consument gedurende de particuliere, flinterdunne zoektocht naar zin in termen van toegevoegde waarde voor jezelf.
De paradox ontstaat dat in filosofische zin het denken steeds praktischer wordt. Religie wordt steeds vaker vervangen door een steeds meer materiële en nihilistische wetenschapsfilosofische levensbeschouwing, waarbij de geest slechts nog een (manipuleerbaar) mechanisme is. Maar de mens zelf heeft steeds minder behoefte aan materiële zaken zoals eten en drinken, maar hulp nodig bij het zoeken naar zin (toegevoegde waarde). Er ontstaat een gigantische markt van aanbieders die mens helpen in hun spirituele zoektocht naar de zin van het leven. Ten tijden van de Corona-crisis merken we dat de zin van het leven misschien wel praktischer is dan we denken… gewoon hier op aarde in relatie tot de ander en met de ander. Het is niet iets louter persoonlijks en iets abstracts (belevingen), maar heel concreet en tastbaar. Wat dat betreft confronteert Covid-19 de mens met haar flinterdunne zingevingsideaal. Covid-19 biedt geen toegevoegde waarde, maar zet de mens weer met beide benen op de harde grond samen met andere mensen.

In het boek (p. 323) worden twee gevolgen van het flinterdunne zingevingsideaal benoemd die nu zowel zinnig als onzinnig lijken.

  1. Films en games spelen in op wat we goed en niet goed moeten vinden. De consument beleeft een game of film intens en hangt hieraan een betekenis. Zo zien we nu dat films over pandemieën heel populair zijn. De rampspoed wordt geconsumeerd en men zoekt naar een “geestelijk” en spiritueel voorbeeld die wellicht een film kan bieden. Zo heeft de moderne consument tegenwoordig wellicht geleerd om zin te geven aan het leven. Net zoals het gegeven dat #metoo in 2019 een hele populaire slogan was die ook in films en games terug is gekomen zoals The Avengers Endgame waarin de positie van de vrouwelijke rollen werden gelijkgetrokken met de mannen.
  2. Keuzemogelijkheden. Ten tweede is er hier sprake van keuze. Mensen kunnen kiezen welk type zingeving ze willen consumeren. Waar ze bij willen aansluiten. Welke vrienden ze willen maken en wie ze met een paar klikken willen ontvrienden. Dit maakt van zingeving een platte keuze en “lightversies” (p. 324) van oudere, diepere inzichten en trainingen.

    Er lijken hier particuliere light-religies te ontstaan, waarin mensen zingeving fantaseren en van hot naar her hoppen. Zingeving als flinterdunne keuze. Niet te verwarren met iemand die vanaf de geboorte diepgeworteld zit in een bepaalde religieuze groep/cultuur en daarmee bijna samen lijkt te vallen en voor wie de religie een voorwaarde en daarmee vanzelfsprekend is voor het leven. Voor de light-religies is de keuze voorwaardelijk en niet de diepere inbedding in een cultuur/religie.

71. De kandidaten kunnen de paradox van de verwerkelijking van de vrijheid via de vrije markt in de prestatiemaatschappij herkennen en uitleggen. Daarbij kunnen zij:
 de vrije markt weergeven als individualiserende ideologie;
 overeenkomst en verschillen met de protestantse benadering van arbeid en beroep weergeven;
 uitleggen dat de prestatiemaatschappij tot grote psychische druk voor het individu leidt.

Het grote gevaar van de vrije markt is niet de vrije markt zelf, maar dat de vrije markt een doel op zich gaat worden. Dat men er alles aan gaat doen om de vrije markt te beschermen zelfs ten koste van de vrije markt. Een voorbeeld hiervan is de bescherming van banken ten tijden van de 2008-kredietcrisis. Veel banken zouden in een pure vrije markt failliet gaan, maar deze banken failliet zouden zijn gegaan, dan had dat het einde van de vrije markt en het kapitalisme kunnen betekenen. Dus overheden hebben ingegrepen in de vrije markt om ervoor te zorgen dat de vrije markt kon blijven bestaan. Op de manier dreigt de vrije markt een religie/ideologie op zichzelf te worden. Een verbindende factor die beschermd moet worden.

Deze ideologie draagt mensen op om “alles uit jezelf te halen”. Denk hierbij bijvoorbeeld aan zaken zoals coaching en dergelijke. Een coach helpt je om alles uit jezelf te halen. Op de vrije markt is iedereen vrij om te bedenken en daarmee te kiezen wat aansluit bij de eigen behoeftes en deze behoefte is om volmaakt te worden en perfect. De zin van het leven is radicaal individueel: jij bent vrij, zelfs gedoemd tot vrijheid (Sartre)! Je kunt niet anders dan vrij zijn. Wat jij doet, doe jij alleen! Jij bent de meester over je eigen lichaam en leven! Jij bent VERANTWOORDELIJK! Je leeft maar één keer! En de vrije markt biedt jou een plek om alles uit die ene keer te halen!
“Het leven wordt opgeëist als een potentieel van kansen, belevingen en ervaringen” (p. 325).
Hierin sluiten we aan bij het protestantse ideaal van predestinatie: voorbestemd zijn. Jouw succes is voorbestemd: aan jou door God gegeven. Wanneer we het Goddelijke er vanaf plukken, dan is diegene wie jij wordt geheel afhankelijk van de keuzes die jij maakt. Ben je een loser, dan is er geen troost meer door God. Een loser is je eigen schuld. Dit zorgt voor een mensbeeld die enerzijds enorm veel psychische druk op mensen legt. De enige manier om hieruit te komen, is om jezelf neer te zetten als slachtoffer van de boze wereld. Zowel de winnaar en de loser omarmen de maakbaarheid van het eigen leven, waarbij de winnaar zegt dat hij of zij alles zelf heeft bereikt en de loser zegt dat hij belemmerd is door (slechte) mensen om hem of haar heen. De winnaar en de loser gaan beiden uit van de maakbaarheid en een soort van onderliggende structuur die beter kan worden gemaakt.

Een onderliggende structuur en/of systeem kan in kaart worden gebracht. Alle knooppunten en verbindingen kunnen worden omschreven. Met kan doelen stellen en deze planmatig naleven en stapsgewijs gaan kijken hoe de doelen worden bereikt. Je kunt indicatoren op gaan stellen die de prestaties meten (Key Performance Indicators) en wanneer de indicatoren slechte cijfers produceren een zogenaamde PDCA-cyclus (Plan-Do-Check-Act) gaan opstellen om zo het systeem te verbeteren. Alles wordt meetbaar in een zogenaamd “rank and yank”-systeem (p. 327). Covid-19 maakt duidelijk hoe flinterdun deze systemen zijn en wat ze waard zijn ten tijden van een crisis, maar ten tijdens van rust en regelmaat gelooft men in de verbeterende werking en voorspellende waarde van deze systemen en haar meetbare indicatoren. Ook ik, de filosofie leraar, word door leerlingen gerankt. Zie de tabel hierboven. Ik ben 4 jaar geleden gerankt op 4 indicatoren aan de hand van een flinke set aan vragen. Er waren toen 20 leraren en ik scoorde vrij aardig. Allemaal zonnetjes. Maar ik werd wel gemeten en gewogen in relatie tot collega’s, terwijl mijn vak, mijn werk, mijn context misschien wel niet te vergelijken zijn. Wellicht typeert dit de illusie van de meetbaarheid… Iets waar velen wellicht wel in moeten geloven. Idem worden leerlingen gemeten aan de hand van cijfers en gemiddelden.
Deze meetcultuur lokt twee zaken uit:
1. Mensen gaan de boel omdraaien. Ik ga niet vertellen waar, maar er zijn bijvoorbeeld scholen die leerlingen die achterlopen verplichten om ’s morgens naar een zogenaamd succes-uurtje te gaan. Of denk aan de uitspraak: “Als het Kremlin het ontkent, dan is het waar”. Trump hoeft ook alleen maar aan te geven hoe goed hij is, wanneer hij wellicht iets niet goed heeft gedaan. De wereld op z’n kop.
2. Een loser kan nooit bezwaar maken omdat het altijd zijn eigen schuld is, of de schuld van de omgeving. Aan de eigen onkunde en wellicht pech kan men geen schuld ophangen. Dit zorgt voor een schuldcultuur met helden en losers, van links naar rechts.

Zie daar de moderne mens steeds meer gevangen in een dwangbuis van mensen die koste van het kost de vrije markt verdedigen. (p. 328).


72. De kandidaten kunnen de twee strategieën die Nussbaum onderscheidt voor omgaan met afhankelijkheid en kwetsbaarheid in het menselijk leven (immunisering en erkenning) herkennen, uitleggen, toepassen en beoordelen.
Niet alles is maakbaar. Sommigen worden geboren met een ongezond lichaam. Sommigen worden in eenzaamheid geboren met verknipte relaties. Covid-19 overkomt ons. Niemand kiest voor een dergelijke natuur. En de instituten waarin we worden geboren en waar de ouders bij geboorte de naam van het kind doorgeven, zijn ons gegeven bij geboorte.
Geluk is niet te koop. De tirannie van de volmaaktheid en maakbaarheid lijkt soms meer op een religie dan waarheid. Happy voelen is ook een kwestie van geluk hebben.
De mens is kwetsbaar! De 5 dimensies (lichaam, instituut, natuur, zin en relatie) zijn niet te reduceren tot keuzes. Daarnaast kiezen mensen maar beperkt rationeel. En toch worden mensen opgedragen te kiezen en daarvoor gehele verantwoordelijkheid te nemen en delen we mensen in in winnaars en losers die prestaties moeten halen.
Nussbaum benoemt twee manieren van omgaan met kwetsbaarheid:
1. Immunisering -> de mannelijke manier. Gericht op het in kaart brengen van het systeem en alles in het systeem beteugelen (managen. Het woord manager komt ook van de manege in termen van het beteugelen van paarden). De mens probeert “immuun” (in termen van bescherming) te worden voor de kwade impact van de natuur/wereld op de mens. Het gaat hierbij om het inrichten van de wereld als een alomvattend en controleerbaar systeem. We weten met Covid-19 hoe fragiel dergelijke systemen kunnen zijn. Het kapitalistische, globale radarwerk is door een virus rigoureus tot stilstand gebracht. Of de beteugeling/berekening is veel te complex voor een mens om te vatten. Denk hierbij aan de complexe, wiskundige modellen die uitrekenen wat de juiste manier om om te gaan met de verspreiding van Covid-19. Veel mensen willen behapbare modellen waarop een persoonlijke keuze gemaakt kan worden. Modellen zijn er, maar deze zijn voortdurend (real time) in ontwikkeling en niet behapbaar. Dit maakt de mens als kiezende consument alsnog en wellicht zelfs extra kwetsbaar.
2. Erkenning -> de vrouwelijke manier. Gericht op het leiden en navigeren in wisselende omstandigheden. Hiervoor is vertrouwen nodig ten tijden van onrust. Deze kant zien we nu ontstaan als gevolg van Covid-19. Het systeem komt voor een groot deel tot stilstand en we moeten nu vertrouwen op wetenschappers, politici en alle zorgmedewerkers, docenten, politieagenten etc. Hier draait het om het durven vertrouwen op het veranderlijke. De erkenning van onzekerheid ten tijden van hevige druk en systemen die tot stilstand komen, vormt op dit moment de basis voor leraren die massaal online lessen verzorgen, mensen die vrijwillig bij ziekenhuizen gaan werken en politici die steeds vaker de strijdbijl lijken te begraven.

Het eerste punt staat meer in lijn met Plato/Descartes, waarbij er een abstract perfect systeem is wat rationeel en controleerbaar en berekenbaar is. Het tweede punt lijkt meer op Aristoteles, waarbij het in-de-wereld zaak is het juiste midden (eudaimonia) te zoeken. Tijdens dit zoeken weeg je relaties met anderen mee in het zoeken naar balans. Een zoektocht naar het juiste midden neemt altijd de relaties met anderen met zich mee en daarmee ook het vertrouwen in de anderen. We zien nu dat deze onzekere tijd mensen dwingt om vertrouwen te hebben in elkaar en diegenen die nu navigeren daar waar er geen logisch systeem meer is om ons aan vast te houden! Vertrouwen maakt kwetsbaar en deze kwetsbaarheid is een element van het menselijk bestaan!

73. De kandidaten kunnen de wijze waarop kwetsbaarheid en zin naar voren komen in elk van de vijf dimensies van het goede leven weergeven, uitleggen, toepassen en beoordelen.

Lichaam: Je kunt alles kwantificeren van je eigen lichaam, maar dan nog kunnen omstandigheden een rol spelen in de mate waarin je je lichaam kunt onderhouden. Covid-19 zorgt ervoor dat we niet zomaar naar een sportschool kunnen bijvoorbeeld.
Relaties: Je kunt relaties leggen en ontvrienden, maar soms men je niet in de omstandigheid om relaties te leggen. Je komt niet de juiste mensen tegen, etc. etc.
Instituten: Soms gebeurt er iets waardoor alles moet wijken. Een virus kan ervoor zorgen dat ziekenhuizen anders moeten worden ingericht. Dit heeft enorm veel invloed op ons leven. Dit is niet altijd maakbaar en controleerbaar. We moeten vertrouwen op elkaar.
Natuur: We hebben de wereld zo goed geordend. In ieder geval in Nederland, dat we daarvan ook weer de gevolgen zien. Weinig diversiteit, waardoor de processierups kan opkomen. Maar ook meer luchtverontreiniging en virussen zijn ook het gevolg van steeds meer contact tussen mens en dier… waarbij de mens steeds meer plek inneemt ten koste van zieke dieren (die mensen besmetten).
Zin: de zin van het leven is flinterdun wanneer deze geconsumeerd kan worden. Denk hierbij aan moderne tuinkabouters (boeddha beeldjes), waarvan de oorspronkelijke, gewortelde, culturele betekenis heeft plaatsgemaakt voor vermaakt en dunne spiritualiteit.

Dit alles zou ons aan het denken moeten zetten. Vooral met de grote vraagstukken waar we vandaag de dag voor staan!

https://www.volkskrant.nl/mensen/filosoof-martha-nussbaum-plezier-en-pijn-zijn-de-risico-s-van-het-mens-zijn~bcc57b2a/?referer=https%3A%2F%2Fwww.googleapis.com%2Fauth%2Fchrome-content-suggestions

HGL – Week 24

67. De kandidaten kunnen uitleggen wat nihilisme bij Nietzsche inhoudt. Daarbij kunnen zij uitleggen:
 wat Nietzsche verstaat onder de Übermensch;
 welke invloed het idee van de Übermensch heeft gehad op de ontwikkeling van de westerse cultuur.

Op pag. 302 wordt gesproken over “de zin van het menselijk handelen”. Het gaat hierbij om de moraal als basis voor het handelen. Wat is het goede om te doen? Waarop baseer je je handeling? Wanneer je ervan uitgaat dat de mens een egoïstisch wezen is, dan is het mogelijk dat je het goede beschouwt als voor jezelf kiezen.
Het maakt dus nogal wat uit, op welke “zin” je jouw handelingen baseert. Wanneer er geen zin is, waarom zou iemand dan nog handelen? Wanneer je zin ervaart in het dienen van een christelijke God, dan ga je andere handelingen plegen dan wanneer je zin ervaart in het losbandig leven voor alleen jezelf, want YOLO (you only live once 🙂 ).

Vanaf de verlichting komt de natuurwetenschap centraal te staan. De successen van Newton spelen hierin een belangrijke rol. Ook zien we Darwin opkomen met zijn theorie over de “survival of the fittest”. Al met al staat rationaliteit en wetenschap centraal sinds de verlichting. De moderniteit/moderne tijd bouwt voort op wetenschap en rationaliteit. Dit geldt ook voor de moraal. Wanneer Kant stelt dat we zodanig moeten handelen dat deze handeling een algemene wet zou kunnen worden, dan veronderstelt dit ook een geloof in een algemene wet, waarbij deze wet altijd door rationaliteit/reflectie gevormd wordt. Het is dus een rationeel proces waarvoor systematisch denken kan helpen.
Op pagina 301 wordt gesproken over de moderniteit en haar “rationele fundering van de moraal”. De moraal is in de moderne tijd een moraal die rationeel benaderd moet worden.

Een tijdgenoot van Nietzsche (die elkaar nauwelijks gekend hebben waarschijnlijk) was Karl Marx. Marx sprak over religie als het opium van het volk. Specifiek staat hier VAN het volk. Het volk heeft opium nodig. Het volk heeft iets nodig om zichzelf voor de gek te houden: een Godsopvatting wat niets anders is dan “een projectie het menselijke bewustzijn zelf” (p.300).
Nietzsche redeneert ongeveer in dezelfde lijn. Voor de moraal biedt de moderniteit haar eigen God: de God van de rationaliteit als fundering/opium/illusie van de moraal. Volgens Nietzsche is dit hypocriet. Het ideaal van de bevrijding van de mens creëerde een nieuwe “God”: de rationele God als fundering van de zin en de moraal. Deze discussie speelt nu ook tijdens de Covid-19/Coronacrisis (maart 2020). Langzaam zien we de fundering van onze moraal/ons handelen in tweeën splijten met aan de ene kant diegenen die “geloven” in rationaliteit als fundering voor het handelen en voor wat het goede is om te doen (niet hamsteren in de supermarkten) en anderzijds een nieuwe God van verbinding waarbij mensen de zin van het handelen zoeken bij elkaar en in de relatie tot en met elkaar. Kijk maar eens naar het ontroerende filmpje van het zwaar getroffen Italië met geïsoleerde mensen op balkons die aan het zingen zijn met elkaar.

Maar zowel de moderne God van de rationaliteit als de God van de verbinding en de liefde hebben één ding gemeen: ze prediken een idee wat de mens overstijgt. Een idee waarin mensen gezamenlijk kunnen geloven. Het staat boven de mens… een transcendentie (bovenzinnelijk – samenstelling over…). De zin is niet iets persoonlijks, maar bovenzinnelijk. De zin wordt vanuit iets wat boven de mens staat iets “hogers” gevonden. Voor Nietzsche is alles wat transcendent is hypocriet! We bouwen rechtssystemen, relaties, cultuur, normen, waarden en tradities op hypocrisie/religie/transcendentie. Dit kan nooit de bevrijding van de (individuele) mens zijn. Nietzsche ziet een nieuwe wereld voor zich van wat Heidegger later de “laatste mens” zal noemen: de nihilistische mens. Een menstype in een hypermoderne wereld (zie vorige week over de supernova & het antihumanisme bij Charles Tayler). Een nihilistisch mens voor wie geen gedeelde waarheid/God meer bestaat. Een nihilistische hypermoderne mens die alles van waarden, alle religieuze, moderne, christelijke of wat dan ook waarden omver wil werpen. Dit noemt Nietzsche de omverwerping en herwaardering van alle waarden! De mens die zich los wringt van alle overheersende waarden en religies noemt Nietzsche de Übermensch. Nietzsche stelt dat hij breekt met het verleden. Volgens hem is de mens niet meer gevat voor een alomvattend idee. Heidegger zal later stellen dat Nietzsche niet breekt met het verleden, maar de laatste religie neerlegt. Een religie die stelt dat de alomvattende werkelijkheid (p. 302) bestaat uit nihilistische mensen die als Übermenschen niet gebonden zijn aan overheersende waarden, maar louter aan de eigen wil. De ultieme zin van ons handelen is de wil naar macht! Dus niet de rationele grond, niet de bijbel, maar de pure wil. Het Christendom en het Jodendom hebben vooral (vaak via rationele instituten) deze pure wil willen onderdrukken door normen en waarden op te leggen (via de instituties bijvoorbeeld. Iets wat Foucault 100 jaar later dus zal uitwerken). Nietzsche noemt de moraal van onderdrukking dan ook de slavenmoraal. De Übermensch houdt zich niet aan de slavenmoraal, behalve als dit aansluit bij de persoonlijke wil. De Übermensch rukt zich los van de kuddemens en zijn slavenmoraal.

Nietzsche is op verschillende manieren geïnterpreteerd. Zo kan de Übermensch nooit gebonden zijn aan regels, normen en waarden, maar betekent dit dat hij zomaar gaat moorden. Nietzsches filosofie van de wil naar macht en de Übermensch gold als blauwdruk voor de ideale Nazi. Nietzsche is ook misbruikt door economen. Mensen zouden alleen maar egoïsten zijn (survival of the fittest). Nietzsche zou daarmee aan de basis staan van sociaal-Darwinisme. De mens is een strijdvaardig wezen dat anderen wil aftroeven. Maar eigenlijk heeft Nietzsche nooit uitgewerkt HOE de Nietzscheaanse Übermensch zou moeten handelen. Persoonlijk denk ik dat iedereen dit voor zichzelf moet afvragen. De Übermensch kan namelijk ook de eigen geestelijke beperkingen proberen te overwinnen door bijvoorbeeld juist heel vredelievend proberen te zijn tegen de menselijke natuur in. Of door vetzucht te bestrijden tegen de eigen drang naar eten in. Wanneer iemand werkelijk lief wil zijn, kan het zo zijn dat dat niet altijd lukt. Iemand kan wel willen afvallen, maar dan kan de menselijke natuur (lekker blijven eten) toch tegenwerken. De Übermensch zou ook deze menselijke natuur kunnen willen overwinnen. Dit is een meer psychologische Nietzsche (al valt het maar te bezien of Nietzsche het hiermee eens zou zijn).

74. De kandidaten kunnen de opvatting van Camus ten aanzien van de afhankelijkheid en de kwetsbaarheid van een absurd en zinloos bestaan, weergeven en beoordelen. Daarbij kunnen zij Camus’ opvatting vergelijken met die van Nietzsches Übermensch, de christelijke agapè en de moderne zelfontplooiing.

“Als God niet bestaat, dan is alles geoorloofd” (Ivan uit de Gebroeders Karamazov – Dostojevsky). Het mag duidelijk zijn dat Nietzsche het hiermee eens zou zijn. Camus in zekere zin ook. Nietzsche heeft echter nooit uitgewerkt wat de Übermensch nu in de praktijk doet. Hoe hij of zij zich gedraagt. Dit biedt mogelijkheden om te kijken of er een zin voor het handelen mogelijk is vanuit het nihilisme zonder te vervallen in radicale, Nazistische en fascistische ideologieën die voortkomen uit haat en ressentiment. Ressentiment staat voor “work” en letterlijk voor het terug (re) voelen (sentiment). Ressentiment zien we in deze tijd ook. Het idee dat het vroeger altijd beter was. Het verlangen naar vroeger. Het opnieuw willen voelen van iets wat ooit zo goed aanvoelde. En iedereen die dat gevoel in de weg zit, moet bestreden worden. Het nihilisme kan dus ook zorgen voor een mens die in vrijheid andere groepen mensen wil onderdrukken en zelfs vernietigen voor zichzelf en de eigen groep. Wat weer paradoxaal klinkt, omdat hier dan toch weer een kuddedier lijkt voort te komen die een heersende moraal van het fascisme omarmt als de zin voor het handelen.

Camus komt (en is daarmee een grote inspirator voor Taylor) met de liefde voor het leven. Camus verwerkt in zijn boek “De Pest” (nu zeer actueel!!) een hoofdpersoon die arts is en in een stad met veel pest blijft. Waarom hij blijft, is niet duidelijk. Een strijdende arts zou vertrekken en iedereen later sterven aan de pest. Maar deze arts blijft. Hij is geen held, maar vooral trouw aan zijn stad en medemensen. Hij voelt met anderen mee (empathie). Zelf in de biologie zien we medemenselijkheid en wederkerigheid (je krijgt ook liefde terug). Wellicht is de nieuwe uitdaging voor de toekomst wel het verbinden van het christendom, humanisme en anti-humanisme richting een nieuwe zin voor het handelen, waarbinnen de liefde voor elkaar niet meer door een oriëntatie op God gebouwd wordt, maar een liefde die zich op aarde afspeelt. Een “binnenwereldlijk alternatief” voor het christendom. In een nihilistische wereld houden mensen niet voor elkaar omdat God dit wil. Ook niet omdat dit hoort volgens de rationele gronden, maar omdat men trouw, medemenselijk, empathisch en daarmee liefdevol wil zijn naar en voor elkaar.

Het zou best wel eens zo kunnen zijn dat de Covid-19/Coronacrisis van vandaag de basis vormt voor een nieuwe, wellicht nihilistische maar binnenwereldlijk alternatief voor samenleving op basis van liefde. De vraag is of deze crisis bij kan gaan dragen aan een meer Gaia-achtige (lees: Latour) oriëntatie op de zin voor het handelen. Een oriëntatie op het handelen van waaruit blijkt dat het goede wordt bepaald door de liefde van alles en iedereen in de wereld. Een oriëntatie die vertrekt vanuit empathie.

De pest
Camus on the Coronavirus (New York Times)

De Pest:
Camus: het leven is absurd. De natuur discrimineert niet. De natuur is rechtvaardig maar in essentie wellicht onbegrijpelijk. (In de film The Dark Knight refereren de twee “bad guys” ook vaak naar het onrechtvaardige karakter van de rechtsstaat. De natuur en het instinct heeft geen voorkeur. Voorkeuren komen voort uit een opvatting van iets of iemand. De voorkeur voor een jongen boven een meisje kan alleen ontstaat als iemand een bepaalde essentie ophangt aan een jongen en een meisje. De jongen kan dit en een meisje doet dat). De natuur kent geen essentie. De pest woekert bij rijke en arme mensen en laat niemand ongemoeid. De pest is willekeurig en nihilistisch.

Existentie voor essentie
Essentie:
1. Priester Paneloux -> De zin van het leven ligt bij God. God straft en beloont.
2. Rambert (journalist) -> De liefde voor de vrouw overwint (Romantiek)
3. Tarrou -> De plicht om te helpen (Kant)

Rambert en Tarrou vertegenwoordigen twee delen van het humanisme. Zingeving komt voort uit de mens zelf. Zingeving is iets romantisch (ik houd van mijn dierbaren). Of zingeving is iets wat systematisch onderzocht kan worden door zelfreflectie en analyse (plichtenethiek/Kant).

Paneloux legt de nadruk op de zin van het leven bij God.

Essentie: Dokter Rieux laat meerdere keren in het boek zien dat wanneer je de dood in de ogen ziet en de willekeur voorbij ziet komen, dat er geen tijd is voor essenties. Denken in essenties/discriminatie is een luxe. Denken dat je je liefde niet meer gaat zien is een luxe voor diegenen die in een willekeurige nihilistische wereld aan het werk zijn om zo lang mogelijk vol te houden. Denken aan de plicht is ook een luxe, omdat je geen tijd hebt voor analyse. De Nietzscheaanse Übermensch is ook niet bezig met analyse, maar met actief nihilisme: actief proberen te overleven. Camus gaat verder in de persoon van Rieux. Rieux heeft geen God en laat niks los over de essentie van het leven. Rieux heeft hier geen tijd en aandacht voor. Rieux heeft ook een geliefde buiten de stad waar de pest heerst, maar is te druk bezig om daaraan te denken. Rieux ziet het als fatsoen in een illusieloze wereld die willekeurig mensen raakt. De liefde voor elkaar ontvouwt zich daar waar mensen in niks geloven en geen illusies meer hebben. Daar waar men geen tijd meer heeft om zoals nu te discussiëren over wat onze politici goed en slecht doen. Daar waar er geen tijd is om de eigen groep te steunen en anderen uit te sluiten. Zoals de zorgmedewerkers ons ook willen vertellen, hebben deze essenties in vorm van decadente steun geen zin. Wat wel zin heeft, is om te handelen: je te houden aan de richtlijnen in een nihilistische wereld waarin we vol moeten houden voor elkaar en met elkaar.

Verteller (Camus) wil ons ook nog iets duidelijk maken: Dat is, zoals in het bovenstaande fotootje duidelijk wordt, er een vorm van liefde ontvouwt als “uitzichtloos geduld” en hardnekkig afwachten. Zo leven wij in tijden van beperking waarin mensen meesterschap moeten tonen. In een nihilistische tijd zonder verlossing (God). Dit is een andere soort van liefde, dan de journalist Rambert die lang in de luxe positie verkeerd te dromen en te denken aan het vluchten uit de stad (die afgesloten is – total lockdown). Het argument hierbij is dat Rambert zijn geliefde mist die buiten de stad zit en hij geen onderdeel is van de stad. Hij hoort hier niet. Dit is wederom idee: essentie. Het idee/de essentie dat liefde de kern is van het leven. Voor de nihilistische mens is dit ook een overheersende waarde. Werkelijke liefde is uitzichtloos en hardnekkig en zoals de Pest traag en langdurig (en niet flitsend en heldhaftig).

Existentialisten zoals Camus en Nietzsche willen aantonen dat de existentie (de nihilistische wereld van het uitzichtloze en hardnekkige) voorafgaat aan de essentie (de wereld zoals wij deze in termen zien en definiëren en begrijpen).


https://www.npostart.nl/POMS_WNL_16052290

https://www.trouw.nl/opinie/wat-de-democratie-kan-leren-van-de-pest-van-albert-camus~b5927b31/

HGL – Week 23

66. De kandidaten kunnen uitleggen wat wordt bedoeld met de vraag naar zin. Daarbij kunnen zij deze vraag:
 in verband brengen met het goede leven en de vrije markt;
 benaderen vanuit religieus, moreel en politiek-ideologisch perspectief.

De vraag naar zin is de oervraag van de filosofie. Bepalend is de plek die de mens in de wereld inneemt.
Religieus: In een wereld zonder God neemt de mens alleen een plek in op aarde en is er geen hemel. De zin van het leven speelt zich dan vooral op aarde af. Wanneer het klimaat slechter wordt en er geen hemel is, dan kan men ook anders gaan kijken naar de geboorte en de dood.
Moreel: Wat als “goed” en “slecht” wordt gezien, wordt bepaald door datgene wat mensen telkens weer opnieuw (re-) met elkaar verbindt (ligaire), re-ligie dus. Religie is het opnieuw verbindende en kent vele vormen: Christendom, Hindoeïsme, Islam, Nihilisme, Jodendom, etc. etc. Iedere religie kijkt anders aan tegen het goede en het kwade aan.
Politiek-ideologisch: De moderne tijd “predikt” een nieuwe religie van de vrije markt en haar hypermoderniteit, waarin de zin van het leven bepaald wordt door voortdurende en steeds intensere behoeftebevrediging, die steeds meer atomair (gepersonaliseerd), gericht is op het aanbieden van kortstondige belevenissen. Er zijn winnaars en losers en mislukking is geheel de eigen verantwoordelijkheid. Deze meritocratische samenleving werkt enorm bedrukkend op de psyche van de mens (werkdruk, stress, etc.). Het is maar zeer de vraag of de mens dit aankan (natuurlijk kan de mens bemiddelt door techniek een nieuw trans-mens worden waarin het brein wordt “gehackt”, maar dit zijn nog fantasieën van nieuwe technopredikanten. Ondertussen wordt er een heel scala aan controlesystemen opgetuigd om mensen in bedwang te houden (panopticon / magister 🙂 ), terwijl het werkelijk contract tussen mensen en de kwetsbaarheid van mensen steeds verder buiten schot geraakt.

De filosoof Slavoj Zizek stelt dat geluk je niet zonder meer je creatief bevredigt. Het goede leven en de zin van het (creatieve) leven is volgens Zizek dan ook niet een leven op zoek naar geluk. Veel mensen ook verlangens van geborgenheid, bescherming, uitdaging en richting hebben (p. 294). Velen verlangen meer dan genot. Wat zinvol wordt geacht, is veelal ook afhankelijk van de culturele achtergrond. Zo is de christelijke cultuur doordrongen van schuld en boete en was voor de Spartanen in het oude Griekenland het sterven op het strijdveld eervol. Mensen kunnen om uiteenlopende redenen de eigen dood prefereren boven een zinloos leven. Wanneer men zich schuldig voelt, kan men het andere doen ook al betekent dit wellicht de dood. De mens kan het zinvolle doen en daarmee het “banale” leven overstijgen.

67. De kandidaten kunnen Taylors analyse van de transformatie van de vraag naar zin in de moderne tijd weergeven. Daarbij kunnen zij uitleggen:
 welke rol individuele zelfreflectie, zelfdiscipline, kunst en de opkomst van de natuurwetenschappen hierin spelen;  wat de verhouding tussen christendom, seculier humanisme en antihumanisme hierbij is;
 wat Taylor bedoelt met het ‘Nova-effect’, ‘supernova’ en cross-pressured-zijn.

Taylor stelt de vraag: “Hoe kan het dat in het jaar 1500 iedereen in God geloofde en religie dus volstrekt vanzelfsprekend was, terwijl rond het jaar 2000 geloof in God primair een optie is, een mogelijkheid die zelf vele kleuren kan aannemen en ook hele andere mogelijkheden naast zich aantreft: atheïstisch, agnostisch, twijfelend, dogmatisch, fundamentalistisch, chirstelijk, boeddhistisch, islamitisch, humanistisch, New-Age-achtig- noemt maar op?”
Wat we eerder ook al hebben besproken bij de geschiedenis van het moderne individualisme is het thema van zelfreflectie. Het Christendom omvatte een cultuur waarin mensen geloofden dat ze zelf in gesprek waren met God en God vertelden wat ze goed en slecht hadden gedaan. Deze “dialoog” met God was een vorm van zelfreflectie gericht op het helder krijgen van wat goed en slecht is. Dit zorgde er ook voor dat mensen zelf gingen zoeken naar manieren om beter te leven. Op een gegeven moment kwam de vraag naar boven of God hier wel voor nodig was en of de mens dat gesprek niet met zichzelf aan kon gaan. Dan ontstaat er secularisatie (ontkerkelijking – loslaten van het idee God), maar blijft de zelfreflectie over.
Tijdens de verlichting kwam naast het Christendom ook het seculiere Humanisme (zelfreflectie – mens reflecteert op zichzelf en daarvoor is God niet noodzakelijk).
Het humanisme heeft vervolgens met Nietzsche en Marx een anti-humanistische beweging gekregen. Een humanisme is saai. Stel je maar eens een perfect geordende, humane wereld voor je zoals D66 deze voor ogen heeft. Voor jullie filosofiedocent is deze wereld prima, maar wellicht ook saai… Wat is de zin van een dergelijk humanisme. Antihumanisme zet de wil en niet de zelfreflectie centraal. Niet eindeloos reflecteren op het goede of slecht, maar juist de wil uitdragen en leven!
Het NOVA-effect: het beschikbaar worden/ontstaan van meerdere levensbeschouwingen (christendom, humanisme, antihumanisme) die met elkaar onverenigbaar zijn. Christendom duldt geen humanisme en antihumanisme. Antihumanisme duldt geen humanisme en Christendom. Humanisme staat op gespannen voet met antihumanisme en Christendom. Het NOVA-effect is dan ook het uiteenspatten van religie, datgene wat mensen telkens weer opnieuw verbindt… Het NOVA-effect is een uiteenspattende ster. De ster is het verbindende.

De SUPERNOVA: Wanneer mensen steeds meer zelfverantwoordelijk zijn voor het zijn van “goede mensen”, dan is het niet gek dat ze ook zelf religie gaan vormgeven en dat de ster uiteenspat. Wellicht zijn er tegenwoordig net zo veel religies als dat er mensen zijn… iedereen shopt zijn of haar eigen religie bij elkaar. Deze hyperindividualiteit vormt de basis voor de radicaal plurale tijd!

Taylor geeft aan dat met de aanwezigheid van opties, de vanzelfsprekendheid van het verbondende verloren gaat. We kunnen niet meer geloven, maar ook geen humanist meer zijn en ook niet postmodern. Twee dingen staan hierin centraal: 1. de aanwezigheid van opties biedt geen grond meer onder de voeten en 2. de opties worden bij elkaar geshopt zodanig dat ze bij je passen, zodat je authentiek kunt zijn. Authenticiteit wordt daarmee ook een moderne vervanging van een leven zonder duidelijke eenheid.

KUNST: Kunst kan betekenis uitdrukken. In een wereld zonder gedeelde waarheid/religie, kan de kunst ervoor zorgen dat we oefenen in het zelf nadenken en zelf verbinden van onze ideeën (creativiteit). Denk hierbij aan poëtische vorming… het vormen van mensen in het verbeelden van wat ze voelen en denken in woorden, zorgt ervoor dat ze zichzelf ook kunnen duiden en ideeën kunnen verbinden. Het is wellicht vreemd dat de kunsten in deze tijd als hobby worden gezien zoals we eerder hebben kunnen lezen in de tekst van Hanna Arendt.

68. De kandidaten kunnen aangeven wat de centrale vragen zijn in het moderne debat tussen christendom, seculier humanisme en
antihumanisme. Daarbij kunnen ze Taylors positie in dit debat (agapè-liefde) uitleggen en beoordelen
.

(P. 315) Agape (liefde) is het centrale (Christelijke) begrip wat humanisme, antihumanisme en christendom verbindt, waarbij het draait om wie het beste, het meest geloofwaardige verhaal vertelt op zoek naar onze morele ervaring (wat het goede is om te doen)? We zien nu ook veel verhalen over armoede, de staat van de natuur, kapitalisme, waarbij de strijd nog niet gestreden is. Wat het beste verhaal is over wat het goede en het slecht is in deze tijd, is nog niet duidelijk.

Humanisme heeft liefde voor de menselijke natuur met sympathie en empathie binnen een maatschappelijke orde met instituten en regels.

Antihumanisme heeft liefde voor de strijd en de blinde scheppingsmacht (Nietzsche Üebermensch).

Christelijke positie draait om de menselijke bloei. Liefde komt van buiten (God) en is via God in ons allemaal aanwezig en verbindt ons allemaal. We zijn allemaal via iets hogers (God) door liefde met elkaar verbonden. Dit lijkt op een familie (p. 315) maar in een familie zijn er nog regels. Deze liefde overstijgt regels en beperkingen, bureaucratie, instituten, systemen, codes, etc.

HGL – Week 22

64. De kandidaten kunnen de benadering van de natuur van Latour uitleggen. Daarbij kunnen zij:
 uitleggen wat er volgens Latour mis is met het subject-object schema;
 weergeven wat de radicaal empirische interpretatie van onze ervaring inhoudt;
 beoordelen of deze benadering een goed alternatief voor het subject-objectschema biedt.

Het denken dat we allemaal autonome, zelfsturende subjecten zijn in een lege, materiële wereld (p. 276) redt de mens het niet in de 21ste eeuw. Dit is wel het denken wat in de moderne (veelal Angelsaksische) traditie (liberale) traditie centraal staat. Je bent meester over je eigen leven. Een mens ervaart in een technische wereld steeds minder zin, maar nog dwingender… ervaringen en gevoelens dreigen gereduceerd te worden tot stroompjes in de hersenen en geloof tot iets voor jezelf. Wetenschap en categoriseren dreigt ook een religie te worden en mensen (hier komt de overeenkomst met Heidegger naar boven) die met de wetenschappelijke religie worden opgevoed, onderzoeken op een gegeven moment niet meer, maar zoeken naar bevestiging van theorie.

De bevestiging van theorie, de wereld van de wetenschap, leert mensen in complexe categorieën te denken die systematisch en logisch onderzocht dienen te worden. Wetenschap wordt “meer en meer gezien als een absolute, onbetwistbare toegang tot ‘de’ waarheid” (p. 285). Zo wordt het gevoel ook iets wat systematisch onderzocht kan worden als schakeltjes en stroompjes in de hersenen. De gevoelens van mensen gaan echter veel verder dan deze manier van empirie (waarnemen). Mensen nemen de wereld waar met ervaringen in veel bredere zin. Zo kunnen gevoelens van haat, liefde en frustratie het gevolg zijn van de ervaring van een buitenwereld die inwerkt op de geest en waar de geest geen controle over heeft. De wereld wordt dan opeens als kleurrijk of zwart ervaren. Deze ervaringen gaan veel verder dan de empirisch-wetenschappelijke ervaringen. Deze brede opvatting van ervaren noemt Latour radicaal empirisme! Veel radicaler dan het wetenschappelijke empirisme.

Goethe (en in navolging hiervan Hegel) sprak niet voor niets de bekende woorden: “In de beperking toont zich de meester”. De beperking is noodzakelijk om meester te kunnen worden. We hebben een buitenwereld nodig om de binnenwereld (geest) “aan te zetten”. De meesters van het wantrouwen (Marx, Darwin, Nietzsche, Freud en Foucault) probeerden veel later duidelijke te maken dat de mens helemaal niet zo rationeel is, maar door onbewuste krachten wordt gedreven. Latour wil naar een nieuw soort denken, waarbij de mens niet wordt gezien als een autonoom subject dat de objecten in de wereld observeert en naar zijn hand zet, maar als een mens dat wordt “aangezet” door de buitenwereld… aangezet tot handelen, tot actie dus! En terwijl de mens gaan handelen, aangezet door de buitenwereld, creëert de mens iets. Maar gedurende het creatieproces zet de creatie zelf de mens ook voortdurend weer aan om aanpassingen te maken. Zo kun je een heel mooi schilderij schilderen, maar tijdens het schilderen zet het schilderij je aan om die ene streep toch nog iets mooier te maken. De mens creëert daarmee geen schilderij, net als dat de buitenwereld geen schilderij creëert. De mens en de buitenwereld draaien om elkaar heen en beïnvloeden elkaar, waardoor er uiteindelijk in de wereld een schilderij tot stand komt. Latour gebruikt hiervoor, voor het tot stand komen, het begrip “instauratie“.

65. De kandidaten kunnen uitleggen dat het instrumentele denken kan worden ingezet om milieuproblematiek aan te pakken. Daarbij kunnen zij een filosofische en ethische beoordeling geven van drie benaderingen via de vrije markt: beprijzen van het milieu, directe overheidsregulering en consumentengedrag.

Op pagina 286 wordt (terecht) gesteld dat Latour postmoderne prietpraat dat iedereen een eigen mening heeft die even belangrijk is, predikt. Het is de moderne tijd die zoveel bouwt op de wetenschap, waardoor cynisme dreigt wanneer de wetenschap niet alles (meteen) kan oplossen. Wetenschapsbeoefening is geen religie, maar haar methode geeft ons het beste instrument voor waarheidsvinding (niet HET instrument!). Het is zaak om met veel respect naar deze methode te kijken en te omarmen in ons streven en zoektocht om “onszelf weer te leren af te stemmen op” (p. 283) wat Latour “Gaia” noemt. Gaia is een alomvattend netwerk waarin alles in de wereld met alles is verbonden, inclusief de mens. In het zoeken naar het verbeteren van deze verbondenheid, biedt de wetenschap en haar methode ons het instrument om hier gehoor aan te geven door te onderzoeken hoe hoog de doorberekening van milieuschade voor het produceren van producten zou moeten zijn, in hoeverre de vrije markt of de overheid grenzen moet stellen en in hoeverre van consumenten verwacht mag worden dat zij rekening houden met de aarde en alles in het netwerk meenemen in overweging (wat onmogelijk is voor een individu – en dus het beste argument tegen de subject-object verhouding en het idee van het autonome individu dat heel goed in staat zou zijn uit te rekenen wat het beste is voor hem of haar).

https://www.volkskrant.nl/wetenschap/overspringende-virussen-moeten-we-radicaal-anders-met-dieren-omgaan~bba0cd7e/

https://www.groene.nl/artikel/vader-van-moeder-aarde?fbclid=IwAR3PwnEDtZH4MUAhXyoxRhYRxC2PqBqKJ65hyltLs2Al3rco9_9zQGHO4zg

HGL – Week 21

61. De kandidaten kunnen de volgende vijf soorten argumenten in het milieudebat uitleggen, beoordelen, toepassen en er voorbeelden van
geven: actueel antropocentrisch, intergenerationeel, geen lijden toebrengen aan wat lijden kan, intrinsieke waarde van de
natuur en deep ecology.

  1. Antropocentrisch denken: de mens (antropos) staat centraal. De mens is de maat der dingen. De mens bepaalt hoe de wereld eruit ziet. De mens bepaalt hoe de natuur wordt gevormd en hoe de natuur en de dieren hierin een plek krijgen. Het bepalen lijkt op calculeren. De mens als maat der dingen calculeert en weegt af. Enerzijds voor zichzelf (hedonist) en anderzijds voor de maatschappij (Utilist). Maar in beide gevallen (hedonis/utilist) weegt de mens als maat der dingen iets af. Meteen komt dan de vraag naar dit iets. Wat is dit iets? Kloppen de feiten wel van dit iets? Zijn er alternative facts? Komen de wetenschappelijke voorspellingen niet gewoon uit de lucht vallen? Wat kunnen we eigenlijk voorspellen? Instant bevrediging/genot zonder een hoger doel (mensheid, toekomst, waarheidsvinding) leidt zelfs tot nihilisme -> na mij de zondvloed. De vraag blijft of het heersende denken (utilisme) en daarmee het antropocentrische denken de oplossing gaat aanbieden voor een gezonde omgang met de natuur.
  2. Intergenerationeel denken: de mens berekent niet alleen voor zichzelf (hedonist) en de groep (utilist) op dit moment (plaats/ruimte), maar neemt ook de factor tijd mee in zijn of haar afweging. Wanneer de groep centraal staat, dan staat de groep niet alleen nu (laten we lekker allemaal gaan genieten van alles wat de natuur ons (nog wel) te bieden heeft) maar ook in de toekomst centraal. En specifiek de generaties die na ons (en in zekere zin ook voor ons) komen. Wij hebben van onze voorgaande generatie een wereld geërfd en wij geven weer een nieuwe wereld door aan toekomstige generaties. Dat maakt dat wij een verantwoordelijkheid dragen die verder gaat dan het hier-en-nu, maar ook anticipeert op de toekomst en voortkomt uit het verleden. Echter, zowel bij de antropocentrische als bij de intergenerationele denkwijze, staat de calculerende mens centraal.
  3. Voorkomen van al het lijden op de wereld. Allereerst moet duidelijk worden welk type leven kan “lijden”. Wanneer het duidelijk is welk type leven (dieren, mensen, planten, virussen?) kan lijden, dan wordt het noodzakelijk om rechten voor lijdende organismen te formuleren. Denk hierbij aan dierenrechten. De voorkeur voor louter het lijden van mensen getuigt van speciesisme (Peter Singer) en is daarmee verwerpelijk en onethisch. Al het lijden weegt even zwaar!
    Dus: 1. Lijden is het punt op grond waarop het juiste handelen en het goede leven moet vertrekken, 2. lijden kent geen gradaties. Het voorkomen van lijden is een principieel (Kantiaans?) standpunt, maar 3. het milieu is daarmee nog niet per definitie geholpen. In abstracte zin zou je (Peter Singer) kunnen stellen dat een vervuilde en opgewarmde aarde slecht is voor alle levende wezen en daarmee het lijden vergroot. Via deze route zou ook het milieu goed onderhouden moeten worden gericht op het voorkomen van al het lijden.
  4. Intrinsieke waarde van de natuur: Hier komt een principieel Kantiaans perspectief aan de orde. Dit wordt niet zelden bij christelijke partijen vertaald als rentmeesterschap. De rentmeester onderhoudt (tijdelijk) de wereld die hem of haar door God is gegeven. Hij moet daarom ook deze wereld goed onderhouden. De wereld is niet iets waar hij gebruik van kan maken als een instrument (utilisme) om zoveel mogelijk geluk te realiseren voor zoveel mogelijk mensen. Ook al berekenen we talloze zaken uit, waarbij we de wereld kunnen gebruiken ten dienste van ons genot, dan nog is de wereld niet ons bezit maar zijn we hier slechts even op aarde en is het aan ons om als een goede gast deze wereld te onderhouden. Het is de plicht van de mens om de wereld goed te onderhouden en daarna volgt de rest. De mens mag de wereld als utilist benaderen en van alles afwegen, maar allereerst moet hij de wereld begrijpen als iets waarover hij primair verantwoordelijkheid heeft. Een gast laat een gastverblijf ook niet in troep achter. Een goede gast draagt extra zorg voor de kamer, voor het huis!
  5. Ecologisch denken (deep ecology): Centraal staat hier de heroriëntatie op het moderne antropocentrische denken. De verlichting, rationaliteit en wetenschap hebben ons (in lijn met Francis Bacon – kennis de macht – kennis geeft ons het instrument om de natuur te beheersen en Newton – via de natuurwetenschappelijke methode kunnen we de natuur voor ons helder maken) tot consumenten en producenten gemaakt voor wie de aarde een stukje materie is wat we kunnen manipuleren en als instrument kunnen gebruiken en verbruiken (consumeren) voor ons eigen genot. Het massaal consumeren van de natuur is gratis en de kosten willen we niet produceren en terugbetalen (veelal). Deep ecology betreft het opnieuw vormgeven van onze verhouding als mens met de wereld, waarbij de wereld niet begrepen wordt als een onuitputtelijke bron die je kunt verbruiken/consumeren zonder grenzen. Dit type denken, ingezet door Heidegger, stelt niet alleen de verhouding van de mens met de wereld centraal, maar ook de wijze van (technische en calculerend) denken. Het technische en calculerende denken, voortgekomen uit het denken van Bacon, utilitaristen, Descartes, Newton, etc. biedt wellicht geen oplossing voor een gezonde balans tussen de mens en natuur. Misschien moeten we niet altijd geloven in de oplossingen van de techniek en op een andere manier gaan denken.

62. De kandidaten kunnen Heideggers analyse van de moderne technologische samenleving weergeven, toepassen en beoordelen. Daarbij kunnen zij uitleggen wat het gestel, waarheid (aletheia), Dasein en het verschil tussen oude en moderne techniek inhouden en welke rol ze in Heideggers analyse spelen.

Das Ge-stell is het idee dat de wereld begrepen kan worden als een soort van Matrix. Alles bestaat uit lijnen en knooppunten en de (natuur)wetten tussen deze knooppunten (lijnen) en de knooppunten zelf kunnen allemaal uitgerekend worden. Oftewel: de mens begrijpt de wereld als een systeem (raamwerk) wat je uit kunt rekenen.
Waarheid (aleitheia) is voor Heidegger een kernbegrip en Heidegger grijpt terug naar de oorspronkelijke betekenis van aleitheia. Leitheia betekent zoiets als “verborgen” en “a” betekent niet. Aleitheia betekent dus het niet-verborgene… datgene waar licht op staat… iets wat we kunnen zien. Waarheid is dus niet alleen maar iets wetenschappelijks als zijnde iets wat je kunt onderzoeken met behulp van de wetenschappelijke methode. Waarheid is iets wat we kunnen zien. En dan komt nu de essentie van Heideggers techniekfilosofie: er zijn verschillende manieren om de wereld (alles om ons heen) te zien!

Heidegger waarschuwt de moderne mens voor een wereld waarin de moderne mens nog maar op één manier de wereld kan zien (en denken) en dat is de calculerende, technische, antropocentrische manier van zien/denken!

Deze calculerende manier is de moderne manier hoe de wereld ontdekt (aleitheia) wordt. De oude manier van ont-dekken (ont-bergen/in het licht brengen) was veel breder dan dat. De oude manier kende naast de calculerende, wetenschappelijke manier ook nog andere manieren zoals muziek, kunst, poëzie een status toe van ontdekken. In deze tijd zien we dat andere manieren van ontdekken (bijvoorbeeld de kunstenaar, zoals als benoemd bij Hannah Arendt – Arendt was leerling en muze van Heidegger) ondergeschikt worden gemaakt. Een kunstenaar moet eerst een product en consument zijn die via subsidieaanvragen en plannen op de juiste wijze de formats invult en heel strategisch en berekenend zijn of haar keuzes maakt. Want anders kan de kunstenaar helemaal geen kunstenaar zijn. Leerlingen moeten eerst strategisch denken (ik kies een NG-pakket want dan kan ik later alles nog worden) en daarna volgen misschien andere manieren van naar een toekomstige baan kijken (maakt het mij gelukkig, wat kan ik creëren, etc.).

63. De kandidaten kunnen de volgende drie gevaren die het wezen van moderne techniek volgens Heidegger in zich draagt uitleggen en beoordelen: de mens als bestelbaar bestand, verdringing van andere vormen van ontbergen, vervreemding van zichzelf als Dasein en van de natuur als physis.

Nogmaals: Heidegger waarschuwt de moderne mens voor een wereld waarin de moderne mens nog maar op één manier de wereld kan zien (en denken) en dat is de calculerende, technische, antropocentrische manier van zien/denken!
Hiervoor moet de wereld ook uit te rekenen zijn, dus denkt de moderne mens ook dat de wereld een uit-te-rekenen raamwerk is. Deze opvatting (de wereld is uit te rekenen) moet je dus aannemen. Dit lijkt op een geloof! Maar wanneer aangenomen wordt dat de wereld uit te rekenen is, dan is alles in de wereld uit te rekenen, dus ook de mens. De mens wordt daarmee een schakel van het raamwerk. Een knooppunt in de Matrix. De mens kan daarmee als een nummer worden weggezet in grotere technieken (Big Data) en gebruikt worden voor berekeningen. De mens verwordt daarmee tot iets wat je kunt bestellen. Wanneer Trump graag zijn potentiële stemmers wil bereiken, dan kan hij deze via Sociale Media met behulp van geld (koopt een product) klanten (stemmers) bestellen. Het sociale medium is dan een instrument om stemmers te bestellen en de stemmers zijn instrumenten om Trump aan de macht te brengen. Maar in simpelere termen kun je ook naar de school kijken. De leraar is een instrument om de leerling (klant) vooruit te helpen. De leerling bestelt de leraar op afroep, wanneer het hem of haar goed uitkomt. De leraar wordt verbruikt/geconsumeerd door de berekenende leerling die stelt dat de leraar altijd paraat moet staan. Ouders idem. De leerling wordt weer besteld als bestand voor de school. De school berekent heel calculerend hoe leerlingen als instrument voor de school gebruikt kunnen worden. Leerlingen leveren namelijk geld op en de school heeft dan ook leerlingen nodig om te blijven bestaan. De school kijkt vervolgens strategisch hoe leerlingen besteld kunnen worden. Misschien een open dag met talloze leuke dingen en mooie filmpjes (want dat spreekt leerlingen aan en zo kun je leerlingen voor je “winnen”). Andere vormen van ont-bergen worden teniet gedaan. Een kunstklasje voor groep 8 leerlingen verwordt op deze wijze vooral een manier om leerlingen voor je te winnen/te bestellen. Het is strategie waar een systematisch plan/denken achter zit (en de overtuiging dat je via bepaald handelen ook leerlingen kunt winnen. Je moet dus geloven in een raamwerk in termen van: als we een leuk filmpje maken, dan spreekt dat onze klanten aan).

Het in-de-wereld zijn (Dasein) wordt hiermee gereduceerd tot een in de wereld zijn in termen van berekening. Een kind wordt vanaf de geboorte opgedragen alles uit te rekenen. Kunst en cultuur is slechts een instrument dat uitgerekend moet worden. Gewoon fijn met elkaar samenleven, een worden met je instrument (zie het filmpje hieronder), samen spelen in een band, tevreden zijn met een ambacht (niet om geld te verdienen of om iets of iemand anders te bestellen zoals klanten) wordt niet gewist, maar onderschikt gemaakt aan de primaire taak om alles uit te rekenen. Wat het is om mens te zijn wordt gereduceerd tot het idee dat de mens moet rekenen. De mens vervreemdt van zichzelf, de omgeving, de kunst, cultuur, muziek, etc. De mens verwordt tot een bestelbaar bestand dat andere bestanden ook voortdurend denkt te moeten bestellen voor het eigen gewin! De mens ontvreemdt ook van zijn of haar natuur. Ze is niet meer gewoon in de natuur en beweegt niet meer in de natuur samen met dierbaren en oefent niet in de natuur met een muziekinstrument, maar oefent op een berekenende manier.

Voorbeeld: Ik speelde vanaf mijn 14de 8 uur per dag gitaar. Ik schreef liedjes, etc. Ik droomde om beroemd te worden, maar mijn liefde voor het gitaar spelen was niet om bij The Voice of Holland te komen of in bredere zin beroemd te worden. Ik wilde gewoon gitaar spelen om het gitaar spelen. Gitaar spelen vond ik tof zonder enige andere reden. Hetzelfde in de liefde. Ik houd van mijn vrouw omdat ik van haar houd, niet omdat ik heb uitgerekend hoeveel ze mij oplevert. Ik zei afgelopen week nog tegen mijn vrouw dat mijn liefde voor haar niet uit te drukken is/uit te rekenen is. Liefde vervliegt iedere berekening en uitdrukking, maar na 10 jaar voel je wel aan wat deze liefde is. Je kunt (en wilt ook niet de illusie hebben dat) er geen begrip aan verbinden dat “waar” (aleitheia) is in termen van uitgerekende waarheid. Idem geldt dit voor mijn lange wandelingen in de bossen. Ik kom dan tot rust, maar ik weet niet hoe dat komt. Het voelt alleen zo. Ik denk ook niet dat het ooit duidelijk zal zijn hoe dat komt. Ik denk niet dat ooit iemand zal kunnen uitrekenen hoe dat komt. Maar toch hebben we coaches en cognitieve gedragstherapeuten die ons vragen om na te denken hoe het komt dat we gelukkig zijn en hoe het komt dat we tot rust komen… dus toch weer het berekenende denken centraal stellen en dus de nadruk op vervreemding leggen van de mens met zichzelf, zijn of haar dierbaren en uiteindelijk dus de natuur. De natuur komt op een bepaalde manier voor mij naar voren (hervorbringen, p. 270). De wereld en alles wat in de wereld is (het Zijn) kan ik in eerste instantie niet opeisen. Het Zijn is er gewoon. Ik word vanaf mijn geboorte geworpen in een wereld die mij gegeven is. En het Zijn bepaalt dus ook hoe ik denk en leef! Ik neem deel in een wereld waarin het Zijn mij gegeven is en mij omringt en bepaalt. Dit is wezenlijk een probleem, want als het Zijn nu bepaalt dat ik berekenend moet denken, dan is het wellicht onmogelijk om zelf anders te Zijn of te Worden in een wereld waarin alle Zijnden een kant op wijzen. Ik weet dan niet beter dan dat het berekenende denken het enige denken is. Ik sta hier niet meer bij stil.
Ik kan de natuur en mijn gevoel, liefde, muziek, etc. niet zomaar opeisen (herausfordern), maar toch wordt dit wel verwacht. Tijdens coaching wordt ook niet zelden verwacht dat kinderen het eigen leven calculerend opeisen. Of ouders die eisen dat een onduidelijk probleem in de geest, analytisch en calculerend benaderen om vervolgens een stappenplan te maken om het op te lossen.

Heidegger benadert de physis (natuur) niet als een berekenbare samenhang, maar als een wijze van opkomen en opgaan (bloeiende natuur). Het Zijn in de wereld komt (verlichting / a-litheia) en gaat (terug naar het donkere). Deze natuuropvatting (physis) staat tegenover de moderne opvatting van een berekenbare natuur! Heidegger wil wel het berekenende denken gebruiken, zoals wellicht de Stoa al hebben gedaan, om ons zelf proberen af te stemmen op onze omgeving in de bredere zin van het woord. Om daarmee ook ruimte te creëren voor andere manieren van ont-bergen en waarheidsvinding. Ik heb dat ook wel eens… een diep respect voor de omgeving als een plek die mij gegeven is en aan mij verschijnt. Ik heb hier niet voor gekozen. Ik probeer alles uit te rekenen in detail, maar ook uit te rekenen (in termen van afstemming) hoe ik op andere wijze in de wereld kan staan met meer liefde en respect en minder nadruk op het calculerende aspect. Dit noemt Heidegger gelatenheid! Je laat de dingen (Zijnden) gewoon Zijn en laat alles aan je voorbij gaan en probeert vervolgens te ervaren wat er voorbij gaat zonder conclusies en berekeningen. En nu ga ik de storm weer in. Ik adviseer iedereen het onderstaande filmpje te bekijken. Op de een of andere manier kan ik Heideggers denken niet berekenend uitleggen, maar wellicht wel via deze film tot beeld en denken brengen.

https://www.futurelearn.com/courses/philosophy-of-technology/0/steps/26314

HGL – Week 20 – par. 7

56. De kandidaten kunnen de volgende opvattingen die een ‘lichaamsethiek’ voorbereiden, uitleggen, toepassen en beoordelen: –
– de opvatting van de stoïcijnen dat een levenshouding van apatheia kan worden bereikt door de passies met de rede onder bedwang te houden;
– de opvatting van Plato en Aristoteles waarin het lustvol verlangen (epithumia) tegenover de emotionele bezieling (thymos) staat en de moderne interpretatie van thymos (van Fukuyama en Sloterdijk)

Op pagina 246 wordt het “brain stimulation experiment” bij muizen aangehaald. Dit experiment maakt duidelijk dat de hersenen zodanig gestimuleerd kunnen worden, dat muizen massaal de (fake) stimulatie opgewekt door stroomstootjes prefereren boven eten en drinken. Hierdoor ervaren de muizen veel “plezier” terwijl ze langzaam uitgeput raken en verhongeren.

Het utilitarisme stelt dat we zoveel mogelijk geluk/behoeftebevrediging voor zoveel mogelijk mensen moeten realiseren. Maar het utilitarisme heeft geen criterium op grond waarop vastgesteld kan worden welk geluk/behoeftebevrediging de voorkeur heeft. Het is zeer wel mogelijk dat mensen (zoals ook in de film The Matrix) aan genietende ten onder gaan en sterven. Het is maar zeer de vraag of dit de bedoeling is wanneer we op zoek gaan naar het goede leven. Deze lichaamsethiek (de vraag naar wat de goede omgang met het lichaam is) die stelt dat het goed is om plezierig ten onder te gaan, kan nooit een ethiek zijn waar de mensheid op kan bouwen.

Voordat paragraaf 7.1 en 7.2 wordt uitgewerkt is het belangrijk om de volgende drie “delen van de ziel” te onderscheiden:

  1. Vegetatieve deel (epithumia) – deel van de lusten en verlangens (deze moeten gematigd worden (gematigdheid))
  2. Strevende deel – draait om het zoeken naar het juiste midden, balans, etc. Het streven richt zich niet op het bevredigen van lusten en verlangens, maar op meer abstracte zaken zoals het land, vriendschap, enz. (moed, vrijgevigheid, waarachtigheid, stijlvolheid – abstracte zaken)
  3. Denkende deel – het hoofd regeert de ziel en als het streven / (logos)

Paragraaf 7.1 stelt een alternatieve lichaamsethiek voor van de Stoa. De Stoa borduren voort op Plato en Aristoteles. De nadruk ligt op het uitschakelen en/of beheersen van de begeerten (vegetatieve deel). Het denkende deel kan de begeerten uitschakelen.

De aanname is hierbij dat het denken in staat is de begeerte te controleren en sturen. Dit komt voort uit de opvatting dat de kosmos (universum, de mensheid) goed geordend is en wordt bestuurd door de logos (wellicht een voorbode van het goddelijke, dat als redelijke structuur de basis vormt voor de structuur van de kosmos. Dit kan ook teruggezien worden in de opvatting van een Elon Musk dat het universum een Matrix is die redelijk is en wiens wetten geopenbaard/onderzocht kunnen worden. Of een wetenschap of een Francis Bacon die stelt dat de mens de natuur met rede en wetenschap moet beheersen). De mens beschikt ook over logos en is daarom niet louter in staat de natuur te beheersen (de natuur is een ander hoofdstuk), maar tevens het eigen lichaam en de eigen begeerten en behoeften.

Het onderdrukken van begeerten en behoeften door de rede/logos zorgt ervoor dat deze mens niks kan worden aangedaan. Niets raakt deze mens. Een ander woord voor onaangedaanheid is apathie (geen (a-) emoties (pathos)). Het Stoïsche levensideaal bestaat dus uit onverstoorbaarheid/een leven zonder emoties gecontroleerd en tot rust gebracht door de rede/logos. De logos (tegenwoordig bijvoorbeeld vertaald naar psychotechnieken zoals de cognitieve gedragstherapie) kan hierdoor verslaving tegengaan. De moderne mens lijkt vaak verslaafd te zijn aan gokken, gamen, eten, drugs, werken, etc. Veelal draait dit om het bevredigen van behoeftes… de kern van het moderne denken dat we al terugvinden bij het Utilisme. Kernbegrippen zijn hier zelfdiscipline, soberheid, etc. Het probleem met zelfdiscipline en soberheid kan zijn dat wanneer ze mensen worden opgelegd (jij moet meer zelfdiscipline hebben) dit kan leiden tot wat Freud 2500 jaar later al aangaf: onderdrukking van de emoties en behoeftes. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat de Stoa en Freud op veel opzichten op elkaar lijken. Beiden geven aan dat de emoties onderdrukt worden door de logos (ich & Über-ich). Maar de een (Stoa) stelt dat dit goed is en de ander (Freud) dat dit tot talloze complexen leidt.

Daarnaast lijken de Stoa ook iets te prefereren waar 2100 jaar later Descartes ook naar neigt: het centraal stellen van het denken (cogito ergo sum) boven het lichaam. In het licht van het goede leven en het lichaam, blijft het problematisch dat de Stoa het hoofd/de logos centraal stellen en daarmee het lichaam ondergeschikt maken. Dit is op z’n minst problematisch. Althans de werkelijkheid vertelt ons dat het cognitieve leven helemaal niet zo goed is in het beheersen van de behoeftes. Sterker nog! Herbert Simon toont in het boek “Bounded Rationality” aan dat de mens helemaal niet zo’n objectieve kiezer is die via de rationaliteit/denken/logos de beste keuze kan maken. Het geloof in de logos en het zelfdisciplinerende vermogen van de mens kan best leiden tot iets wat lijkt op het experiment met de muizen eerder genoemd.

Paragraaf 7.2 stelt het begrip Thymos (hart/ziel) centaal. Voor de mens zijn bepaalde (menselijke) zaken belangrijk. Dit zijn zaken waar we van houden. De natuur zegt niets over waar we van houden. De mens vertelt zichzelf waar het van houdt (of niet).
Plato stelt kort door de bocht dat het vegetatieve deel van de mens platte dingen wil zoals een Big Mac, maar dat de mens ook deze eerste behoeftes wil overstijgen. Dit zijn hoogstaande thymotische behoeftes (p. 249). Fukuyame en Sloterdijk geven aan dat de mens altijd de natuur en de materie tracht te overstijgen. Het is niet zelden dat we voorbeelden tegenkomen van mensen die in iets meer geloven dan platte consumptie. Mensen voor wie het leven zelfs opgeofferd mag worden voor dit hogere goed. Blijkbaar is de ziel in staat om meer te willen dan platte consumptie. In dit kader vinden we het idee van het cultiveren van de ziel/geest. Hierbij wordt de ziel/geest/logos gestimuleerd om op volstrekt unieke en menselijke wijze het hogere te verbeelden. Kunst, cultuur, wetenschap, liefde, en ga zo maar door spelen belangrijke rollen in het vormen van de mens en het denken. Dit Bildungsideaal staat niet los van de werkelijkheid. De werkelijkheid vormt de mens en de mens vormt de werkelijkheid. Hier vinden we Hegel en Goethe terug. Dit denken gaat in tegen de opvatting dat de mens een zelf-kiezend individu is dat wordt gedreven door zelfbehoud (Hobbes) en het najagen van geluk (Locke). Heel veel mensen zijn zich bewust van hun handelen en dat het eigen zelfbehoud en geluk opgeofferd kan worden voor iets hogers dan het primitieve geluk. Hiervoor willen mensen zelfs het eigen leven opgeven, risico’s nemen en daardoor aangeven dat ze vrij zijn voor zichzelf en voor anderen. De ultieme vrijheid is niet het consumeren en zelfbehoud, maar voor het hogere goed tegen de massa in te kunnen gaan en in vrijheid de andere keuze te maken.

In het einde van The Dark Knight Return neemt Batman de schuld op zich. Hij kan die persoon zijn die Gotham nodig heeft. Als dat betekent dat hij de schurk moet worden, dan is dat zo. Hij kan voor het grotere goed zichzelf opofferen.


HGL – Week 20

54. De kandidaten kunnen met voorbeelden uitleggen dat passies zich volgens Freud manifesteren buiten het bewustzijn om, onder meer in ons consumptiegedrag. Daarbij kunnen zij hierover een beargumenteerd standpunt innemen.

Freud onderscheidt drie delen van de “persoonlijkheid”, namelijk:

I. Über-ich (overstijgende ik/superego)
II. Ich (ik/ego)
III. Es (het/it)

Über-ich – De mens ontwikkelt zich vanaf de geboorte. De mens leert hierbij de heersende, normen, waarden en tradities van zijn of haar omgeving (socialisaties). De mens ontwikkelt samen met anderen ook een idee van wat het “goede” is om te doen. Het Über-ich staat voor het geweten en het geweten is sterk verbonden met de mensen in de persoonlijke omgeving.

Ich – De mens heeft bewustzijn. Alles waarvan het zich bewust is, noemt Freud “ich”. Ik (ich) ben me bewust van het feit dat ik deze zin aan het typen ben. Ik ben me bewust dat ik slecht tegen mijn verlies kan (of goed).

Es – De mens beschikt over een onbewuste, geestelijke energie (getransformeerde vervulling van seksuele energie, p. 241). Noem het instincten of natuurlijke behoeftes. Volgens Freud zijn deze onbewuste instincten ongrijpbaar rationeel, maar sturen ze ons wel. Freud, en dit is twijfelachtig, stelt dat iedere mens onderdrukte, seksuele behoeftes heeft en dat deze tot uitdrukking moeten komen op de een of andere manier.

Deze “een of andere manier” kunnen we observeren. Denk hierbij aan de gefrustreerde man die niet aan zijn “trekken” komt en op een gegeven moment zichzelf niet meer kan beheersen. Het “ich” is zich niet bewust van die onbewuste frustraties en het Über-ich (geweten) weet voorlopig nog wel het leven in bedwang te houden (zelfdiscipline), maar wanneer de frustratie te hoog oploopt, moet het eruit. Net als in de film Fight Club zien we de onbewuste neigingen van mensen, frustraties etc., die er toch op de een of andere manier uit moeten.
Op pagina 242 wordt gesproken over het “monsterverbond”. Stel je voor je bent de baas van een reclamebureau. Je wilt een bepaald product verkopen. Laten we zeggen dat je als leraar het vak filosofie wilt verkopen aan je leerlingen :). Je vraagt aan leerlingen wat ze willen. Ze geven van alles aan. Ze zijn zich bewust van wat ze willen (ich) en weten ook wat op school wenselijk is (Über-ich). Veel scholen houden bijvoorbeeld leerlingenquetes en vragen ouders om hun opvattingen, net als leraren overigens. Dit is over het algemeen de manier hoe veel mensen denken. Maar stel je eens voor dat Freud gelijk heeft. Leerlingen, leraren, ouders, schooldirecteuren hebben onbewuste (seksuele) neigingen waar ze dus allemaal geen weet van hebben. Jij als leraar/reclamemaker gaat vervolgens niet vragen naar de bekende weg (wat wil je als leerling), maar je gaat massaal onderzoeken welke verborgen en onbewuste verlangens leerlingen hebben. Je komt erachter dat ze allemaal extra aandacht geven aan foto’s van het achterwerk van Kim Kardashian en bij het zien van een naakte vrouw die aan het kantklossen is, terwijl ze aan een lolly zucht (ik noem maar iets heel fouts en denigrerends en moreel verwerpelijks). Je gaat vervolgens onderzoeken hoe je het beste lesprogramma kunt maken die aansluit bij de (onbewuste) behoeftes van leerlingen. Vragen met bronnen waarin naakte vrouwen komen met lolly’s, etc. verpakt in een “formeel” jasje en waarbij je als leraar achteraf natuurlijk vraagt hoe de leerlingen het programma vonden en speciaal de lesstof. De leerlingen zeggen misschien, de lesstof was heel goed, maar stiekem weet jij als onderzoeker dat het niet de lesstof is, maar de foto’s en de lolly’s die leerlingen aanspreekt. Zo manipuleer je mensen zonder dat ze het zelf weten. Zo maak je van consumenten slaven van de verleiding.
In de laatste alinea op pagina 242 wordt gesproken over de verdamping van het kernprobleem. Het onbewuste gedrag wordt door onderzoek bewust gemaakt (denk aan fake news en de Trump-campagnes). Alleen weten de consumenten veelal zelf niet hoe hun onbewuste gedrag concreet is gemaakt en wie deze informatie heeft (denk aan de grote 5 van van Silicon Valley). Hoeveel macht hebben Microsoft, Apple, Facebook, Amazon en Google? Hoeveel weten ze over “Es”, over het onbewuste, over mijn en onze onbewuste neigingen? Hoe dichter ze bij de “waarheid” komen, hoe problematischer. We zijn dan gevoelig voor onbewuste manipulatie. Ons lichaam kan dan gestuurd worden op bepaalde hoogte. De vraag blijft natuurlijk of we überhaupt in staat zijn om bewust iets te weten te komen over het onbewuste. De Theory U en de IJsbergtheorie is heel populair tegenwoordig. Deze theorieën stellen dat er veel onbewust gebeurt in onze geest, maar dat we dit kunnen “openbaren” via introspectie/zelfinzicht. Dit lijkt ook op wat de grote 5 van Silicon Valley pogen te doen: het inzichtelijk maken van het onbewuste. Het is maar zeer te vraag hoever wij hierin gaan komen, maar daarmee niet minder relevant als thema!

Als laatste is het belangrijk om de derde paragraaf van pagina 242 over de jaren 60 te duiden! Wanneer iemand aanneemt dat de mens onbewuste neigingen heeft en vervolgens ook gaat definiëren wat de oorzaken zijn van deze neigingen (onderdrukte seksualiteit), dan kun je ook een platte regel (norm) opstellen waarbij je bijvoorbeeld zegt dat monogamie afgeschaft moet worden en dat kinderen niet meer onderdrukt moeten worden, maar juist vrijgelaten moeten worden zodat ze geen uitbarstingen (zie Fight Club) meer krijgen. In het onderwijs zien we deze richting ook wel terug bij ouders en kinderen die stellen dat het kind vrij moet spelen omdat het anders gevoelens en neigingen gaat onderdrukken en dat is heel ongezond en slecht. Let wel op! Wanneer je zo normerend naar het onbewuste kijkt, dan moet je al aannemen dat er veel onbewust gebeurt. Je moet ook weten wat er gebeurt en je bepaalt vervolgens ook dat dit bij iedereen gebeurt.

De paradox bestaat dat de vrije mens aanneemt dat er onbewust van alles gebeurt. Dat de vrije mens ook weet wat er gebeurt. Dit wordt dan een nieuwe maatschappelijke norm: het Über-ich (geweten) stelt dat het goed is om je (seksuele) gevoelens niet te onderdrukken en de grote bedrijven en reclamemakers proberen hierop in te spelen omdat je zo producten kunt verkopen.


55. De kandidaten kunnen het onderscheid dat Arendt maakt tussen arbeiden, werken en handelen uitleggen, toepassen en evalueren.
Daarbij kunnen zij uitleggen dat volgens Arendt in de moderne consumptiemaatschappij arbeiden dominant is geworden.

Arendt onderscheidt drie basiselementen voor het mens-zijn (vita activa):

I. Arbeid
II. Werk
III. Handelen

Arbeid: noodzakelijk handelen gericht op het overleven in een natuurlijke omgeving (eten verbouwen, etc.)
Werk: creëren van nieuwe zaken zoals een gebouw, technieken, etc.
Handelen: nieuwe initiatieven samen met anderen (vraagt om een moreel-ethische stellingname – wat is het goede om met elkaar en voor elkaar te maken?)

Arbeid is het laagste werk. Bij de oude Grieken zijn dit soort handelingen voor onvrije mensen zoals vrouwen en slaven.
Werk draait om het creëren van technieken. Niet zelden technieken die voort blijven bestaan ook als de maker sterft. Technieken die ons leven in de natuur makkelijke maken. Technieken die ervoor kunnen zorgen dat we nog minder arbeid hoeven te verrichten. Technieken kunnen ook destructief zijn (atoombom), maar ook helpen (betere landbouwtechnieken en zorg). Door werk ontworstelt de mens zich van de natuur.
Handelen draait om het politieke en dus om macht. Mensen bepalen samen (diegenen met meer macht bepalen meer) wat voor werk wenselijk is (geen massavernietigingswapens maar betere zorg bijvoorbeeld).

Handelen is waar vrijheid is om samen met anderen vorm te geven aan de wereld met elkaar gericht op waar we samen heen willen. Het handelen van mensen kan ook het werk in de weg zitten. Denk hierbij aan de techneuten die geen arbeid verrichten, maar een nieuwe machine aan het programmeren zijn omdat ze het gaaf vinden om te programmeren. Maar wanneer ze niet nadenken over de gevolgen en/of wanneer de samenleving bepaalt dat ze deze machine niet willen (te gevaarlijk of gewoon niet nuttig), dan kan de werkende techneut boos worden omdat hij niet kan creëren. Hij kan dan het gevoel hebben niet vrijgelaten te worden in zijn of haar streven iets te creëren. Vrijheid zit niet, in lijn met Arendt, in het creëren van iets, maar dus in het politieke spel waarbij we samen bepalen wat het goede is… in het ethische handelen dus!

Problematisch is, zoals Arendt analyseert een paar honderd jaar na Locke, Marx en Hegel, het gegeven dat de protestantse ethiek (zie week 6 over de opkomst van het protestantisme en burgerrechten) heeft gezorgd voor juist het centraal stellen van de arbeidsethos: het is goed om hard te werken. Zo vergaat je bezit en kun je als autonome burger worden wie je wil worden. Hoeveel mensen zijn wel niet opgevoed met het idee dat arbeid “vrij maakt”? Cynisch genoeg staat bij binnenkomst van het concentratiekamp Auswitch: “Arbeit macht frei”. Het is niet per definitie verkeerd om hard te werken, maar het protestantisme ten tijden van Locke en later Marx (Marx zette de arbeider zelfs centraal – de arbeider moet zich bewust worden van zijn noodzakelijke plek in de samenleving en dan in opstand komen), zetten het harde werken, de arbeid specifiek, centraal.
Het is misschien een beetje plat, maar wellicht verhelderend. Loop eens door de school en kijk naar leerlingen en leraren. Creëren ze iets nieuws (werk), zijn ze aan het handelen (ethiek en onderlinge afstemming) of doen ze dingen die louter noodzakelijk zijn (arbeid)? En in hoeverre zijn deze zaken echt noodzakelijk? Een van de mogelijke kritieken op Marx zou ook kunnen zijn of er nog wel echte noodzaak bestaat. Is er nog wel zoiets als arbeid? Toch kan ik me niet van de indruk onttrekken dat ik vaak mensen zogenaamde noodzakelijkheden die doen, die ze zelf noodzakelijk vinden, maar waarbij het nut onduidelijk is. Mensen die 10x per dag (verslaving) schoonmaken of ’s avonds nog even een schoolopdracht in elkaar gaan zetten of weer controleren of het stappenplan voor morgen duidelijk is. Er zijn zelfs mensen die figuurlijk gesproken met de hamer door de straat lopen, hopende ergens iets vast te kunnen timmeren.

Loop dus eens door de school. Wat denk jij? Had Hannah Arendt een punt toen ze aangaf dat de oude Grieken qua ontwikkeling op het gebied van het mens-zijn verder ontwikkeld waren dan de moderne mens in de hedendaagse consumptiemaatschappij?

Primaire tekst (12): Hannah Arendt – De menselijke conditie
59. De kandidaten kunnen uitleggen dat Arendt de kunstenaar de enige overgebleven ‘werker’ in een maatschappij van arbeiders noemt en dat in de moderne tijd alle activiteiten van de mens die geen arbeid zijn, spel of hobby genoemd worden.

Arendt (p. 428) stelt dat “we er bijna in zijn geslaagd alle menselijke activiteiten te herleiden tot die ene activiteit”. Deze activiteit bestaat uit het in overvloed verschaffen van middelen (producten) (voor consumptie). Mensen worden arbeiders. Arbeiders maken producten. Hoe harder arbeiders werken, hoe meer producten ze kunnen maken, hoe meer geld ze kunnen verdienen en hoe meer ze weer kunnen consumeren.
De mens wordt geacht “de kost te verdienen” (p. 428).
Arbeid is de serieuze activiteit waarvan het resultaat niet interessant is, behalve dat het geld oplevert (voor consumptie) door verkoopbare producten te maken (de kwaliteit doet er niet toe en ook niet wie het product consumeert. Wat telt is dat het geconsumeerd wordt).

Het enige “beroep” wat niet gericht is op de kost verdienen en productie, is het beroep van de kunstenaar. De kunstenaar werkt aan iets nieuws. Hij (of zij) probeert iets te creëren omwille van de creatie en niet omwille van de noodzakelijkheid om geld te verdienen om te kunnen consumeren.
Hier ontvouwt zich het verschil tussen de arbeider en de werker! Echter, in de moderne samenleving staat, sinds Locke, Smith en Marx, het arbeidersideaal en haar protestantse werk-/arbeidersethiek centraal met als gevolg dat het werken aan iets nieuws gelijkgeschakeld wordt aan een hobby. Twee jaar geleden was minister Wiebes te gast bij het tv-programma Zomergasten. Wiebes werd gevraagd naar zijn opvatting over kunst en kunstsubsidies. Zijn antwoord was: “De ene hobby is niet beter dan de andere.” Arendt lijkt een punt te hebben wanneer ze op pagina 429 analyseert hoe het spel (van de kunstenaar) zijn “wereldse betekenis” heeft verloren. Verloren aan het arbeidsideaal voor wie maar één activiteit telt: hard werken (arbeiten) om het werken (niet omwille van wat je wilt creëren) en de rest is vrije tijd/hobby… De homo ludens (spelende mens) is een leuke hobby, maar niet het primaire doel van een samenleving waarin de arbeider hard moet arbeiten.

60. De kandidaten kunnen uitleggen dat Marx’ ideaal van de animal laborans volgens Arendt op een verkeerde vooronderstelling berust en dat dit ideaal noodzakelijk leidt tot een economie van verspilling, waardoor de mens uiteindelijk zijn tehuis zal verliezen. Tevens kunnen zij deze opvattingen van Arendt herkennen, toepassen en beoordelen.

Marx stelde dat wanneer de Arbeider bewust zou worden van zijn noodzakelijke positie, dat deze in opstand zou komen en de macht naar zich toe zou trekken. De arbeider verricht het noodzakelijke werk. Zonder de arbeider, is er geen leven mogelijk. Marx, zo stelt Arendt, ging er wellicht vanuit dat de arbeider zijn macht zou inzetten om ook als een kunstenaar aan het werk te gaan door nog betere technieken te bouwen, waardoor er minder lagere arbeid nodig is. En uiteindelijk zou de Arbeider via politiek dus bepalen/handelen in lijn met wat het goede is om te doen.

Maar, zo stelt Arendt, deze hogere bevrijding van de Arbeider heeft niet plaatsgevonden. Een nieuwe onvrijheid is hierdoor juist ontstaan. De arbeider moest hard gaan werken om zichzelf te bevrijden van het juk van de bourgeoisie. In werkelijkheid zorgde dit voor arbeiders die harder gingen produceren om nog meer geld te verdienen om nog meer te consumeren. Omdat er nog meer werd geconsumeerd, moest er nog meer worden geproduceerd, waardoor de arbeiders nog harder moesten werken. Waardoor de arbeiders nog meer geld gingen verdienen voor consumptie, waardoor er nog meer producten geproduceerd moesten worden, etc. etc. Het mag duidelijk zijn dat hier 1. geen sprake is van een manier van werken waarbij de kunstenaar voorop staat, 2. het politieke debat nauwelijks wordt gevoerd omdat individuen vooral bezig zijn met nog harder produceren om nog meer en sneller te consumeren, 3. waardoor er een armoedige samenleving/cultuur ontstaat die de samenleving en de natuur (te veel consumptie) verbruikt (met nauwelijks ruimte voor mensen die met elkaar vorm geven aan de wereld maar vooral voor zichzelf produceren en consumeren) en 4. de mens en zijn cultuur niet alleen minder ontwikkeld lijkt te zijn in vergelijking met de Oude Grieken, maar ook nog eens in een vicieuze cirkel is beland met alle mogelijke gevolgen van dien. En als laatste is een wereld waarin één visie op het active leven (vita activa) in termen van de mens die arbeid verricht, een wereld zonder andere perspectieven en visies. Een wereld zonder een diversiteit aan visies en denken, is een wereld die totalitair kan worden. Totalitarisme/fascisme/nazisme kan niet bestaat in een pluriforme wereld met een diversiteit aan visies en denkwijzen. In de moderne tijd dreigt de arbeidsethiek en het daaraan gekoppelde vicieuze cirkel van productie en consumptie dé visie op samenleving te worden.

Hannah Arendt omschrijft in dit artikel de voorboden van de consumptiemaatschappij… een vicieuze product- en consumptiepatroon, gebouwd op een protestantse arbeidsethiek die door vrijwel iedereen op individueel is overgenomen en waar nauwelijks nog aan getornd wordt. Ze is wellicht een van de strijders voor de natuur en de mens avant la lettre!