HGL – Week 6

15. De kandidaten kunnen de opvatting uitleggen dat het opstellen van burgerrechten mede voortkomt uit de protestantse religieuze levenservaring. Daarbij kunnen ze uitleggen wat Locke bedoelt met ‘de rechten van het vrije individu’ en wat Kant voor ogen heeft met ‘het autonome individu’.
(Zie vorige week: https://filosofie.gruijthuijzen.nl/hgl-week-5/ – specifiek de laatste paar alinea’s)

16. De kandidaten kunnen de aan het protestantisme ontsproten kritiek van Kierkegaard op de opvattingen van verlichtingsfilosofen over het autonome individu weergeven, toepassen en evalueren.
(Als mogelijke Essay-opdracht?)

17. De kandidaten kunnen de opvatting dat authenticiteit kenmerkend is voor de moderne invulling van het goede leven, uitleggen en evalueren.
Authenticiteit komt van autos (zelf) en hentes (doen of zijn), zie: https://www.etymonline.com/word/authentic. De moderne invulling van het goede leven vertrekt vanuit het idee dat ieder mens in staat is om (even heel kortzichtig uitgedrukt) zelf dingen te doen (zelfsturing) en zichzelf te zijn (identiteit). Iemand met een vrije wil, kan zelf dingen doen en kan aan zichzelf werken. Zijn er überhaupt wel mensen die in staat zijn om dingen niet te doen en niet aan zichzelf te werken?
(Luister ook eens naar het liedje Iron Sky van Paolo Nutini, zie filmpjes onderaan. Wanneer mensen de Iron Sky – een geestdodende opgelegde wereld) wordt overwonnen, dan is er vrijheid)
Alles wat iemand doet en is, is dan ook een eigen verantwoordelijkheid en dit verplicht individuen om na te denken over wat ze doen en wie ze willen zijn (dat is vrijheid!). Lees eens de missie en visie van het Udens College (of een willekeurige andere school of universiteit): https://www.udenscollege.nl/udens/missie-en-visie/. Het gaat hier over verantwoordelijkheid, leerling als vertrekpunt (voor ontwikkeling), vertrouwen in elkaar, ambitie, etc. Typisch moderne opvattingen van het goede leven centraal in veel democratische rechtsstaten. Opvattingen die ten tijden van Plato en Aristoteles niet zo vanzelfsprekend waren.
(Wanneer echter deze moderne opvatting een “Iron Sky” wordt en mensen geestdodend deze opvatting volgen zonder na te denken, dan is dat weer het tegenovergestelde van vrijheid. Deze paradox wordt verderop uitgewerkt!)

Primaire tekst (2): John Locke – Tweede verhandeling over het staatsbestuur
18. De kandidaten kunnen uitleggen wat de natuurwet volgens Locke inhoudt. Daarbij kunnen zij de volgende aspecten uitleggen, toepassen en beoordelen: – op welke manieren mensen gelijk zijn in de natuurtoestand; – welke rechten en plichten mensen van nature hebben; – hoe persoonlijk bezit ontstaat; – hoe vanuit de natuurtoestand een staat kan ontstaan.

Op welke manieren zijn mensen gelijk in de natuurtoestand?
Van nature (dus niet vanuit een samenleving of cultuur) zijn mensen (net als dieren) vrij. Dit is de natuurtoestand. Een toestand van gelijkheid. Mensen beschikken over rede (denken, twijfelen). Van nature zijn mensen vrij om te beslissen (autonomie) “over hun eigen doen en laten en naar eigen inzicht, binnen de grenzen van de wet der natuur” (p. 366). De grenzen van de natuur zijn geen wetten uit wetboeken, maar zijn ons gegeven door de biologie. Denk hierbij aan wetmatigheden die worden gedoceerd bij vakken als natuurkunde, scheikunde en biologie. Mensen leven binnen deze natuurwetten en zijn als zodanig binnen deze natuur “vrij” en kunnen “vrij handelen”. Van nature is er geen aangeboren “gen” van waaruit we kunnen stellen dat er a. een hiërarchie bestaat tussen mensen en dat bijvoorbeeld b. een koning boven het volk staat.
Wanneer iedereen zich begeeft in een natuurtoestand van gelijkheid dan is het onvermijdelijk dat ik a. mezelf liefheb en daarmee alles liefheb wat b. gelijk is aan mezelf. In de natuurtoestand hebben alle gelijken elkaar gelijk lief. Wanneer je iemand die gelijk is aan jezelf geweld aandoet, dan doe je eigenlijk ook jezelf geweld aan.

Welke rechten en plichten hebben mensen van nature?
Locke benadrukt dat de natuurtoestand, met daarin alle gelijke mensen, een natuurwet hanteert die voor alle gelijke mensen verplichtend is: de wet van de rede. Rede is een plicht.
(Sartre zal later stellen dat alle mensen gedoemd zijn tot vrijheid (plicht). Geen enkel mens kan mens-zijn en tegelijkertijd niet denken of twijfelen, dat is onmogelijk. Zelfs over de meest kleine dingen denken mensen na).
Gelijken onder het oog “van een almachtige en oneindig wijze maker”(p. 367). Hier ontvouwt Locke zich als een protestants denker. Dienaren als gelijken onder het oog van een almachtige God, zijn hoogstens eigenaar (slaaf) van God maar niet van elkaar (ze zijn onder het oog van God, gelijken!). God bepaalt hoe lang iemand op aarde leeft. Mensen mogen elkaar niet als eigendom gebruiken en misbruiken, tot de dood toe. Dit is alleen voor God gegeven. De enige hiërarchie is die van God boven de mensen. Mensen onderling kennen geen hiërarchie. Er bestaat dan ook geen gezag/hiërarchie dat behalve God mensen mag doden (gelijkheid is een recht).

Hoe ontstaat persoonlijk bezit?
Nu komt de kwinkslag. Locke stelt vervolgens (deel 7, p. 368) dat mensen weerhouden moeten worden om inbreuk te maken op de rechten van andere gelijke mensen door ze kwaad te doen. De redenering gaat als volgt:
1. Een wet kan alleen wet zijn als deze ook wordt nageleefd. Het heeft geen zin een wet op te stellen die de meerderheid niet deelt. Bijvoorbeeld: op de snelweg mag je vanaf nu niet harder dan 30 km/u rijden. Deze wet kan niet gehandhaafd worden.
2. Een natuurwet kan alleen een natuurwet zijn als deze kan worden nageleefd anders is de natuurwet zinloos.
3. De natuurwet moet gehandhaafd worden, zodat onschuldigen worden beschermd tegen overtreders.
4. Deze handhaving is niet weggelegd voor klein groepje mensen (zoals bijvoorbeeld de Aristocraten bij Plato), maar voor alle mensen. Alle mensen zijn gelijk begiftigd met rede. Alle gelijke mensen mogen evenveel helpen in het handhaven van de natuurwet.

Hoe kan vanuit de natuurtoestand een staat ontstaan?
Eigendom is voor Locke cruciaal. Eigendom verbindt Locke met (hand)arbeid. Eigendom dient volgens Locke via de wetten van een staat beschermd te worden.
(Mensen maken dingen, technieken, plannen, scholen, lessen, telefoons, yoga-cursussen. Mensen halen materialen uit de natuur en geven hier vorm aan.)
Het maken is arbeid, de vorm het product. Het product is iets nieuws wat nooit zonder deze arbeidende mens in de natuur was geweest. Het product en de arbeid die tot dit product heeft geleid, behoren toe aan deze arbeidende mens. Het product als de arbeid zijn zijn (of haar) eigendom! Hij arbeidt en hij heeft het product gemaakt.
(De vragen die opkomen zijn: A. behoren de materialen die gebruikt zijn voor het product niet nog steeds toe aan allen? En behoort daarmee het product niet (voor een deel) toe aan allen? In een tijd waarin het klimaat steeds belangrijker wordt, lijkt een colaflesje onschuldig, maar het bestaat uit plastics en deze behoren weer toe aan een aarde met eindige grondstoffen en grenzen. Locke leefde in een grenzeloze wereld. Deze wereld bestaat niet meer. Locke hint wel naar een dergelijke wereld wanneer hij stelt: “(…) in elk geval als er in gemeenschappelijk bezit voldoende van even goede kwaliteit is overgebleven voor anderen” (p. 369)
B. Maken mensen nog een product in hun eentje? Wat is het gevolg van productiewerk, waarbij individuen slechts een schakeltje zijn in bijvoorbeeld de productie van een auto? Aan wie behoort dan de auto toe?)

19. De kandidaten kunnen uitleggen welk doel de stichting van een staat heeft volgens Locke. Daarbij kunnen zij de volgende aspecten uitleggen, toepassen en beoordelen: – dat daartoe een wetgevende en een uitvoerende macht nodig zijn; – welke vermogens (powers) van de mens in de natuurtoestand daartoe gedeeltelijk of geheel opgegeven moeten worden.

Locke benadrukt vervolgens het idee van het behoud van hun eigendom (p. 369)** en drie ontbrekende zaken in de natuurtoestand die eigendom beschermen. Dit zijn:
I. De afwezigheid van een algemeen gedeelde wet die wordt erkend als gemeenschappelijke norm/maatstraf voor goed en kwaad (deel 124),
II. Een onpartijdige rechter die wetten handhaaft niet beïnvloedt door passie, hebzicht, eigenbelang, nalatigheid en onverschilligheid (deel 125),
III. Een uitvoerende macht die vonnissen kan uitvoeren (deel 126).
(Eigenlijk zien we hier de contouren van Montesquieu’s Trias Politica – Scheiding der Machten, uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht. Montesquieu is 15 jaar oud wanneer Locke overlijdt. Als Franse equivalent van het moderne denken in Europa moet Montesquieu kennis hebben genomen van deze basistekst van Locke).

In deel 127, p. 370, geeft Locke aan dat de mens niet in de natuurtoestand moet blijven verkeren. In een gemeenschap maken mensen dingen en deze dingen behoren deze mensen toe en dit moet beschermd worden via “gevestigde wetten van een regering”, die worden gehandhaafd.

In deel 128, p. 370, vat Locke de twee rechten van mensen samen:
1. Ieder mens kan doen en laten wat hij of zij goed acht voor hem of haarzelf en alle anderen in de gemeenschap binnen de grenzen van de natuurwet waarbinnen iedereen gelijk is aan elkaar en een onderscheidende gemeenschap vormt van andere gemeenschappen,
2. Alle gelijkenen in deze gemeenschap beschikken over het vermogen om misdrijven tegen de natuurwet, alles wat tegen de wetten van de onderscheidende gemeenschap ingaat, te bestraffen.

In deel 129 & 130, p. 371, lijkt Locke een paradox te benadrukken:
1. Wanneer iemand zich laten besturen door wetten die gemaakt zijn door een samenleving, dan kan hij of zij niet meer doen en laten wat hij of zij goed acht voor hem of haarzelf en alle anderen in de gemeenschap*,
2. Het vermogen om te straffen wordt opgegeven. Hij en alle andere gelijken geven de natuurlijke vrijheid op, door de straffende instantie (handhavingsmacht) in handen van de samenleving te leggen.

Punt 2 rechtvaardigt Locke door te stellen dat wanneer alle gelijke mensen deze natuurlijke vrijheid opgeven voor een beter leven, levensonderhoud, voorspoed en veiligheid, dan rechtvaardigt dat de macht van de staat. In deel 131 stelt Locke dan ook dat mensen deze natuurlijke vrijheid opgeven “slechts met de bedoeling om zichzelf, zijn vrijheid en zijn eigendom beter te beschermen, en dus kan de macht van een door mensen gevormde samenleving of wetgevende vergadering, nooit verondersteld worden verder te gaan dan het algemeen belang”.
(Hier komt de vraag naar boven of overheden en politici wel altijd het algemeen belang dienen of dat ze soms wel eens verder gaan dan het algemeen belang)

* Opmerking: punt 1 uit deel 129 & 130, p. 371, bespreekt het idee van een gemeenschap. In een geglobaliseerde wereld is het soms moeilijk om duidelijk te maken wie in welke gemeenschap zit. Meestal stellen we dat een staat/land een gemeenschap is, maar er zijn ook culturele gemeenschappen (Joden) die overal ter wereld leven (Italianen, Grieken, Chinezen in New York). Denk ook eens aan de inlijving van Krim in Oekraïne door Rusland, waarbij Rusland aangeeft dat ze hun culturele gemeenschap beschermen (voorbij de officiële landsgrenzen). Idem zien we eenzelfde discussie nu in China en de verwesterde stad Hong Kong. In een geglobaliseerde wereld is de vraag naar de gemeenschap een complexe vraag. Wellicht verklaart dit ook de opkomst van veel politici die bepaalde gemeenschappen meer centraal willen stellen dan minderheden. Wie is de Nederlander, de Europeaan? De Amerikaan? De Chinees?

(Lees ook eens het artikel: Máxima: Dé Nederlandse identiteit bestaat niet. Geert Wilders heeft hier destijds (2007) heel fel op gereageerd. Volgens hem bestaat er wel degelijk een Nederlandse identiteit. Merk op dat “Dé” Nederlandse identiteit. Een nadruk op “Dé” geeft aan dat het hier gaat om een duidelijk te definiëren identiteit. Foucault sprak al over identiteit als een ui. Wanneer alle schillen eraf worden gehaald, dan blijft er geen kern over. Hume benadrukt later dat identiteit niet iets is wat je kunt waarnemen. Identiteit is wellicht eigen aan een mens of een cultuur, maar als zodanig niet te vatten of te definiëren. Wanneer je identiteit, cultuur, volksgeest definieert als zijnde zus-en-zo-, dan loop je wellicht het risico dat politici deze definitie gaan misbruiken of gebruiken voor eigen gewin. Stel je voor dat ik zeg: De student wil persoonlijke aandacht en dat neem ik niet alleen als het dogma op grond waarop ik al mijn onderwijs ga bouwen, maar ik verplicht alle anderen om dit ook te doen. Diegenen die dit niet doen, leven niet volgens de gemeenschappelijke, gedefinieerde norm en wet/dogma die is opgesteld en zijn wanneer we het overdrijven (proto-)”terroristen”. Waar het hier om gaat, is het feit dat zelfs het concept van een gemeenschap fluïde is. Mensen komen en gaan, net als gedeelde normen, waarden en tradities. Maar hoe dingen bewegen, komen en gaan, is helemaal niet zo makkelijk te definiëren. Het is net zo moeilijk om te stellen dat zwarte piet bij de Nederlandse identiteit hoort als stellen dat de Nederlandse identiteit verandert en dat daarom zwarte piet er ook anders uit kan zien. Beide partijen blijken te weten wat Dé identiteit is van Dé gemeenschap en hoe deze moet ontwikkelen. Dit is niet zelden het begin van polarisatie en strijd!)

** Opmerking. In de oude Griekse mythologie was Prometheus een zogenaamde Titaan die samen ging werken met de Olympische God Zeus. Prometheus was namelijk heel berekenend. Hij voorzag dat de olympische Goden zouden gaan winnen van de Titanen, dus hij liep over. Prometheus keek vooruit. Prometheus betekent letterlijk: hij die vooruit denkt. Zeus gaf na de strijd Prometheus toestemming om leven te creëren. Prometheus maakte dieren, planten, etc. Maar Prometheus verveelde zich. Deze levende dieren miste iets. Dat iets was het Goddelijke zelf, een gelijke. Iemand zoals hijzelf. Stiekem stal Prometheus iets uit de hemel en dat is het vuur. Het vuur waarmee hij een bepaald soort dier maakte met dezelfde vaardigheid als de Goden: de mens met rede. Het vuur stond voor de rede. Zeus heeft Prometheus gestraft (net als God Adam en Eva heeft gestraft). Vanaf dit moment zijn er dieren met een rede en de rede is het vuur uit de hemel, waarmee de mens het Goddelijke in zich draagt. Hier ontvouwt zich een paradox. Enerzijds lijden mensen als redelijke (onaffe) wezens op aarde, omdat ze blijven ontwikkelen, zoeken en bouwen, op zoek naar het Goddelijke. Deze ontwikkeling is voor velen pijnlijk en stressvol. Anderzijds beschikt de mens over het Goddelijke vuur en biedt de rede het instrument (vuur) om tot God en daarmee in de hemel te komen. De vraag is natuurlijk of deze rede uiteindelijk resulteert in een goed leven op aarde om daarna in de hemel te komen of dat de aarde zelf op weg is naar een hemel op aarde. Zie de onderstaande afbeelding van Prometheus die het vuur uit de hemel steelt. Voor meer info: https://historiek.net/prometheus-griekse-mythologie/72597/

Afbeeldingsresultaat voor prometheus vuur aan mens

Primaire tekst (3): Søren Kierkegaard – Vrees en Beven
20. De kandidaten kunnen de opvatting van Kierkegaard over het christelijk geloof als paradox weergeven, uitleggen, toepassen en beoordelen. Daarbij kunnen zij: – uitleggen op wat voor manier de enkeling als enkeling hoger staat dan het algemene; – met het Bijbelverhaal over Abraham de opvatting van Kierkegaard uitleggen dat het christelijk geloof als paradox niet kan worden gemedieerd met het algemene en dat geloof dus niet herleidbaar is tot ethiek.

Kierkegaard bespreekt (p. 373) het probleem van een teleologische suspensie van het ethische. Teleologisch kennen we van Aristoteles en staat voor doelmatigheid: “(…) een uitdrukking van het ethische”, waarin zijn Telos (doel) te vinden is “in een hogere uitdrukking van het ethische” (p. 376). Hier betreft het een studie naar het goede (ethiek) met een gemeenschappelijk doel. Kierkegaard vraagt zich af of het goede wel aan een dergelijk gemeenschappelijk doel (teleologische suspensie – suspensie staat voor “ophangen” – Kierkegaard gaat in op het idee over het goede kan worden opgehangen aan een (Aristotelische) doelmatige ethiek) kan worden opgehangen (p. 376, alinea 2).
Dit is wederom essentieel voor de vraag naar het goede leven. Zijn antwoord luidt: Nee. Hij legt vervolgens uit waarom niet. De ethische relatie moet terug gebracht worden naar “een gevoel waarvan de dialectiek gelegen is in de relatie” (p. 376) en niet in een doelgerichte ethiek die gedeeld wordt door de gemeenschap. Deze relatie wordt verder door Kierkegaard, en ook hieronder, uitgewerkt.

Paradox
Een mens groeit op in een gemeenschap. Een mens is in eerste instantie ondergeschikt aan de gemeenschap. Een baby is geheel afhankelijk van de gemeenschap. In de gemeenschap groeit ieder mens tot een individu “in een absolute verhouding tot het absolute” (p. 373). Het absolute is datgene waar ieder individu in gelooft en voor “waar” aanneemt. Iedereen heeft overtuigingen waar hij of zij helemaal van overtuigt is. Wanneer iemand geen absoluut geloof is wat hij of zij voor waar aanneemt, dan zou alles in het leven twijfelachtig worden en zou men vragen stellen als: Is dit wel een tandenborstel? Is de ander nu boos of gelukkig? Welke taal spreken wij? Alles zou twijfelachtig worden. Dit is niet het geval. Iedereen leert, gedurende het leven, voor zichzelf wat waar is. De absolute verhouding tot het absolute is iets wat in de geest, van binnen, aanwezig is. Het is onmogelijk om het absolute, de waarheid, in ieder afzonderlijke mens te vatten en de verhouding van het individuele denken tot de individuele waarheid te vatten. Er is niemand behalve het individu zelf dat ook maar op enige wijze begrijpt, voelt, etc. wat er in iemand omgaat en waar men in gelooft.
De paradox bestaat hieruit: het individu is in eerste instantie ondergeschikt aan het algemene: de gemeenschap. De gemeenschap vormt het individu. Maar op een gegeven moment vormt het individu een eigen relatie tot het absolute (waarheid/geloof). De relatie (absolute verhouding) tot het absolute (waarheid/geloof) is puur individueel en bepaalt hoe men handelt in de gemeenschap. Deze relatie bepaalt niet alleen het handelen in de gemeenschap, maar staat daarmee ook boven het algemene: de gemeenschap. De gemeenschap kan talloze opvattingen hebben over het goede, maar als een IS-strijder gelooft dat zijn strijd het goede is en hij een absolute verhouding tot dit absolute moet uitoefenen door ongelovigen op de meest gruwelijke wijze te doden, dan hebben algemene ethische wetten en opvattingen niet veel zin. Het algemene, de gemeenschap is daarmee (in tweede instantie) ondergeschikt aan de individuele relatie tot het absolute. De enkeling staat hoger dan het algemene!

Leg met het Bijbelverhaal over Abraham de opvatting van Kierkegaard uit dat het christelijk geloof als paradox niet kan worden gemedieerd met het algemene en dat geloof dus niet herleidbaar is tot ethiek.
Kierkegaard gaat in op en betwist de stelling “dat als het er op aankomt alles aan alles gelijk is” (p. 374). Deze stelling zou zo kunnen aansluiten bij de opvatting van Locke over de natuurwet: mensen zijn onder het toeziend oog van God gelijken onder gelijken.
Kierkegaard haalt het verhaal van Abraham aan. Abraham wordt gevraagd zijn zoon Isaac te offeren voor God***. Volgens Kierkegaard kan Abraham handelen “krachtens het absurde” (p. 374). Het absurde is datgene wat de gemeenschap als “absurd” bestempelt. Abraham kan echter datgene doen wat de gemeenschap als absurd bestempelt. Abraham heeft een vrije wil en een vrije relatie tot zijn geloof van wat het goede is om te doen. Dit resulteert in een dermate (absurd) geloof dat hij zijn zoon wil opofferen voor zijn geloof. Hiermee staat zijn individuele vrije wil en zijn geloof boven de opvatting van het algemene: de gemeenschap en haar opvatting over het absurde. Wanneer Abraham een cursus ethiek zou hebben gevolgd, dan zou hij van zijn geloof moeten zijn gevallen. Hij zou zijn geloof naast zich neer moeten leggen, omdat het onmogelijk is om een gelijk mens zoals zijn zoon Isaac te offeren. Maar juist zijn innerlijke geloof kan aan deze gemeenschappelijke (ethische) wet voorbij gaan. Abraham kan het absurde, het onmogelijke, doen zonder zich schuldig te voelen over de maatschappelijke consequenties.
(Hierbij moet natuurlijk worden aangemerkt, dat dergelijke overtuigingen soms ook tot hele goede dingen kunnen leiden. De extreme voorbeelden zijn nodig om de innerlijke relatie helder te krijgen, maar dat wil nog niet zeggen dat dit altijd slecht is).

Denk hierbij aan een IS-strijder die zonder berouw ongelovigen kan vermoorden. Het is heel moeilijk om dit soort gedachtes te veranderen. In het rapport “RE-INTEGRATIE VAN DELINQUENTEN MET EEN EXTREMISTISCHE ACHTERGROND: EVALUATIE VAN DE NEDERLANDSE AANPAK” (p. 3) staat het volgende:
“Uit de evaluatie wordt duidelijk dat het TER-team twee belangrijke voorwaarden stelt voor een succesvolle aanpak: het opbouwen van een werkalliantie (vertrouwensband met de cliënt) en een individuele aanpak. Deze twee voorwaarden zijn beide in overeenstemming met de uitkomsten van wetenschappelijke onderzoek waarin zowel de vertrouwensband tussen begeleiders en cliënten als het gebrek aan een standaard of blauwdruk voor deradicalisering (en dus de noodzaak tot een individuele aanpak en het belang van flexibiliteit) wordt onderstreept. Uit dit onderzoek blijkt daarnaast dat de ideologie of het gedachtegoed van deze doelgroep datgene is wat de cliënten onderscheidt van reguliere cliënten. Ook deze aanname is in lijn met wetenschappelijke literatuur over terrorisme en (gewelddadig) extremisme, waarbij het belang van het ideologisch aspect in re-integratieprogramma’s wordt benadrukt.”
Wat hier opvalt is het gegeven dat een individuele ideologie (geloof, individuele absolute verhouding tot het absolute) deze “cliënten” onderscheidt van andere type cliënten. Kierkegaard haalt het idee aan dat de mens in eerste instantie ondergeschikt is aan de gemeenschap en in tweede instantie een eigen verhouding tot het eigen, individuele absolute idee ontwikkelt. In eerste instantie groeit de mens op in een gemeenschap die geheel vertrouwd is en die het lid van de gemeenschap begrijpt. De eerste aanpak uit de evaluatie is dan ook om een werkalliantie op te bouwen (vertrouwensband). Logisch, want juist vanuit een vertrouwde omgeving kunnen ideeën meebewegen. Een kind leert van jongs af aan mee te bewegen in een gemeenschap waar het mee vertrouwd is. Echter, oudere terroristen hebben veel meer moeite met het meebewegen. Ze zijn minder flexibel. China heeft daarom als tactiek om (benoemde) terroristen (het is natuurlijk de vraag of dit allemaal terroristen zijn, maar laten we deze vraag even achterwegen) bij de wortel aan te pakken door kinderen van hun ouders te scheiden. Iets wat in het westen wordt gezien als een fundamentele inbreuk op gezinsvorming. De Chinezen zien dit anders. Een kind is nog ontvankelijk voor invloeden van buiten en dienen dan ook uit de handen van mensen met “terroristische ideeën” te worden gehouden. https://www.theguardian.com/world/2019/jul/05/fake-news-china-dismisses-reports-about-detention-of-uighurs
Het tweede wat in de evaluatie naar voren komt is de individuele aanpak. Wanneer de absolute verhouding tot het absolute een innerlijke zaak betreft, dan is het praktisch onmogelijk om tot een eenduidige strategie te komen die overal kan worden geïmplementeerd. Het blijkt dan ook dat er geen duidelijke, landelijke aanpak is. Verschillende instanties gaan verschillend om met mensen met extreme ideeën. Hierdoor denken sommigen wel eens dat het geen zin heeft om iets aan extremisme te doen of dat het veel te duur (tijdrovend) is. De individuele aanpak werkt, maar biedt weinig houvast voor de gemeenschap. Niemand weet precies wat werkt en hoeveel dat gaat kosten.
Er zijn verschillende politieke partijen in Nederland die 1. vinden dat het te kostbaar en gevaarlijk is om terroristen met een Nederlands paspoort en jonge kinderen naar Nederland te halen en 2. dat het onmenselijk is om kinderen van ouders te scheiden. Wanneer beide opvattingen worden gedeeld, dan is de enige uitkomst om ouders met hun kinderen niet naar Nederland over te brengen.
Maar dan komt natuurlijk de vraag naar boven in hoeverre het menselijk is om kinderen met een Nederlands paspoort bloot te stellen aan een terroristische omgeving juist wanneer kinderen ontvankelijk zijn voor (extreme) ideeën en ze hun eigen absolute verhouding tot het absolute ontwikkelen. In lijn met Abraham, en daarmee in minder extreme zin eigenlijk iedereen, overstijgen gelovigen met hun daden het geheel van het ethische: “hij bezit een hoger telos erbuiten, in verhouding waartoe hij het ethische suspendeert”. Het hoger telos bestaat uit de mens die “in geen enkele relatie tot het algemene” (p. 376), een zuiver persoonlijke deugd omarmt. Abraham en alle gelovigen handelen niet in lijn met de gemeenschap, maar omwille van hun geloof in God en daarmee het geloof in zichzelf en het gegeven dat Abraham wil bewijzen trouw te zijn aan het eigen geloof.

Kierkegaard eindigt (p. 377) met de opmerking dat Abraham zijn handelingen ook niet kan bespreken. Het bespreken betreft het algemene binnen een gemeenschap. Je bespreekt iets in een algemeen gedeelde taal met anderen die dezelfde taal spreken. Het gevoel en de relatie tot het absolute gaat daaraan voorbij en laat zich als zodanig dus niet door het algemene mediëren! Oftewel: voor een algemene ethiek op basis van een bepaald doel dat via de rede samen met anderen besproken kan worden en kan helpen mediëren) tijdens een persoonlijke zoektocht naar het goede, is bij Kierkegaard niet veel (geen) ruimte.
Kierkegaard breekt hier met het denken ten tijden van de antieke Grieken. Daar waar veel klassieke toneelstukken vaak gingen over de tragische held met een duivels dilemma waar hij (veelal een hij) in de gemeenschap mee om moet leren gaan (wat is het doel, wat is het goede, wat moet hij doen om in de gemeenschap het juiste te doen), benadrukt Kierkegaard juist de innerlijke dimensie los staat van rationaliteit en een heldendom in een gemeenschap. Geloof is daarmee iets persoonlijks.
(Dit is dan ook niet zo makkelijk te bestrijden met strategieën in het geval van terroristen bijvoorbeeld.).

(Kijk ook eens naar het einde van de film The Dark Knight Returns, waarbij Batman de schuld op zich neemt als moordenaar van een grote hoeveelheid mensen. Batman geeft aan dat hij de persoon kan zien, die Gotham (de stad) nodig heeft, zelfs als dat betekent dat hij de schuld op zich neemt. Batman geeft aan dat iedere held lang genoeg leeft om een crimineel te worden. Net als Abraham, kan Batman, kiezen voor het absurde (idee). Batman gelooft in het absurde als het goede. Hij kan het onmogelijke zijn.
Of kijk eens naar het eerste deel van The Avengers – Infinity Wars, waar Thanos op een gegeven moment zijn meest dierbare bezit (zijn dochter Gamora) moet offeren om de soul stone te kunnen bezitten. Hij offert haar op, omdat hij gelooft in zijn ideologie dat de wereld beter af is wanneer de bevolking is gehalveerd)

*** Opmerking – uit de Bijbel – Genesis 22.
1 En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!
2 En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal.
3 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn jongeren met zich, en Izak zijn zoon; en hij kloofde hout tot het brandoffer, en maakte zich op, en ging naar de plaats, die God hem gezegd had.
4 Aan den derden dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre.
5 En Abraham zeide tot zijn jongeren: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren.
6 En Abraham nam het hout des brandoffers, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen.
7 Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon! En hij zeide: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lam tot het brandoffer?
8 En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen.
9 En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde aldaar een altaar, en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak, en leide hem op het altaar boven op het hout.
10 En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten.
11 Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel, en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!
12 Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden.




One thought on “HGL – Week 6

Geef een reactie

4 × een =