E&F Week 3

21. De kandidaten kunnen uitleggen dat volgens Smith welvaart voor een ieder komt door arbeid, arbeidsdeling en vrije markt. Daarbij kunnen ze: – Smiths opvatting van een markt betrekken en aangeven welke vooronderstellingen hierbij in het geding zijn; – weergeven welke ‘dehumaniserende effecten’ er volgens Smith bij een vergaande arbeidsdeling zullen optreden. 

Adam Smith wordt door veel economen gezien als de Godfather van de moderne, vrijemarkteconomie en het liberalisme en daarmee een van de grondleggers van wat later door economen/neoliberalen (de nieuwe liberalen) als Milton Friedman en Friedrich Hayek verder wordt uitgewerkt in de Washington Consensus. De neoliberalen (geïnspireerd door Heyek en Friedman) benadrukken omwille van de vrijheid (het neoliberalisme) tien punten:
1. De staat moet zich houden aan begrotingsdiscipline,
2. De staat moet niks subsidiëren maar alleen investeren,
3. Een marginaal (minimaal) belastingtarief,
4. De vrije markt bepaalt rentetarieven
5. In de vrije markt zijn er concurrerende valutakoersen (valuta is een muntsoort zoals de Euro, Dollar en Pond).
6. Zo min mogelijk bescherming en bemoeienis vanuit de overheid/staat,
7. Buitenlandse landen moeten zo makkelijk mogelijk in elkaars landen kunnen investerne,
8. Staatsbedrijven moeten worden geprivatiseerd,
9. De staat moet concurrentie stimuleren en niet beperken (behalve om veiligheids- of milieuredenen),
10. Bescherming van eigendom

(Punt 10 kunnen we terugherleiden naar John Locke)

De kern is grotendeels dat de staat/overheid de mensen (lees: vrije markt) zo vrij mogelijk moet laten (voornamelijk veiligheid garanderen) en zo min mogelijk met mensen en bedrijven moet bemoeien. Dit betekent dus ook geen restricties en extra regels. In de jaren 80 sprak de toenmalige president Ronald Reagan niet zelden in hele neerbuigende termen over de overheid. Een overheid waar hij zelf van aan het hoofd stond. Zijn positie was helder. De overheid/staat moest voor veiligheid zorgen, maar de rest moet je aan mensen overlaten tot aan zorg en kraanwater, etc. toe. Voor de economen onder ons: het Pareto efficient maakt duidelijk dat in een geheel vrije markt met volledig rationeel denkende producenten en consumenten zonder onbekende factoren die na verloop van tijd de uitkomst kunnen beïnvloeden, de consumenten uiteindelijk de beste prijs krijgen van de door de producent zo perfect en efficiënt mogelijk geproduceerde goederen. Dit wordt het Pareto efficient genoemd: https://www.economielokaal.nl/pareto/#targetText=Pareto%2Doptimaal%20of%20Pareto%2Deffici%C3%ABnt%20en%20welvaartsverlies,koste%20gaat%20van%20de%20ander. Wanneer de overheid de markt gaat sturen, dan gaat dat ten kosten van de consument of producent en ten koste van de welvaart. Althans, zo luidt de theorie.


Enkele quotes: “If more government is the answer, then it was a really stupid question.”
“Government exists to protect us from each other. Where government has gone beyond its limits is in deciding to protect us from ourselves.”
“As government expands, liberty contracts.”
“The most terrifying words in the English language are: I’m from the government and I’m here to help.” 
“Government’s view of the economy could be summed up in a few short phrases: If it moves, tax it. If it keeps moving, regulate it. And if it stops moving, subsidize it.” 
“Government is not a solution to our problem government is the problem.” 

Lees ook eens de reactie/kritiek op deze neoliberale opvatting door nobelprijswinnaar Paul Romer (econoom) in http://A Nobel-Winning Economist Goes to Burning Man. En houdt daarbij de bekende uitspraak van Goethe in het achterhoofd: “In de beperking toont zich de meester”. Wellicht moeten mensen wel een beperkende staat bouwen, die werkt aan de onderliggende structuur (zoals urban planning en concrete grenzen bij het festival Burning Man), om meesterschap, contact, creativiteit te kunnen tonen. Is een geheel vrije markt wel wenselijk (en überhaupt mogelijk)?

De strekking is duidelijk. De opkomst van het neoliberalisme bouwt voort op het liberalisme van Adam Smith. Althans, dat stellen de nieuwe liberalen vanaf de jaren 70. De vraag is en blijft of de neoliberalen werkelijk voortbouwen op het liberalisme van Adam Smith. Er zijn argumenten te geven waaruit blijkt dat dit niet het geval is. Echter, Adam Smith (p. 139) wordt ten onrechte door veel economen gereduceerd tot twee kerngedachtes: 1. Een vrije markt kan alleen werken als iedereen vooral handelt uit eigenbelang en 2. Het idee van de onzichtbare hand die het land vooruit stuurt. Deze twee gedachten verdraaien juist de kern van de filosofie van Adam Smith.
Waar staan deze twee gedachtes voor.
1. “Greed is good, oftewel eigenbelang en hebzucht is goed! Dit sluit aan bij de kerngedachte van de politiek-filosoof Thomas Hobbes (p. 139). Hobbes vertrekt vanuit het gegeven dat de mens hebzuchtig is en dat de staat noodzakelijk is om deze hebzuchtige (slechte) mens de controleren. Maar Hobbes noemt deze staat/instituten wel een “Leviathan”. De Leviathan is een meerkoppig monster, niet echt positief. Een noodzakelijk kwaad. Bekijk onderaan deze pagina het befaamde fragment uit de film Wallstreet (1987), waarin (Gordon Gekko) Michael Douglas deze befaamde woorden uitspreek. Gekko stelt dat de zwakkeren in de samenleving niet zorgen voor meer geld. Hebzucht “captures the essence of the evolutionary spirit”. Hebzucht zorgt ervoor dat mensen het beste in zichzelf halen ten koste van anderen (concurrentie).
2. De onzichtbare hand is het gevolg van alle concurrerende hebzuchtige mensen die ten koste van anderen, zichzelf vooruit willen stuwen. Wanneer iedereen vecht voor zichzelf, dan haalt iedereen het beste uit zichzelf en worden de beste producten gemaakt voor de beste prijzen, wordt er veel geld verdiend en daar heeft iedereen, inclusief de armen, profijt van. Dit is de kern van de moderne interpretatie van onzichtbare hand en het fundament onder de gedachte van een kleine staat en een vrije markt met hebzuchtige mensen. (Adam Smith spreekt slechts 1x in Wealth of the Nations over de onzichtbare hand. Veel neoliberalen hebben de onzichtbare hand vrij selectief gebruikt als het fundament van hun concurrentiedenken).

De ontwikkelingen in onze moderne tijd, en met name de Angelsaksische wereld (Verenigde Staten en Verenigd Koninkrijk) kunnen niet begrepen worden zonder deze twee belangrijke punten en de visie op de (inbreng van de) staat/overheid in het dagelijkse leven. Nederland is altijd sterk verbonden geweest met het Angelsaksische denken, maar heeft ook een sterke binding met Frankrijk en Duitsland. Daarnaast is het Angelsaksische denken, en het idee van Greed is Good, te begrijpen vanuit het protestantisme. Het individuele succes is het gevolg van jouw individuele verhouding tot God. Het individuele succes is je door God gegeven. Je hebt het niet voor niets verdient. En wie zijn wij om te tornen aan wat het perfecte, God, ons heeft gegeven.

Adam Smith heeft echter nooit gezegd dat de staat een meerkoppig monster is dat niks goed kan doen. Sterker nog! Adam Smith achtte zijn boek “Wealth of the Nations“, wat als zodanig als de bijbel van het vrijemarktdenken wordt gezien, veel minder belangrijk dan zijn boek “Theory of Moral Sentiments”. Adam Smith vond zijn boek “Theory of Moral Sentiments” van veel grotere waarde dan het boek “Wealth of the Nations”. In “Theory of Moral Sentiments” is het centrale thema sympathie. Smith benadrukt de noodzakelijke sympathie. Een geheel vrije markt kan immers nooit bestaan zonder sympathie en de begrenzing van de vrije markt door de staat en daarmee bescherming van de burgers van de kwade bijeffecten van de vrije markt. Begrenzing door de politiek en daarmee de politici is juist noodzakelijk. Later zal blijken dat “Greed” niet zozeer “goed” is, maar dat het eigenbelang van de ander altijd belang is voor de producent (lees ook p. 374). Het is in het belang van de producent om inzicht te krijgen in het eigenbelang van consumenten.

– De kandidaten kunnen uitleggen dat volgens Smith welvaart voor een ieder komt door arbeid, arbeidsdeling en vrije markt.
Adam Smith ziet arbeid als het “anti-aristocratische middel bij uitstek” (p. 141). Door middel van arbeid kan iedereen worden opgenomen in “de keten van welvaartscreatie” (p 141). De gewone man, de middenklasse, is niet meer afhankelijk van liefdadigheid (caritas), maar kan zich bevrijden van de aristocratie door te werken en geld te verdienen en in het eigen onderhoud te voorzien.
De kern van Smiths denken wordt gevat in zijn voorbeeld van de speldenmaker (paragraaf 3 – Division of Labour / Wealth of the Nations – klik op de tekst voor meer info):

“To take an example, therefore, from a very trifling manufacture; but one in which the division of labour has been very often taken notice of, the trade of the pin-maker; a workman not educated to this business (which the division of labour has rendered a distinct trade), nor acquainted with the use of the machinery employed in it (to the invention of which the same division of labour has probably given occasion), could scarce, perhaps, with his utmost industry, make one pin in a day, and certainly could not make twenty. But in the way in which this business is now carried on, not only the whole work is a peculiar trade, but it is divided into a number of branches, of which the greater part are likewise peculiar trades. One man draws out the wire, another straights it, a third cuts it, a fourth points it, a fifth grinds it at the top for receiving, the head; to make the head requires two or three distinct operations; to put it on is a peculiar business, to whiten the pins is another; it is even a trade by itself to put them into the paper; and the important business of making a pin is, in this manner, divided into about eighteen distinct operations, which, in some manufactories, are all performed by distinct hands, though in others the same man will sometimes perform two or three of them. I have seen a small manufactory of this kind where ten men only were employed, and where some of them consequently performed two or three distinct operations. But though they were very poor, and therefore but indifferently accommodated with the necessary machinery, they could, when they exerted themselves, make among them about twelve pounds of pins in a day. There are in a pound upwards of four thousand pins of a middling size. Those ten persons, therefore, could make among them upwards of forty-eight thousand pins in a day. Each person, therefore, making a tenth part of forty-eight thousand pins, might be considered as making four thousand eight hundred pins in a day. But if they had all wrought separately and independently, and without any of them having been educated to this peculiar business, they certainly could not each of them have made twenty, perhaps not one pin in a day; that is, certainly, not the two hundred and fortieth, perhaps not the four thousand eight hundredth part of what they are at present capable of performing, in consequence of a proper division and combination of their different operations.”

Het technische aspect van de speldenmaker (Pin-maker) zit in de wijze hoe tijdens het productieproces van spelden tien arbeiders ingezet kunnen worden. Alle arbeiders kunnen afzonderlijk spelden gaan maken of arbeiders specialiseren zich in een bepaald onderdeel van het totale proces van spelden maken. (Lees in dit kader ook eens “https://decorrespondent.nl/10472/deze-voetbalclub-is-de-nachtmerrie-van-iedere-competitieve-ouder/924763103880-394a6071?fbclid=IwAR221LqqfeIKINtW1gkpriudcBfp2_ocR7uN3BE02aN1qH7bIG-ynGdio20“). Wanneer de, in dit geval 10, arbeiders ieder een specialisme uitwerken en dit specialisme repeteren, dan worden de afzonderlijke arbeiders niet alleen beter in hun werkzaamheden, maar gaat het totale productie proces aanzienlijk sneller (lees ook alinea 2, blz 142 – HGL, waar wordt gesproken over “kleine, efficiënt georganiseerde stappen”). De arbeiders worden zo efficiënt ingezet in het totale proces van de speldenmakerij. Hun arbeid wordt verdeeld in stappen: arbeidsdeling. Het zoeken naar efficiëntie en het aan de lopende band van de productie zetten van mensen is in wezen een technische aangelegenheid. Adam Smith benadrukt drie verschillende omstandigheden die de stijging in de hoeveelheid werkt mogelijk maken: 1. Toename van behendigheid (skills), 2. besparing van tijd en 3. Technologisering en machinebouw.

– Smiths opvatting van een markt betrekken en aangeven welke vooronderstellingen hierbij in het geding zijn; 
(De meeste dik gedrukte woorden (gemeenschap, sympathie, competitie, efficiëntie, afstemming van talenten, samenwerking en sociale cultuur, onzichtbare hand en betrouwbaar) refereren naar de vooronderstellingen die in het geding zijn).

De vrije markt zorgt ervoor dat producenten gaan concurreren met andere producenten en gaan zoeken naar zoveel mogelijk productie met zo weinig mogelijk personeel (efficiëntie). Hier vinden we de contouren/ontwikkeling van de industriële revolutie. De paradox is dat het efficiënt inzetten van mensen zorgt voor efficiënte productie en daarmee goedkopere producten voor iedereen (consumenten). Consumenten willen natuurlijk spullen kunnen consumeren (verbruiken). De producente creëert welvaart en de consument geniet welvaart. Producenten en consumenten helpen elkaar door verschillende dingen (zo efficiënt en daarmee goedkoop mogelijk) te produceren en te consumeren. Adam Smith benadrukt het gemeenschappelijke aspect van deze verhouding tussen producenten en consumenten. Op de manier hoeven mensen niet te bedelen bij elkaar.
Naast het gemeenschappelijke aspect is inlevingsvermogen/sympathie noodzakelijk. Als producent moet je weten wat de consument wil hebben. De “preferenties” (p. 143) moeten duidelijk zijn. Als product richt je je op het eigenbelang van de consument. “Greed is Good” zei Gordon Gekko, maar niet het vertrekpunt van Adam Smith. Het vertrekpunt is het gemeenschappelijke aspect en het inlevingsvermogen in de “greed” van de ander.
Daarnaast benadrukt Smith het thema geld. Omdat verschillende producenten producten ontwikkelen voor verschillende consumenten, is het noodzakelijk om geld te krijgen voor producten. De vrije markt bepaalt hoeveel een product waard is. Wanneer je als producent het product niet kunt produceren voor de prijs waarvoor de consument het product wil komen, dan ben je niet efficiënt genoeg of de consument heeft er geen behoefte aan. Dan zijn andere producenten efficiënter in het produceren en/of produceer je iets waar weinigen op zitten te wachten. Competitie tussen producenten zorgt voor beter, sneller en efficiënter werk op alle vlakken.
Adam Smith poneert hier een geglobaliseerde vrije markt. Denk hierbij aan de moderne vrachtwagenchauffeur die door goedkopere werknemers uit Oost-Europa worden weggeconcurreerd. Of denk aan de efficiënte bio-industrie in Nederland. Nederland kan alleen concurreren met het buitenland door heel efficiënt de boerenbedrijven te houden. Het leven in Nederland is namelijk te duur en velen kunnen niet leven van een inkomen vergelijkbaar met armere landen in de wereld. Dit is ook een van de redenen van het conflict tussen Donald Trump en Xi Jinping. De productiekosten (arbeiders) zijn in China zo goedkoop, dat de bedrijven in Amerika bijvoorbeeld geen Amerikaans staal, maar “cheap steel and aluminium” uit China staal gaan komen. Trump probeert dit te verhelpen door extra accijnzen te heffen op Chinees staal (en daarmee dus de “kwalijke kanten van de vrije markt” in te tomen.
Adam Smith zou wellicht aangeven dat het niet gaan om de individuele rechten en inkomen van Amerikaanse burgers. De vrije markt is er niet (alleen) om mensen te ontplooien, maar om ervoor te zorgen dat talenten worden afgestemd. Diegenen die iets doen waar ze geen talent voor hebben, worden door de vrije markt aan de kant gezet. Deze mensen moeten iets anders gaan doen, waar ze meer talent voor hebben. Diegenen die iets doen waar ze wel talent voor hebben maar waar geen behoefte aan is, worden door de vrije markt ook aan de kant gezet (denk hierbij aan bepaalde kunstvormen waar geen markt/publiek voor is). Deze mensen moeten met hun talenten iets gaan doen waar markt voor is. Wederom vergt dit afstemming, inzicht in belangen van de ander, sympathie en een maatschappelijk perspectief. In de moderne, individualistische samenleving wil men veelal kunnen doen wat men wil, maar in een vrije markt wil dat niet zeggen dat je daarmee je geld kunt verdienen.
Samenwerking is de sociale natuur (p. 144) en stuwt de geschiedenis en geeft richting. Zelfs eigenbelang kan een plek krijgen in deze sociale natuur waarin men samenwerkt. Het richten op het eigenbelang van de ander, zorgt voor meer productie, efficiëntie en consumptie en dit is beter voor iedereen. Zie hier de onzichtbare hand.
Adam Smith benadrukt (p. 144) de betrouwbaarheid van de Nederlanders. Voor betrouwbaarheid heb je een deugdzaam politiek systeem nodig met een rechtsstaat. Denk hierbij aan het politiek liberalisme van John Locke die de rechten van de mensen op de agenda zette. Wanneer een land en bedrijf onbetrouwbaar is en grotendeels de vrije markt niet omarmen (iedere dag kunnen er weer andere regels zijn – denk bijvoorbeeld aan het moderne Rusland (corruptie, institutionele ambiguïteit/half ingevoerde transities/halve maatregelen/verschillende wetgeving/frameworks & systematische voorkeur/informele handel/staatsinvloed – en staatsbedrijven) en China (de staat als autoriteit binnen alle bedrijven in China)), dan lopen bedrijven en landen het risico om hun kapitaal minder snel naar deze landen en bedrijven te verplaatsen In The Guardian stond het artikel Asian Billionaires embark on UK spendingspree as pound nosedives”, waarin wordt aangegeven dat veel Aziatische miljardairs gaan investeren in de UK, met name Londen, omdat o.a.: “A lot of people in China want to get their money out, and the UK is seen as one of the best locations because of our strong legal system and protections. Their money will be neutral once it’s in the UK, and safe if the Chinese government changes its policies.”
In deze quote omvat zowel het politiek liberalisme van John Locke (rechsstaat & daarmee regelgeving) als het economisch liberalisme van Adam Smith (vrije markt). UK omarmt de vrije markt (logisch, de UK is samen met NL een van de grondleggers van het vrije markt denken). Chinese miljardairs mogen vrij investeren in de UK, binnen een duidelijk politiek en stabiel systeem van wetten en regels (althans zo is in ieder geval de indruk). Dit geeft zekerheid en stabiliteit en daar houden veel investeerders van. Dit geeft ook een gelijkwaardig speelveld, niet de staat, niet een belangrijk persoon, maar de wet is voor iedereen en voor alle bedrijven gelijk. Het speelveld waarop alle spelers spelen is voor iedereen gelijk: a level playing field!

– weergeven welke ‘dehumaniserende effecten’ er volgens Smith bij een vergaande arbeidsdeling zullen optreden. 
Wanneer mensen efficiënt worden ingezet binnen een volledig productieproces en men gaat dit werk 40 jaar lang aan de lopende band van het productieproces repeteren, dan wordt er geen gebruik gemaakt van de creativiteit en de noodzaak om te creëren. Mensen gaan dan dag-in-dag-uit
geestdodend werk verrichten. Denk bijvoorbeeld aan hokken, waarin jonge mensen (studenten) in rijtjes naast elkaar voortdurend hetzelfde werk verrichten. Denk hierbij aan de arbeider die de hele dag nieuwe banden op auto’s plaatst (en zelf niet het gevoel heeft gebruik te maken van de eigen creativiteit), maar verder niet geïnteresseerd is in het totale productieproces en daarmee zich daardoor ook niet verbonden voelt met de productie en het bedrijf.

27. De kandidaten kunnen uitleggen dat het volgens Smith de taak van de overheid is om de negatieve gevolgen van de arbeidsdeling te voorkomen. Daarbij kunnen zij weergeven wat volgens Smith de negatieve gevolgen van arbeidsdeling zijn en wat in dit verband de functie van onderwijs is.

Adam Smith benadrukt (in tegenstelling tot zijn hedendaagse aanhangers) juist de noodzaak van een staat/overheid die de schaduwkanten van de vrije markt “intoomt en compenseert” (p. 142) met onderwijs (lees ook “Boek V, hoofdstuk 1, ‘Over onderricht’, p. 382 t/m 384) voor alle burgers (jongens en meisjes) die via lezen, schrijven en rekenen de geest kunnen inspireren (functie van onderwijs). Creativiteit en verhalen (lezen en schrijven) lijken voorwaardelijk voor het goede (geestelijke) leven (onderliggende functies/onderdelen van onderwijs). Het volk moet volgens Adam Smith tegen zeer geringe kosten de mogelijkheid krijgen om “de meest essentiële onderdelen van het onderwijs eigen te maken” (p. 384).

Zie hier een grote uitdaging van deze tijd. Commissie van Rijn heeft dit jaar aangegeven extra te bezuinigen op de geesteswetenschappen. Deze gedachte wordt uitgewerkt in het NRC onderwijsblog over de “Afbraak van de geesteswetenschappen sloopt ook onze vrijheid“. Deze afbraak raakt aan het thema van Adam Smith over de schaduwkanten van de vrije markt. Wanneer geld en efficiënte organisatie van het productieproces (techniek) de overhand krijgt en men omwille van de welvaart (denk aan meer BNP) graag meer geld wil investeren in techniek, technische studies en efficiënter personeel in plaats van taal, cultuur en geschiedenis, dan sloopt dit het inzicht in de wereld en het zelfinzicht: de basis van de filosofie – Ken uzelf! en het fundament van een volledig, vrij leven. Een mens zonder inzicht in de wereld en in zichzelf, is mogelijk de nieuwe slaaf van de efficiëntie en de techniek. Deze ontwikkeling zou ervoor kunnen zorgen dat steeds meer mensen, en daarmee ook technisch hoogopgeleide mensen, vooral aan de efficiënte lopende band van de nieuwe technieken (AI, Big-data, algoritmes, nana-technologie, etc.) gaan lopen en de geest niet meer verreiken met taal, literatuur, kunst, geschiedenis en zelfinzicht. Dit ondermijnt uiteindelijk het idee van vrijheid en “vrije tijd” (school betekende oorspronkelijk vrije tijd). De mens die zich vrij kan ontwikkelen, los van de verplichting “iets technisch” te doen om zo aan de nieuwe lopende band van de techniek te gaan staan. Vanuit Adam Smith zouden we kunnen stellen dat op deze manier de grote massa die ooit via de vrije markt en arbeid bevrijd werd van de aristocratie, langzaam weer aan de lopende band van de techniek wordt gehangen. Het is niet ondenkbaar dat deze nieuwe technische mens efficiënt wil leven en minder geïnteresseerd is in politiek, cultuur, regelgeving etc. maar vooral dingen wil doen en ontwikkelen. Hierdoor de staat het risico dat ze haar macht verliest en steeds minder in staat is de “kwalijke kanten van de vrije markt” in te tomen en te compenseren. Hoe meer mensen opgevoed worden aan de lopende band van de techniek, zonder literatuur, taal en geschiedenis, hoe minder vanzelfsprekend het wordt voor de massa om voor literatuur, taal en geschiedenis en daarmee zelfinzicht te strijden.
Een studie geesteswetenschappen en daarmee (zelf)inzicht in dergelijke technische (innerlijke) processen dreigt hierdoor weer een luxe van een mogelijk nieuwe aristocratie te worden. Een luxe voor diegenen die niet aan de lopende band hoeven te staan. Een luxe voor diegenen met “vrije tijd” (oorspronkelijke betekenis van het woord “school” (shkole)). Vrije tijd om zelfinzicht te ontwikkelen. Vrije tijd, vrij van de technische lopende band. Hier vinden we wellicht het verschil tussen technisch intelligente mensen en wijsheid. Voor wijsheid is vrije tijd en zelfinzicht noodzakelijk. Wijsheid is niet per definitie intelligent. Zo dreigen we weer terug bij af te komen. Scholing als vrije tijd voor de kinderen van de Aristocratie zoals dit reeds het geval was bij de oude Grieken.
Zie in dit kader ook de discussie over de (moderne) functies van onderwijs. Enerzijds wordt gesteld dat onderwijs bijdraagt aan het ontwikkelen van vaardigheden en dat bepaalde vaardigheden binnen de ene discipline vertaald kan worden naar een andere discipline. Denk hierbij aan de denkvaardigheden bij schakers. Schaken stimuleert denkvaardigheden en deze komen ook elders van pas. Idem geldt dit voor afgestudeerde filosofen. Maar voor het idee dat mensen op scholen vaardigheden ontwikkelen die in andere disciplines ook van toepassing kunnen zijn, is nooit bewijs gevonden. Schaken is het technischs spel bij uitstek. De regels zijn onveranderlijk en glashelder. Velen verwarren het leven en organisaties met schaakspelletjes met alle gevolgen van dien. De correspondent schrijft over de noodzaak voor meer generalisten in plaats van specialisten. (Wellicht geldt dit ook voor poëzie, muziek, dans, liefde als manieren van een meer generieke waarheidsvinding naast de eenzijdige, instrumentele techniek.)
Een andere (moderne) functie ligt niet zozeer op het ontwikkelen van vaardigheden binnen een discipline, maar op (zelf)disciplinering (van burgers gericht op de toekomstige arbeidsmarkt). Hier draait het om de vraag of iemand de zelfdiscipline heeft om een diploma te halen. Iemand met een diploma geeft een signaal af aan werkgevers op de arbeidsmarkt. Dit signaal is dat hij of zij gedisciplineerd kan werken voor een langere periode. Dit is de kern van het verhaal in de Correspondent: “Is onderwijs weggegooid geld?”.
Zowel de functies ontwikkelen van vaardigheden en (zelf)discipline lijken te vertrekken vanuit het idee dat het uiteindelijk gaat om het verschaffen van een plek in een (burger)maatschappij waarbij het met name draait om het vergaren van inkomen door arbeid. Denk hierbij aan de extra aandacht voor Loopbaanoriëntatie (LOB). De burger en burgerrechten, vertaald in burgerschapsvorming, is een onderdeel van de burgermaatschappij, maar hier lijkt niet (meer) vanzelfsprekend ruimte voor te zijn daar waar de logica van het marktdenken centraal staat. De schrijver Jesse Frederik beantwoordt de vraag of onderwijs weggegooid geld is, door te stellen dat het onderwijs niet (allen) draait om het aansluiten bij de arbeidsmarkt, maar om de zorg voor de samenleving, burgerschap, burgerrechten en uiteindelijk voor elkaar. Deze zorg, en daarmee de democratie, dreigt onder druk te komen te staan door de nadruk op de (arbeids)markt. In week 9 wordt het thema zorg verder uitgediept. Volgens sommigen draait het onderwijs om wat wij Bildung noemen.


Drie kritieken zijn op (moderne neoliberale interpretatie van) Adam Smiths economie-filosofie en economisch rationaliteitsbegrip te geven (p. 145):
1. De verzwakking van de arbeider door a. het terugdringen van overheidsinvloed en daarmee overheidsbescherming en b. het verbieden om als arbeiders te organiseren (denk hierbij aan de Union-strikes uit de jaren 80 in de UK). De vrije markt moest zo min mogelijk worden beperkt door de overheid. De arbeider moest zo min mogelijk worden beperkt door andere arbeiders. Op de vrije markt spelen individuen op elkaar in en zijn ze van elkaar afhankelijk op een natuurlijke wijze en dat moet niet verstoort worden door samenscholing (vakbonden) en overheidsbescherming. Want samenscholing en overheidsbescherming zit de afstemming van talenten in de weg en kan talentloze mensen beschermen terwijl deze mensen beter iets anders zouden kunnen doen. Het is maar zeer de vraag of deze logica van de vrije markt de arbeider ten goede komt.
2. Adam Smith poneert een economische theorie gebouwd op wat toen heel populair was: de (logica van de) natuurwetenschap en haar empirische wetenschappelijke methode/empirische cyclus (n.a.v. het succes van Newton). Iedere serieuze wetenschap, en daarmee ook de economie als wetenschap, moest om serieus genomen te worden de natuurwetenschappelijke methode (empirische cyclus) omarmen. Adam Smith geeft hiertoe een eerste aanzet. Zijn economische economiebegrip gaat uit van een mechanisch, wetmatig systeem van afstemming tussen consumenten en producenten. De producent produceert wat de consument wil consumeren. Of de producent beïnvloedt de consument zodanig dat de consument consumeert wat de producent produceert.
Het is echter maar zeer de vraag of je de economische wetenschap en het vrije markt-denken in een dergelijke wetmatigheid (verhouding tussen producent en consument) kunt vatten. Denk hierbij aan de factor tijd. Een producent voelt aan wat de consument wil hebben, maar veelal kost het tijd om een product te produceren. Wat garandeert de producent dat het geproduceerde product op het moment dat het uitgetekend, ontwikkeld en geproduceerd is, nog steeds voldoet aan de wensen van de consument. De wensen van de consument veranderen ook door de tijd heen. Theoretici/economen/filosofen als Carl Menger trachtte de factor tijd op te lossen door voort te borduren op een verdere rationalisering van de samenleving. Dit hield in dat producenten en consumenten steeds beter op elkaar worden afgestemd. Hoe meer afstemming (waarvoor sympathie en inzicht in elkaar noodzakelijk is), hoe beter producenten en consumenten elkaar gaan begrijpen en hoe minder snel een producent iets zal produceren wat de consument niet wil hebben en hoe meer begrip de consument zal hebben voor de (noodzakelijke) productietijd.
De vraag is of dit rationaliteitsbegrip van de mens als efficiënt afwegende burgers wel altijd opgaat. De filosoof Amartya Sen omschrijft in “Rational Fools” de grenzen aan de menselijke rationaliteit. Herbert Simon geeft in “Bounded Rationality” aan dat de meest intelligente mensen in eenvoudige situaties een rationele/logische keuze kunnen maken tussen drie/vier en in uitzonderlijke gevallen tot zeven verschillende keuzes. Sen benadrukt de mens die handelt op basis van een opvatting van het goede (moraliteit) en Simon benadrukt de grenzen van de logisch afwegende mens. In 2008 zaten we in een economische crisis. Veel mensen hadden slechte hypotheken, maar werden wel verantwoordelijk geacht voor de eigen keuze voor een risicovolle hypotheek te kiezen. Het is maar zeer de vraag of mensen wel in staat waren om dergelijk complexe keuzes te kunnen vatten, zodanig dat ze er verantwoordelijkheid voor kunnen nemen. Vandaar dat de overheid/staat deze schaduwkanten van de vrije markt aan banden heeft gelegd door een zorgplicht in te voeren voor banken. Hierover zijn twee interessante films gemaakt: Margin Call en The Big Short. Wat betreft de verhouding en afstemming tussen producenten en consumenten, is het maar de vraag of ze in staat zijn rationeel alles uit te “rekenen”/uit te “denken”.
3. Veel economen (met name uit de jaren 80 van de vorige eeuw) spraken over de vrije markt als een cultuur/sociale omgeving waarbinnen de alleen de sterksten overleven. Dit is een sociale variant van de evolutietheorie van Charles Darwin (een twintig jaar later geboren na de dood van Adam Smith). Charles Darwin gaf aan dat in de natuur de sterksten overleven (survival of the fittest). Veel moderne economen begrijpen de vrije markt als een sociale (evolutionaire) variant van deze theorie. De sterksten overleven niet alleen in de natuur, maar ook in een vrije markt cultuur. Deze opvatting noemen we sociaal-Darwinisme. Het is wederom maar zeer de vraag of de mens als sociaal-cultureel wezen louter bezig is met overleven als zijnde een hebzuchtig dier tussen andere dieren. Veel mensen zijn in staat om tegen de logica van het sociaal-Darwinisme (de culturele mens zal altijd anderen willen overheersen) in te gaan en als zodanig irrationeel (niet volgens de heersende logica van het neoliberale Sociaal-Darwinisme) te handelen. Soms kiezen mensen voor een manier van handel drijven, waaruit begrip en sympathie voor de ander blijkt. Voor een manier van handel bedrijven die niet meteen efficiënt en winstgevend is. Denk hierbij aan de moderne nadruk op sociaal ondernemerschap. Maar het is wel het sociaal-Darwinisme was er in de jaren 80 voor zorgt dat Thatcher tegen de vakbonden en arbeiders ingaat en Ronald Reagan in de Verenigde Staten neerbuigend spreekt over de overheid waar ambtenaren werken die niet echt veel bijdragen aan de wereld. Reagan en Thatcher en andere neoliberalen hebben een voorliefde voor de ondernemer. Hier vinden we een moderne maar problematische omgang met het denken van liberaal Adam Smith. Adam Smith vertrekt niet vanuit het idee van het sociaal-Darwinisme. Hij vertrekt vanuit het wederzijds afstemming en wederzijds begrip en empathie als noodzakelijke voorwaarde. De neoliberalen (de nieuwe liberalen die zeggen geestverwanten te zijn van de klassieke liberalen zoals Adam Smith) reduceren Smiths theorie veelal tot het idee van hebzuchtige mensen die ten koste van elkaar willen overleven (survival of the fittest) en daarmee zo efficiënt mogelijk zullen denken en handelen. Deze eenzijdige interpretatie van Smith heeft daardoor ten onrechte Smith in een positie gebracht die hij zelf nooit heeft uitgewerkt! Het is dan ook maar zeer de vraag of het liberalisme in een lijn doorgaat in het neoliberalisme!

Geef een reactie

8 − acht =