Wat maakt de mens? Kwestie 1: paragraaf 2.1

Een niet onderzochte les is het niet waard gegeven te worden.

Wat maakt de mens? Kwestie 1: paragraaf 2.1

  1. Wat bedoelt Plessner met “excentrische positionaliteit”? Verwerk in je antwoord de verdubbelde manier van ons bestaan a.d.h.v. een eigen voorbeeld.
  2. Volgens Plessner geldt voor alle gewervelde dieren dat ze een lichaam hebben en een lichaam zijn (zoals Merleau Ponty eerder aangaf).
    – Alle gewervelde dieren hebben een centraal zenuwstelsel waardoor ze altijd in staat zijn het lichaam te coördineren in de wereld. Daarnaast kan het lichaam ook concrete handelingen uitvoeren. Plessner lijkt een onderscheid te maken tussen het lichaam (als Körper) dat de mogelijkheid heeft om te kunnen lopen en het lichaam (als Leib) dat voorafgaand aan het kunnen lopen zich bewust is van de positie in-de-wereld en vanuit die positie kan coördineren. Het Leib coördineert en vervolgens handelt het Körper.
    Leg aan de hand van een eigen voorbeeld het verschil tussen Leib en Körper uit. Verwerk het begrip positie / positionaliteit.
  3. De mens verschilt volgens Plessner van de dieren, omdat de mens kan reflecteren op de manier hoe ze in-de-wereld positioneert. Dit is het Doppelaspekt. Leg uit waarin de mens en zijn Doppelaspekt verschilt met die van een dier. Verwerk in je antwoord ook de onbepaaldheid van de mens. Waarom leidt de reflectie tot iets onbepaalds (en daarmee de vrijheid om ons bestaan een zelfgekozen richting te geven)? (p. 54/55)
  4. Dieren hebben volgens Plessner een “centrische positionaliteit”. Dit betekent dat ze de buitenwereld ervaren vanuit een centrum. Een plant beweegt met de wind mee, maar reflecteert niet op de wind en de wereld en neemt daar ook geen eigenstandige vrije positie op in.
    De mens is volgens Plessner iemand met “grensrealisering”. De mens reflecteert op zichzelf in-de-wereld en realiseert zich dat er een grens/scheiding is tussen de binnenwereld en de buitenwereld. De mens kan zichzelf van binnen- en van buitenuit beschouwen (en hierop reflecteren) en het handelen aanpassen.
    Leg uit dat het “ik” (p. 56) vanuit deze dubbelzinnige excentrische ervaring (grenservaring tussen een binnen- en buitenwereld) een “ik” als centrum kan ervaren dat zowel los staat van het eigen lichaam als er sterk mee verbonden is.

    Plessner onderscheidt vervolgens drie antropologische wetten (structuurkenmerken voor de menselijke manier van bestaat):
    I. Natuurlijke kunstmatigheid (reflectie maakt van de mens een onaf wezen dat denkend / kunstig / kunstmatig blijft proberen zichzelf “af te maken”).
    II. Bemiddelde onmiddelijkheid (de wereld komt ons onmiddellijk voor, maar de onmiddellijkheid kan alleen bestaan omdat we reflecteren op de wereld.
    III. De Utopische standplaats.
  5. Leg uit waarom er in alle drie de structuurkenmerken er sprake is van dubbelzinnigheid (dubbelaspect).
  6. Wat wordt bedoeld met de mens als Mängelwesen (Gehlen, p. 57)?
  7. Leg uit wat er wordt bedoeld met de bemiddelde onmiddelijkheid, expressiviteit en Mitwelt (p. 60)
  8. De Utopische standplaats is het gevolg van de mens die zich steeds weer ondergraaft van de eigen positie. Dit kan leiden tot vervreemding en ontworteling. Iedere keuze en antwoord van de mens is nooit realiteit en daarmee altijd tijdelijk en utopisch. Leg uit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

1 × 3 =