HGL – Week 19

52. De kandidaten kunnen de opvatting van Bentham uitleggen, toepassen en beoordelen dat ons handelen wordt bepaald door het nutsprincipe en de mens primair wordt begrepen als een belichaamd zelf dat allerlei prikkels ondergaat en gedreven wordt door het najagen van genot en het voorkomen van pijn.
Tevens kunnen zij uitleggen dat Benthams benadering een vorm is van modern economische denken, waarbij de consument calculerend bezig is om zijn leven zo aangenaam mogelijk te maken.
Bentham begint met een aanname. Deze aanname moet worden geaccepteerd om vervolgens zijn redenering te kunnen volgen. Deze aanname is dat de natuur de mensheid heeft “geplaatst onder de heerschappij van twee ‘soevereine meesters'” (p. 237). Deze twee meesters zijn (en dit moet dus aangenomen worden): 1. pijn en 2. plezier. Ieder mens wordt gestuurd door 1. het najagen van plezier en 2. het voorkomen van pijn.
Dit principe heeft een naam: “principle of utility”, oftewel het nutsprincipe! Nut moet vervolgens worden gedefinieerd als het voortbrengen van geluk of voordeel enerzijds en het tegengaan van pijn en ongeluk. Iedereen is, zelfs de meest vrome persoon op aarde, op een of andere manier bezig met het voortbrengen van geluk/voordeel en het tegengaan van pijn/ongeluk.

Nadat is aangenomen dat ieder mens altijd op de een of andere manier geluk nastreeft, is het belangrijk om de volgende stap in Benthams redenering te volgen:
Voorwaardelijk voor het voortbrengen van geluk/voordeel of het tegengaan van pijn/ongeluk, is de aanwezigheid van een lichaam. Het lichaam kan pijn doen of geluk ervaren. Zonder lichaam geen pijn en geen geluk.
Nadat we deze stap aannemen, dat zonder lichaam geen pijn en geen geluk kan worden ervaren, is het noodzakelijk aan te nemen dat het lichaam (subject) “prikkels” ondergaat in de wereld. Denk bijvoorbeeld aan het thema prikkelgevoeligheid bij steeds meer jongeren in het autisme-spectrum of kinderen met ADD op een leerplein die mogelijk “een teveel aan prikkels, (krijgen) waardoor hij/zij zich wat terugtrekt om die vele prikkels te verwerken. Hij/zij krijgt teveel opties om uit te kiezen, waardoor een keuze wordt uitgesteld.” In deze tijd van social media en self-exposure, met porno, games en instant whatsapp berichten, krijgen steeds meer mensen steeds meer prikkels. Dit kan problematisch worden.
Bentham (p. 238) komt met een laatste criterium. Dit criterium is op de samenleving gericht. Het gaat uiteindelijk niet om het voortbrengen van geluk/voordeel en het tegengaan van pijn/ongeluk in deze wereld vol prikkels. Het gaat ook niet om ervoor te zorgen dat jij de goede prikkels krijgt die zoveel mogelijk geluk voortbrengen. Het gaat erom, volgens Bentham, om in deze wereld te zorgen voor zoveel mogelijk geluk/voordeel voor zoveel mogelijk mensen in deze wereld. Dus niet alleen voor jezelf. Oftewel Benthams universeel geluksbeginsel: “Het grootste geluk voor het grootste aantal mensen”. Dit beginsel moet altijd en overal de leidraad zijn.

Maar hoe weet je wat zoveel mogelijk mensen gelukkig maakt? Welke criteria hanteer je hiervoor? In week 1 kwam figuur 2.7 met de Ranking of Happiness al voorbij. Diegenen die deze ranking hebben opgesteld, hebben hiervoor (ongetwijfeld met veel onderzoek onderbouwd) criteria opgesteld op grond waarop ze de conclusie konden trekken dat land X “gelukkiger” is dan land Y. Maar net zoals mensen zijn de verschillen gigantisch. De ene mens ervaart minder snel pijn of kou en de andere mens ervaart een geluksmoment langer dan de ander. Sommigen raken meer ontroert door een mooi gedicht dan anderen. Idem voor de ervaring van liefde, consumptie en ga zo maar door.

Eindterm:
Tevens kunnen zij uitleggen dat Benthams benadering een vorm is van modern economische denken, waarbij de consument calculerend bezig is om zijn leven zo aangenaam mogelijk te maken.

Om uiteindelijk tot een slotsom te kunnen komen wie of welk land gelukkiger is, moeten criteria onderzocht worden en vervolgens afgewogen worden. Denk hierbij aan een leerling die een slecht punt heeft gehaald vandaag voor een toets en gisteren niet heeft geleerd, maar daardoor gisterenavond wel naar zijn of haar favoriete concert kon gaan. De afweging is dan dat het concert meer plezier oplevert dan dat het slechte punt pijn realiseert.
“Alles is calculeerbaar geworden” (p. 239)!
Hoe zien we dit terug in het moderne economische denken en eigenlijk in ons allemaal? In hoeverre zijn wij allemaal een op consumptiegerichte homo economicus/calculerende mens? Laten we een leerling als op consumptiegerichte, calculerende mens als vertrekpunt nemen.

Op de website van het Udens College staat: “We willen leerlingen op maat ondersteunen om de eigen ambities waar te maken. Ze krijgen steeds meer regie over het eigen leerproces. Een coach begeleidt de leerlingen bij het maken van keuzes.” Een ambitie waarmaken wordt gelinkt aan het regie krijgen over het eigen leerproces. Tijdens dit leerproces wordt de leerling begeleid in het maken van keuzes.
Een keuze is een afweging. Kies is dit of kies ik dat. Daarnaast draait de keuze om de eigen afweging, niet die van de leraar/coach. Dit wordt ambitie genoemd. Uiteindelijk is het streven dat de moderne leerling zelf bepaald hoe “het eigen leerproces” vorm krijgt. Hierbij is het natuurlijk noodzakelijk om te weten waar je gelukkig van wordt. Wanneer je weet waar je gelukkig van wordt, kun je doelen stellen. Leraren moeten dan ook leerlingen helpen in het opstellen van doelen.
Dit wordt in het boek “berekenend en vergelijkend denken” (p. 239) genoemd. Dit is de soort rationaliteit (niet poëtisch of muzikaal en ook geen communicatieve rationaliteit zoals bij Habermas, p. 210) die tegenwoordig aan de winnende hand is en waar overal, vanuit scholen en overheden steeds vaker op gestuurd wordt (niet zonder kritiek overigens).
Denk hierbij ook aan het kiezen van je eigen zorgverzekering, vervolgopleiding, kinderopvang, tandpasta, Sociaal Medium, wel of niet een bericht posten online, God mag weten wat. Ergens is het maar de vraag of mensen wel zo goed kunnen calculeren en vergelijken. Herbert Simon kwam tot de conclusie dat de calculerende mens maar beperkt calculerend is. Dit idee wordt ook wel “bounded rationality” genoemd. Slechts in zeer eenvoudige situaties, kunnen redelijk intelligente mensen de juiste keuze “uitrekenen”.
Vorige week werd Foucault aangehaald. Foucault sprak over “biopolitiek”. Biopolitiek is “a complicated concept that has been used and developed in social theory since Michel Foucault, to examine the strategies and mechanisms through which human life processes are managed under regimes of authority over knowledge, power, and the processes of subjectivation.” Wat zijn dan deze strategieën en mechanismes die het menselijk leven “managen”? Een van deze strategieën en mechanismes draait om het stimuleren en vrijwel voor vanzelfsprekend cultiveren van het idee dat de mens een zelf-kiezende, autonome burger is/moet zijn. Deze strategie wordt vrij makkelijk overgenomen, omdat veel mensen het idee hebben dat een mens geen mens is wanneer hij of zij niet kan kiezen. Kiezen is waarschijnlijk voor veel mensen een essentieel onderdeel van het leven. Niemand zegt zomaar: “Ik kan niet kiezen”. Mensen willen misschien niet kiezen en willen dan misschien dat anderen voor ze kiezen, maar niemand zal uiteindelijk zeggen dat hij of zij niet in staat is te kiezen. Dat maakt het ideaal van de calculerende mens, de homo economicus, ook als biopolitiek thema zo moeilijk te weerleggen.
Op pagina 239 wordt terecht het verschil tussen hedonistisch denken en utilistisch denken aangehaald. Hedonistisch denken neigt meer naar de leerling die voor zichzelf, los van de samenleving, kijkt wat het nut is voor hem of haar persoonlijk. Dit is meer individualistisch denken. Utilistisch denken kijkt naar het geluk voor zoveel mogelijk mensen en is daarmee meer collectivistisch denken. In beide gevallen is er sprake van een calculerende burger.
De calculerende burger wordt herkend aan een samenleving waarin iedereen van alles moet beleven. En bedrijven moeten belevingen verkopen. Iemand moet geprikkeld worden iets te kopen/consumeren. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar wat men wil, maar ook hoe men ervoor kan zorgen dat iemand iets wil/geprikkeld wordt. Talloze intelligente systemen/technieken berekenen wat mensen willen of denken te willen en prikkelen deze mensen met aanbiedingen, etc. om het genot maar (op korte termijn) te stimuleren. Het is maar zeer de vraag of een dergelijke wereld houdbaar is. Heidegger benadrukte al dat een mens niet alleen wil, maar altijd meer wil. Iedereen wil vooruit. Meer geld, meer liefde, meer geluk. De nadruk op het calculeren van geluk, kan ook verslavend werken zoals vorige week al besproken werd… Men wil steeds meer beleven… lijstjes afvinken… de wereld rondreizen, meer likes, meer suiker, meer sport, een beter lichaam, meer seks, meer “vrienden”, meer gamen, leukere lessen, betere leraren, hogere punten (met minder energie) en ga zo maar door.


53. De kandidaten kunnen de opvatting van Kant dat de goede wil – als het vermogen om zichzelf te bepalen – het grondprincipe is van ons handelen uitleggen, toepassen en beoordelen. Tevens kunnen zij vanuit deze opvatting kritiek leveren op de utilitaristische opvattingen van Bentham door uit te leggen dat we onvrij – en niet autonoom – zijn als we ons niet laten leiden door redelijkheid maar door lichamelijke prikkels van genot en pijn.
Let op! Bentham is extern gericht. Hij gaat uit van het (utilistische) idee dat de mens geprikkeld wordt van buiten. Goede punten wil je niet omdat je het wil, maar omdat je van buiten gestimuleerd wordt om goede punten te halen. Haal je geen goede punten, dan word je niet goed van buiten (door de leraren, de school, je ouders, etc.) gestimuleerd. Jouw geluk is afhankelijk van de prikkels van buiten.
Neem nu de uitspraak: “Ik wil taart”. Voor een taart ben je afhankelijk van de buitenwereld. Wanneer je echt taart wilt, dan ben je niet geheel vrij. Je wordt gestuurd/geprikkeld door de wens/behoefte een taart te kunnen eten. En deze taart moet bereid worden. Wanneer dat niet kan, dan ben je overgeleverd aan ongeluk. Je kunt niet anders dan ongelukkig zijn, want het is niet mogelijk om een taart te maken. Je wordt daardoor ook afhankelijk van de buitenwereld.
Kant benadrukt, net als Bentham, dat de mens beïnvloed wordt door (dierlijke) neigingen en behoeftes. Maar de mens is niet overgeleverd (p. 237) aan deze neigingen.
De uitspraak “Ik wil taart” hoeft zich niet alleen te richten op de taart, maar kan zich ook richten op het innerlijke: ik, oftwel: “Ik wil”. Hier komt de vraag naar boven: “Wat wil ik?” en “Waarom wil ik dat?” en “Wat zou ik moeten willen?”. Kant stelt dat we niet alleen overgeleverd zijn aan onze neigingen/behoeftes, maar dat we de autonome, vrije keuze kunnen maken om iets anders te willen… om onze neigingen te weerstand en verantwoordelijkheid te nemen! (Zonder deze autonomie aan te nemen is de mens niet vrij (zie ook eindterm 57)).
Maar in de hedendaagse consumptiemaatschappij vol met verslavingen (vetzucht, drugs, games, etc.) valt deze verantwoordelijkheid voor velen erg zwaar en dreigt de mens overprikkeld te worden. Aan de andere kant we moeten aannemen dat de mens de/zijn/haar natuur kan overwinnen. Pas dan kunnen we vrij zijn volgens Kant, niet overgeleverd aan de prikkels uit de natuur.

Primaire tekst (11): Immanuel Kant
57. De kandidaten kunnen aangeven wat Kant verstaat onder goede wil en kunnen uitleggen dat deze volgens hem van absolute waarde is.

58. De kandidaten kunnen uitleggen dat het vrije handelen volgens Kant aan een algemene wetmatigheid gebonden is. Tevens kunnen zij uitleggen aan welke specifieke eis de wetsvorm van het goede handelen moet voldoen.

Kant schrijft (p. 419): “Matiging van prikkels en passies, zelfbeheersing en nuchter beraad zijn niet alleen in velerlei opzicht goed, maar lijken zelfs deel uit te maken van de intrinsieke waarde van de persoon”. In de vorige paragrafen werd het verschil tussen de externe prikkels (Bentham) en de interne wil (Kant) al benadrukt.

Kant stelt dat een goede wil niet goed is door het effect (zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen), maar alleen goed is wanneer iemand het goede wil doen. Iemand kan namelijk iets heel slechts willen, wat toevallig goed uitpakt. Kant stelt dat je het goede moet willen en niet naar het effect/nut moet kijken. De goede keuze is geen kwestie van calculeren en afwegen, maar een kwestie van de wil en het goede willen.

Kant spreekt (p. 420) over de derde propositie in termen van “achting voor de wet”. Achting staat voor aanzien, bewondering en eerbied. De wet staat voor het moreel zuivere en juiste om te doen/willen. Kant stelt al het ware dat het niet bewonderenswaardig is om iets slechts te willen wat goed uitpakt. Bewondering/achting (subjectieve zuivere achting, p. 420) krijgt iemand die het goede wil omdat het goed is om het goede te willen en niet omdat het goede toevallig goed uitpakt.

Deze subjectieve zuivere achting leidt volgens Kant tot een objectieve wet (dit woord een “maxime” genoemd). De wet luidt: “Ik behoor nooit anders te werk te gaan dan zo dat ik ook zou kunnen willen dat mijn maxime een algemene wet zou worden” (p. 421).

Lees ook eens het volgende artikel waarin tekenen van persoonlijke nutsmaximalisatie zichtbaar worden in zoiets kwetsbaars als een liefdesrelatie.

I’m in love with my wife’s best friend and it is making me ill

https://www.theguardian.com/lifeandstyle/2020/mar/01/im-in-love-with-my-wifes-best-friend-and-it-is-making-me-ill-mariella-frostrup?CMP=Share_AndroidApp_Kopi%C3%ABren_naar_klembord

Geef een reactie

vier × een =