HGL – Week 14

Hoofdstuk 8 De Januskop van instituties (8.2 t/m 8.4 en 8.6)
41. De kandidaten kunnen een definitie geven van het begrip institutie en het onderscheid aangeven tussen harde en zachte instituties. Daarbij kunnen zij beargumenteren dat het goede leven zonder instituties niet denkbaar is maar dat instituties ook een bedreiging kunnen zijn voor het goede leven.

Op pagina 202 worden een aantal kernbegrippen aangehaald: instituties, harde en zachte instituties, dwang, kader, lid en ontplooiingsruimte. Daarnaast omvat deze paragraaf een spanningsveld (lees: onderlinge verhouding op pagina 203) die aan het begin van deze cursus (week 3: paragraaf 5/6/7) werd aangehaald tussen enerzijds de zorg voor de huishouding (oikonomos) en anderzijds de geldvermeerderingskunst (chrematistiek).

De kandidaten kunnen een definitie geven van het begrip institutie
“(…) min of meer vaste, gedeelde handelingspatronen die het mogelijk maken dat mensen gezamenlijk iets kunnen realiseren (en beschermen) dat zij goed achten” (p. 202).
Bij ontleding van deze definitie zetten onder andere de volgende punten aan tot denken: 1. Wat is een handeling? Wat is een patroon? Wat is een handelingspatroon? In hoeverre kunnen handelingspatronen “min of meer” vast zijn? Hoe kunnen handelingspatronen “mogelijk maken dat mensen gezamenlijk iets kunnen realiseren en beschermen””? Wat wordt er beschouwd onder het “goed achten”? In hoeverre kan men (de mensen) met een stem spreken en vertellen wat “goed” te achten is? In hoeverre is spreken een voorwaarde om samen iets “goed” te achten?

Op deze vragen te kunnen beantwoorden, categoriseren de schrijvers twee soorten van “min of meer vaste, gedeelde handelingspatronen die het mogelijk maken dat mensen gezamenlijk iets kunnen realiseren (en beschermen) dat zij goed achten“.
Enerzijds zijn er harde instituties. Dit zijn harde, gedeelde handelingspatronen die formeel bepalen hoe mensen gezamenlijk iets realiseren en beschermen. Dit zijn scholen, het gezin, staat, bedrijf, media, rechtbank, etc. Iedereen kan naar een school gaan en deze vastpakken. Een bedrijf is ook tastbaar. Ieder bedrijf heeft afspraken en regelgeving. Deze afspraken en regelgeving oefenen macht uit. Als zodanig bepalen deze harde instituties de kaders waarbinnen mensen ontplooiingsruimte en bescherming krijgen. Zo kunnen leerlingen bijvoorbeeld geheel vrij zijn om zelf te leren en te ontwikkelen, maar dit kan nooit zonder een kader. In abstracte zin krijg je dan voorbeelden van scholen die aan de knoppen (kaders) gaan draaien en daarmee de kaders gaan bepalen van leerlingen. Denk hierbij aan scholen die bijvoorbeeld geen lesuren van 50 minuten hebben, maar werken in dagdelen. Dat past een school de kaders aan (lesrooster). Dit lijkt onschuldig, maar is ook een vorm van macht. Iemand bepaalt binnen welke kaders een kind en leraar leren. Het is niet ondenkbaar natuurlijk dat de kaders ook bepalen hoe iemand leert. Nog een voorbeeld: zet te klassen van verschillende vakken op een groot leerplein met computers en nieuwe technieken en het is logisch dat leraren en leerlingen andere manieren van leren gaan ontwikkelen en wellicht ook weerstand bieden. Dat is het maar net wiens kaders (leerlingen, leraren, veranderaars, etc.) het sterkst blijken te zijn. Het draait hier dus om macht en in de meest banale zin in: wie/wat dwingt wie?
Aan de andere kant is het ook fijn om “gedwongen” te worden. Een van de (mijns inziens gruwelijke) constateringen in “De geschiedenis van de Slavernij” door de Zweedse historicus Dick Harrison was dat er tijden zijn geweest waarin een aantal mensen het slaaf-zijn prefereerden boven vrijheid. Een slaaf werd door de overheerser voorzien van eten en drinken en had niet zelden een beter leven. De strekking die hieruit geleerd kan worden, is dat instituten met haar “dwang”, kaders en “macht” ook noodzakelijk zijn. De filosoof Hobbes zou wellicht zeggen: een meerkoppig monster: de Leviathan. Wellicht valt het instituut, gevormd door middel van politieke democratische besluitvorming, wel te prefereren boven de 1-op-1 machtsrelaties*.
In week 7, 12 en 13 werd de uitspraak van Goethe aangehaald: “In de beperking, toont zich de meester”. Ieder instituut sluit mensen in en sluit mensen uit. Je zit op die voetbalclub en op deze school en niet op die andere. Je hebt een Nederlands paspoort en geen Duits paspoort. Hier vinden we een paradox die ook op pagina 203 aanbod komt. Enerzijds zijn instituten het gevolg van een rationeel denkproces (gedeelde afspraken), maar anderzijds zijn de grenzen van een instituut (wie hoort er wel en niet bij) niet altijd rationeel: “elke concrete grens lijkt willekeurig en daarmee onrechtvaardig” (p. 203). Maar in de laatste paragraaf van pagina 203 staat: “Het is natuurlijk wel de vraag hoe het gezinsleven vervolgens wordt vormgegeven en wat daarbinnen de positie is van de vaders, de moeders en de kinderen”. Allereerst, het gaat hier om de zorg voor de huishouding (oikonomos). Ten tweede, de politiek en samenleving zijn gegeven, daarbinnen kunnen gezinsleden het gezinsleven vormgeven. Ten derde, het vormgeven (het tonen van meesterschap in de zin van Goethe), kan alleen maar plaatsvinden wanneer er iets is gegeven (beperking zoals politiek en samenleving). In extreme zin: beperk de mens en de mens zal laten zien hiermee om te leren gaan.
Hoe de mens en gezinsleden het gezinsleven vorm geven, kent vele vormen. Een hoe-vraag draait sowieso nooit om het idee, maar om de uitwerking van het idee tot een specifieke vorm, oftewel: het vorm-geven aan het idee. Gezinsleden moeten leven in het gezin en door deze “beperking” worden ze ook gedwongen vorm-te-geven aan het leven op een specifieke eigen wijze.

Echter!! De manier hoe vorm wordt gegeven aan het leven vertelt veel over de “aard van de onderlinge verhoudingen”. Een vader die zijn handjes niet bij zich kan houden en zijn kinderen regelmatig slaat, zorgt voor een gezinsleven dat op een andere manier wordt vormgegeven, dan een gezinsleven, waarbij twee lesbische moeders hun zonen en dochters opvoeden in een vrije-school gedachte waarbij kinderen vrij mogen spelen. Achter (of voorafgaand aan) de vorm zit de aard van de onderlinge verhoudingen. Achter iedere vorm zit macht!

Voorbeeld:
Naast de vorm van harde instituten zijn er anderzijds zachte instituties. Deze zachte instituties kunnen verhelderd worden door bijvoorbeeld de discussies over #metoo en zwarte piet. Michel Foucault is een van de grondleggers van het idee van onderlinge machtsverhoudingen die ten grondslag liggen aan alle instituties. Instituties zijn als het ware georganiseerde machtsverhoudingen die articuleren hoe wij met elkaar om moeten gaan (dwang). Instituties zijn ondanks dat onvermijdelijk en noodzakelijk. Men spreekt in dit kader over institutioneel racisme. Racisme zit ingebakken in de instituten. Met andere woorden: een aantal instituten herbergen gewoontes die racistisch zijn. In de structuren van onze instituten, gebruiken we woorden (Zwarte Piet) en omgangsvormen (seksisme) die bepaalde machtsverhoudingen verbloemen… Verhoudingen hoe bijvoorbeeld manen en vrouwen en mensen vanuit verschillende culturen met elkaar samen leven. Tientallen jaren is dat duidelijk en niemand denkt er echt over na: het is voor de meesten gewoon. Een blanke man in Nederland viert Sinterklaas met Zwarte Piet en grappen over seks zijn in bepaalde mate geaccepteerd. Maar langzaam wordt de samenleving diverser. Langzamerhand ontstaat er een nieuwe machtsverhouding met meer diversiteit en zien we de bestaande opvattingen veranderen en daarmee de bestaande instituten mee veranderen, waardoor de blanke mannen voor witte mannen uitgaan en in bepaalde kringen geen Zwarte Piet meer mogen aanbidden en seksistische grappen niet meer zijn toegestaan (denk hierbij bijvoorbeeld aan de kritiek op het tv sportprogramma Veronica Inside). De paradox is natuurlijk dat deze nieuwe moraal met nieuwe omgangsvormen opgebouwd wordt door meer diversiteit in de onderlinge verhoudingen op tegenwoordig het gebied van huidskleur, sekse en seksualiteit. Door de tijd heen zullen de onderlinge verhoudingen veranderen en daarmee ook de onderliggende machtsverhoudingen die doorwegen in de instituten. En inderdaad aan deze nieuwe instituten gaat wederom macht vooraf. Macht en omgangsvormen lijken inherent te zijn aan ieder instituut!
Daarnaast is het problematisch om helder te duiden wat nu het institutioneel racisme is. Ja, ieder instituut discrimineert omdat het in wezen macht uitdraagt in regelgeving, etc. Ieder instituut sluit in en sluit uit. Ieder instituut beschermt en bedwingt. Maar hoe instituten discrimineren, bedwingen, beschermen, insluiten en uitsluiten is niet altijd zo makkelijk in woorden uit te leggen en te definiëren… ook al doen we nog zo ons best en zijn we niet zelden overtuigd van ons gelijk.

Hegel (p. 204) haalt de burgerlijke maatschappij aan. In deze maatschappij zijn er talloze instituten met eigen onderlinge machtsstructuren en omgangsvormen. En burgers spelen verschillende rollen in verschillende instituten (je bent anders thuis dan op school of op werk) met verschillende omgangsvormen. Maar op het niveau van de instituten staat geen enkel instituut op zichzelf. Een school staat niet los van de gemeente, politie, bedrijfsleven, etc. Een school moet zich aan de wet houden, krijgt niet zelden steun van de gemeente en verzorgt opleidingen waar het bedrijfsleven iets aan heeft. En vice versa moeten alle andere instituten ook met de school omgaan. Scholen maken bedrijven mogen, maar bedrijven ook scholen. Ze hebben elkaar nodig. Ze maken elkaar mogelijk en beperken elkaar. Nederland is een rechtsstaat. De staat bepaalt de rechten en plichten van de burgers. Maar zonder burgers is er geen rechtsstaat.

Op pagina 204, een-na-laatste-paragraaf, wordt het “ontstaan van een relatief zelfstandige economische sfeer buiten het gezin en de familie” aangehaald. Dit hangt samen met het moderne ideaal van de individuele vrijheid los van de machtsstructuren die onder het gezin liggen. Mensen zijn niet gebonden aan het gezin, maar zijn ook individuen die een eigen route mogen varen. Iemand hoeft het bedrijf van vader niet zonder meer over te nemen, zeg maar. Met de Aristocratie, en erfenissen, wordt afgerekend (zie week 5 hoofdstuk 4, eindterm 13) bij aanvang van de moderniteit. Arbeid wordt een manier van geld verdienen en basis voor het vormgeven aan het eigen leven door middel van het zelf kopen van spullen (materialisme). Marx zal hier (zie week 8) op ingaan, dus te stellen dat hierdoor de nadruk niet op het “waar” (product) komt te liggen, maar op het geld (winst). Het schema W (waar)-> G (geld) -> W (waar), gaat niet meer op. Een product genereert geld, waarmee nieuwe producten gekocht kunnen worden wordt ondergeschikt aan het schema: G -> W -> G. Geld genereert producten waarmee meer geld verdient kan worden. In week 3 werd de geldvermeerderingskunst (chrematistiek) al aangehaald als een thema dat reeds speelde bij de oude Grieken. Het risico van chrematistiek is dat het de bestaande sociaal-politieke structuren en instituten waarop een samenleving en daaronder de zorg voor de huishouding (gezin/oikonomos) is gebouwd, ondermijnt. Individuen zijn met hun geld niet meer gebonden om de zorg binnen de eigen groep te realiseren. Individuen kunnen, gedreven door geld, ook bij andere groepen aansluiten. Adam Smith (p. 204/205) komt met het idee dat de staat moet zorgen voor 1. bescherming (negatieve vrijheid) en 2. ruimte voor individuen om vrijheid uit te oefenen (positieve vrijheid)**. De staat beschermt daarmee niet per definitie het geld. Een individu kan ook naar een andere staat met zijn of haar geld en wordt daar beschermd en krijgt ruimte om geld te verdienen (vrijheid uit te oefenen). Smiths positie is begrijpelijk en wellicht noodzakelijk, maar zet wederom aan tot denken.

46. De kandidaten kunnen het onderscheid tussen het Angelsaksische en het Rijnlandse model als varianten van het idee van de vrije markt uitleggen, toepassen en beoordelen. Daarbij kunnen zij aangeven wat in beide modellen de verschillen zijn in de bedrijfscultuur aan de hand van het onderscheid tussen recht en moraal en het onderscheid tussen shareholder-capitalism en stakeholder-capitalism.

In paragraaf 6, p. 216/217 wordt het onderscheid gemaakt tussen het Angelsaksische en Rijnlandse model. Ook hierin zien we de geschiedenis die doorweegt in de dagelijkse instituties en hoe deze worden georganiseerd. Kort door de bocht :): de USA heeft nauwelijks geschiedenis en bouwt op individualisme en eigen keuze in lijn met John Locke en Adam Smith. De USA staat ook aan de basis van het vrije markt denken als “survival of the fittest”, waarbij het niet gaat over het meest fitte gezin of cultuur, maar het meest fitte individu. Het West-Europese/Duitse Rijnlandse model vertrekt vanuit de Middeleeuwen, waarbij de samenleving belangrijk is. Het individu is niet zomaar individu voor zichzelf, maar moet ook zorgen voor de samenleving. Een directeur is niet baas over zijn werknemers, maar heeft een zorgfunctie voor zijn werknemers.
Dit vraagt ook om een lange termijnvisie over hoe alle stakeholders in en rondom het bedrijf te betrekken. Minder top-down en minder individueel. Maar ook hier zien we terug hoe verschillende achtergronden en opvattingen in de relaties en onderlinge machtsverhoudingen uiteindelijk doorgetrokken worden in de wijze hoe instituties worden vormgegeven. In andere landen van de wereld zijn de instituties ook weer geheel anders en gaan daar ook weer andere machtsprocessen aan vooraf!
Wat is dan het verschil tussen een stakeholder en een shareholder? Investopedia.com geeft de volgende definitie: Shareholders are always stakeholders in a corporation, but stakeholders are not always shareholders. A shareholder owns part of a public company through shares of stock, while a stakeholder has an interest in the performance of a company for reasons other than stock performance or appreciation. These reasons often mean that the stakeholder has a greater need for the company to succeed over a longer term.” Neem nu bijvoorbeeld de voetbalclub AJAX. AJAX is een beursgenoteerd bedrijf. Dit betekent dat iemand een “aandeel” kan kopen van de voetbalclub AJAX. Een aandeel betekent dat je een stukje van het bedrijf AJAX bezit. Wanneer het goed gaat, wordt het aandeel meer waard en krijg je wellicht een deel van de winst en wanneer het slecht gaat wordt het aandeel minder waard. Ander voorbeeld. Een broer wil een eigen bedrijf starten en vraagt of jij een aandeel wilt hebben in zijn nieuwe bedrijf. Dat kost je 10.000 euro en voor deze 10.000 euro krijg je 20% van zijn bedrijf. Wanneer het bedrijf later 1.000.000 waard is, dan heb jij 20% van deze waarde nog in aandelen, dus 200.000 euro. Aandeelhouders (shareholders) hebben dus een aandeel (waarvoor ze dus een bedrag betalen) van een bedrijf. Stakeholders hebben “stakes”: belangen. Een AJAX-fan of profvoetballer bij AJAX heeft er belang bij dat het goed gaat met AJAX. Net als dat jij een persoonlijk belang hebt, gewoon als broer, dat het goed gaat met je broer en zijn bedrijf. Je hoeft niet altijd een aandeel te hebben om wel een belang te hebben dat het goed gaat met het bedrijf. Japanse bedrijven werken meestal zo dat werknemers van een bedrijf niet alleen een belang hebben in het bedrijf als werkgever, maar ook naast salaris aandelen krijgen. Zo worden stakeholders ook shareholders. Maar niet alle stakeholders hebben ook aandelen (shares) en zijn dus ook niet allemaal aandeelhouders (shareholders).
De grote vraag die gesteld moet worden, is of shareholders (aandeelhouders) het beste voor het bedrijf willen of op korte termijn vooral veel geld willen verdienen. In de film The Big Short speelt een van de hoofdrolspelers een directeur van een hedgefund. Een dergelijk hedgefund Kohlberg, Kravis, Roberts (KKR) koopt in 2004 de V&D. Het gaat dan niet goed met de V&D en de aandelen (shares) zijn niet zoveel meer waard. Waarvoor koopt KKR deze aandelen van een bedrijf waar ze verder niet veel mee kunnen? Om vervolgens de V&D op te splitsen in twee bedrijven. Het ene bedrijf (1) houdt zich bezig met het vastgoed. Dit zijn alle grote dure en kostbare gebouwen die de V&D in veelal de centra van de grote steden bezit. Het tweede bedrijf (2) blijft zich bezighouden met het verkopen van goederen zoals de V&D altijd al heeft gedaan. Je zou denken dat dit niet zo erg is, maar wat is er vervolgens gebeurd. Het bedrijf wat over de gebouwen ging, was veel meer waard dan het bedrijf dat producten verkocht in winkels. Daarnaast moest opeens bedrijf (2) huur gaan betalen aan het vastgoedbedrijf (2). Voorheen waren dit dezelfde bedrijven en hoefden bedrijf 2 natuurlijk geen huur te betalen. Ondertussen wordt het vastgoedbedrijf meer waar (huizen en panden worden duurder) en de huuropbrengsten komen ook nog eens binnen. Uiteindelijk verkoopt KKR de vastgoedtak voor veel geld en kan bedrijf 2 natuurlijk de kosten en de huur niet betalen. Het ging al slecht en met hoge huurprijzen gaat het nog slechter. Met als gevolg: het faillissement van de V&D en veel winst voor KKR. De vraag is: hebben deze shareholders (KKR) dezelfde belangen voor ogen gehad als de stakeholders? Er zijn twee antwoorden mogelijk:
Nee, ze hebben bewust het bedrijf gesplitst en een tak met veel werknemers en andere stakeholders failliet laten gaan.
Ja, ze hebben meer geld gegenereerd en daarmee de markten geholpen nog “rijker” te worden.
Het antwoord hangt een beetje af of iemand wel of niet gelooft in de kracht van de vrije markt en de shareholdersbelangen zoals Gordon Gekko deze al eerder benoemde in de film Wallstreet.

Paragraaf 2, p. 205 sluit af met de tamelijk Aristotelische opvatting dat de onderlinge instituties in balans moeten zijn en dat het goede leven draait om het zoeken met elkaar naar het juiste midden.

Op pagina 209, par. 4 worden de verschillen tussen het westen en oosten aangehaald, waarbij in het ene geval het totalitaire regime een disbalans lijkt te veroorzaken in het licht van het goede leven en in het andere geval wellicht de vrije markt deze disbalans veroorzaakt. Zo gaan de Chinezen op dit moment niet echt “netjes” om met de Oeigoeren. Echter, in het westen zijn er eindeloos veel berichten die duiden op het faillissement van de vrije markt. De vrije markt dringt door in alle instituten in Nederland en ontwricht de samenleving. Neem bijvoorbeeld de invloed van de vrije markt op het onderwijs. Of deze constatering klopt, zal blijken. Waar het om gaat, is dat het juiste midden… de balans ten aanzien van de organisatie van instituten als onderdeel van het goede leven, op verschillende plekken in de wereld op verschillende manier onder druk staat en dus nog steeds gezocht moet blijven worden.
Of neem bijvoorbeeld de vraag over regelgeving en beleid ten aanzien van zelf-rijdende auto’s. In China streeft men naar auto’s die met elkaar communiceren (connected zijn). Het is daarbij minder een probleem om de handen van de sturen te halen en auto’s met elkaar te laten communiceren. Mensen kunnen de communicatie alleen maar in de weg zitten en daarmee onveiligheid realiseren. Daarnaast bouwt men in China volledig nieuwe steden en wegen en breekt men niet zelden oude gebouwen af. Op deze manier kunnen er efficiënte en goede wegen gebouwd worden. In Europa koestert men de oude steden en dit vraagt om auto’s die kunnen anticiperen op moeilijke wegen, kleine steegjes, etc. Auto’s moeten dus autonoom kunnen reageren en niet alleen met andere auto’s rekening houden. Dit zien we ook terug in de opvatting van veel Europeanen dat ze geen behoefte hebben aan controle over het stuur. Europeanen willen veelal zelf bepalen en zelf rijden, daarnaast raakt het ook aan privacy-issues om van elkaar te weten wat men doet en waar men heen gaat. Tevens kunnen dergelijke connected-systemen ook ervoor zorgen dat bepaalde auto’s niet rijden omdat de regering of wie dan ook dat niet wil. Hier zien we verschillende opvattingen over autonome zelf-rijdende auto’s en connected zelf-rijdende auto’s. Cultuur is best bepalend voor de manier hoe bedrijven ethiek en moraliteit vertalen. De kern van dit verhaal is, dat moraliteit geen technisch-rationeel gegeven is en daarmee onoplosbaar. Jarenlang onderzoek naar variaties op the Trolley-problem in de hele wereld, hebben meer problemen opgeleverd dan oplossingen. Men wilde op zoek gaan naar de morele keuzes die in verschillende landen gemaakt zouden worden als een zelf-rijdende auto’s kon kiezen tussen het aanrijden van persoon X of persoon Y. Wanneer miljoenen zelf-rijdende auto’s gaan rijden, dan komt een dergelijke keuze meerdere malen per dag voor ergens in de wereld. Wat blijkt? In verschillende landen maakt men verschillende keuzes. Dit heeft met de cultuur te maken en hoe cultuur de vraag naar het goede leven beantwoordt. Zie hier voor de online test: http://moralmachine.mit.edu/. Ik het onderstaande filmpje wordt extra uitleg gegeven over de drie/vier verschillende visies op moraliteit. Wat duidelijk wordt, is: cultuur verandert waarden, normen en daarmee de ethische posities. Zelfs de beste programmeurs, de meest intelligente, rationele, technische en doelgerichte mens, heeft geen universele oplossing voor morele en ethische dilemma’s. Dit onderwerp kwam in week 3 als aan de orde toen het onderscheid tussen dianoëtische en ethische deugden werd uitgelegd, waarbij techne (vaardigheid) en episteme (kennis) niet voldoende was voor sophia (wijsheid) en een waarlijk voortreffelijk en deugdzaam leven. Dus? Het is onvermijdelijk dat mensen met elkaar gaan communiceren en afspreken wat ze samen belangrijk vinden. Een computer of een techniek kan deze oplossing niet vinden. En iedereen die denkt dat de techniek deze oplossing wel gaat vinden, zal instituten bouwen die zelf-rijdende auto’s produceren die keuzes maken waar de bijrijders niet altijd een goed gevoel bij hebben… een nieuwe vorm van macht en onderdrukking. Maar wanneer bijrijders allemaal zelf, autonoom, zonder in gesprek te gaan met elkaar, bepalen hoe de auto moet reageren, dan kunnen auto’s nauwelijks nog op elkaar anticiperen. Iedere auto is dan weer anders, net als dat ieder land andere regelgeving heeft. Velen denken dat de technologie veel vragen gaat beantwoorden, maar eigenlijk lijkt technologie en techniek als gevolg van rationaliteit en doelmatigheid de mensheid te dwingen om voor zichzelf weer een vraag te worden: wie ben ik? Wie zijn wij? En wat is wenselijk?

42. De kandidaten kunnen met behulp van voorbeelden uitleggen op welke manier instituties met elkaar samenhangen, elkaar vooronderstellen en het menselijk samenleven mogelijk maken en vormgeven. Tevens kunnen zij uitleggen dat instituties de persoonlijke vrijheid en het goede leven kunnen ondermijnen.

Deze eindterm is een prima thema voor een schrijfopdracht!

* Ik worstel persoonlijk met het thema muziekfilosofie. Ik ben een muzikant en filosoof, geïnteresseerd in muziekfilosofie. De muzikant Captain Beefheart gaf ooit eens aan dat alleen in muziek democratie niet toegestaan is. Muziek maken met elkaar omvat een soort van flow… een vanzelfsprekende aanpassing, waarbij de goede en minder goede muzikanten vanzelf worden uitgeselecteerd. Iedereen weet na verloop van tijd wie goed en wie slecht is. Muzikaliteit en creatie kan heel hard zijn. Het muzikale is prachtig wanneer we teams bij elkaar willen brengen en samen “muziek willen laten maken”. Dan hebben we geen grote systemen en instituties nodig met langdradige, bureaucratische overlegstructuren, rechters, etc. Maar zonder deze abstracte instituties, zijn mensen overgeleverd aan de muzikale willekeur en machtsverschillen. Muziek kan prachtig zijn, maar ook gruwelijk. Muziek, ritme, is niet zelden gebruikt als middel om militairen naar het front te krijgen. Juist de instituten beschermen ons tegen dergelijke willekeur, maar ze halen ook de schoonheid weg. Onderwijsfilosoof Gert Biesta stelt dan ook terecht dat het omgaan met muziek en flow het prachtige risico is van onderwijs. Het risico om iets moois te creëren, maar ook het risico iets vreselijk te ontwerpen. Systemen en instituten beschermen en beperken ons tegen beide risico’s.

** Het idee van negatieve en positieve vrijheid komt van Isaiah Berlin. Berlin heeft het stuk “Two concepts of Liberty” geschreven. Simpel gezegd: Positieve vrijheid is vrijheid waarbij iemand zelf iets gaat doen en ontwikkelen. Negatieve vrijheid is vrijheid die door iets of iemand anders aan deze persoon in een bepaalde mate wordt gegeven. Positieve vrijheid gaat uit van jezelf (ik doe iets). Negatieve vrijheid is afhankelijk van anderen (ik heb toestemming om dit hier te doen).

2 thoughts on “HGL – Week 14

Geef een reactie

7 − vier =