HGL – Week 20

54. De kandidaten kunnen met voorbeelden uitleggen dat passies zich volgens Freud manifesteren buiten het bewustzijn om, onder meer in ons consumptiegedrag. Daarbij kunnen zij hierover een beargumenteerd standpunt innemen.

Freud onderscheidt drie delen van de “persoonlijkheid”, namelijk:

I. Über-ich (overstijgende ik/superego)
II. Ich (ik/ego)
III. Es (het/it)

Über-ich – De mens ontwikkelt zich vanaf de geboorte. De mens leert hierbij de heersende, normen, waarden en tradities van zijn of haar omgeving (socialisaties). De mens ontwikkelt samen met anderen ook een idee van wat het “goede” is om te doen. Het Über-ich staat voor het geweten en het geweten is sterk verbonden met de mensen in de persoonlijke omgeving.

Ich – De mens heeft bewustzijn. Alles waarvan het zich bewust is, noemt Freud “ich”. Ik (ich) ben me bewust van het feit dat ik deze zin aan het typen ben. Ik ben me bewust dat ik slecht tegen mijn verlies kan (of goed).

Es – De mens beschikt over een onbewuste, geestelijke energie (getransformeerde vervulling van seksuele energie, p. 241). Noem het instincten of natuurlijke behoeftes. Volgens Freud zijn deze onbewuste instincten ongrijpbaar rationeel, maar sturen ze ons wel. Freud, en dit is twijfelachtig, stelt dat iedere mens onderdrukte, seksuele behoeftes heeft en dat deze tot uitdrukking moeten komen op de een of andere manier.

Deze “een of andere manier” kunnen we observeren. Denk hierbij aan de gefrustreerde man die niet aan zijn “trekken” komt en op een gegeven moment zichzelf niet meer kan beheersen. Het “ich” is zich niet bewust van die onbewuste frustraties en het Über-ich (geweten) weet voorlopig nog wel het leven in bedwang te houden (zelfdiscipline), maar wanneer de frustratie te hoog oploopt, moet het eruit. Net als in de film Fight Club zien we de onbewuste neigingen van mensen, frustraties etc., die er toch op de een of andere manier uit moeten.
Op pagina 242 wordt gesproken over het “monsterverbond”. Stel je voor je bent de baas van een reclamebureau. Je wilt een bepaald product verkopen. Laten we zeggen dat je als leraar het vak filosofie wilt verkopen aan je leerlingen :). Je vraagt aan leerlingen wat ze willen. Ze geven van alles aan. Ze zijn zich bewust van wat ze willen (ich) en weten ook wat op school wenselijk is (Über-ich). Veel scholen houden bijvoorbeeld leerlingenquetes en vragen ouders om hun opvattingen, net als leraren overigens. Dit is over het algemeen de manier hoe veel mensen denken. Maar stel je eens voor dat Freud gelijk heeft. Leerlingen, leraren, ouders, schooldirecteuren hebben onbewuste (seksuele) neigingen waar ze dus allemaal geen weet van hebben. Jij als leraar/reclamemaker gaat vervolgens niet vragen naar de bekende weg (wat wil je als leerling), maar je gaat massaal onderzoeken welke verborgen en onbewuste verlangens leerlingen hebben. Je komt erachter dat ze allemaal extra aandacht geven aan foto’s van het achterwerk van Kim Kardashian en bij het zien van een naakte vrouw die aan het kantklossen is, terwijl ze aan een lolly zucht (ik noem maar iets heel fouts en denigrerends en moreel verwerpelijks). Je gaat vervolgens onderzoeken hoe je het beste lesprogramma kunt maken die aansluit bij de (onbewuste) behoeftes van leerlingen. Vragen met bronnen waarin naakte vrouwen komen met lolly’s, etc. verpakt in een “formeel” jasje en waarbij je als leraar achteraf natuurlijk vraagt hoe de leerlingen het programma vonden en speciaal de lesstof. De leerlingen zeggen misschien, de lesstof was heel goed, maar stiekem weet jij als onderzoeker dat het niet de lesstof is, maar de foto’s en de lolly’s die leerlingen aanspreekt. Zo manipuleer je mensen zonder dat ze het zelf weten. Zo maak je van consumenten slaven van de verleiding.
In de laatste alinea op pagina 242 wordt gesproken over de verdamping van het kernprobleem. Het onbewuste gedrag wordt door onderzoek bewust gemaakt (denk aan fake news en de Trump-campagnes). Alleen weten de consumenten veelal zelf niet hoe hun onbewuste gedrag concreet is gemaakt en wie deze informatie heeft (denk aan de grote 5 van van Silicon Valley). Hoeveel macht hebben Microsoft, Apple, Facebook, Amazon en Google? Hoeveel weten ze over “Es”, over het onbewuste, over mijn en onze onbewuste neigingen? Hoe dichter ze bij de “waarheid” komen, hoe problematischer. We zijn dan gevoelig voor onbewuste manipulatie. Ons lichaam kan dan gestuurd worden op bepaalde hoogte. De vraag blijft natuurlijk of we überhaupt in staat zijn om bewust iets te weten te komen over het onbewuste. De Theory U en de IJsbergtheorie is heel populair tegenwoordig. Deze theorieën stellen dat er veel onbewust gebeurt in onze geest, maar dat we dit kunnen “openbaren” via introspectie/zelfinzicht. Dit lijkt ook op wat de grote 5 van Silicon Valley pogen te doen: het inzichtelijk maken van het onbewuste. Het is maar zeer te vraag hoever wij hierin gaan komen, maar daarmee niet minder relevant als thema!

Als laatste is het belangrijk om de derde paragraaf van pagina 242 over de jaren 60 te duiden! Wanneer iemand aanneemt dat de mens onbewuste neigingen heeft en vervolgens ook gaat definiëren wat de oorzaken zijn van deze neigingen (onderdrukte seksualiteit), dan kun je ook een platte regel (norm) opstellen waarbij je bijvoorbeeld zegt dat monogamie afgeschaft moet worden en dat kinderen niet meer onderdrukt moeten worden, maar juist vrijgelaten moeten worden zodat ze geen uitbarstingen (zie Fight Club) meer krijgen. In het onderwijs zien we deze richting ook wel terug bij ouders en kinderen die stellen dat het kind vrij moet spelen omdat het anders gevoelens en neigingen gaat onderdrukken en dat is heel ongezond en slecht. Let wel op! Wanneer je zo normerend naar het onbewuste kijkt, dan moet je al aannemen dat er veel onbewust gebeurt. Je moet ook weten wat er gebeurt en je bepaalt vervolgens ook dat dit bij iedereen gebeurt.

De paradox bestaat dat de vrije mens aanneemt dat er onbewust van alles gebeurt. Dat de vrije mens ook weet wat er gebeurt. Dit wordt dan een nieuwe maatschappelijke norm: het Über-ich (geweten) stelt dat het goed is om je (seksuele) gevoelens niet te onderdrukken en de grote bedrijven en reclamemakers proberen hierop in te spelen omdat je zo producten kunt verkopen.


55. De kandidaten kunnen het onderscheid dat Arendt maakt tussen arbeiden, werken en handelen uitleggen, toepassen en evalueren.
Daarbij kunnen zij uitleggen dat volgens Arendt in de moderne consumptiemaatschappij arbeiden dominant is geworden.

Arendt onderscheidt drie basiselementen voor het mens-zijn (vita activa):

I. Arbeid
II. Werk
III. Handelen

Arbeid: noodzakelijk handelen gericht op het overleven in een natuurlijke omgeving (eten verbouwen, etc.)
Werk: creëren van nieuwe zaken zoals een gebouw, technieken, etc.
Handelen: nieuwe initiatieven samen met anderen (vraagt om een moreel-ethische stellingname – wat is het goede om met elkaar en voor elkaar te maken?)

Arbeid is het laagste werk. Bij de oude Grieken zijn dit soort handelingen voor onvrije mensen zoals vrouwen en slaven.
Werk draait om het creëren van technieken. Niet zelden technieken die voort blijven bestaan ook als de maker sterft. Technieken die ons leven in de natuur makkelijke maken. Technieken die ervoor kunnen zorgen dat we nog minder arbeid hoeven te verrichten. Technieken kunnen ook destructief zijn (atoombom), maar ook helpen (betere landbouwtechnieken en zorg). Door werk ontworstelt de mens zich van de natuur.
Handelen draait om het politieke en dus om macht. Mensen bepalen samen (diegenen met meer macht bepalen meer) wat voor werk wenselijk is (geen massavernietigingswapens maar betere zorg bijvoorbeeld).

Handelen is waar vrijheid is om samen met anderen vorm te geven aan de wereld met elkaar gericht op waar we samen heen willen. Het handelen van mensen kan ook het werk in de weg zitten. Denk hierbij aan de techneuten die geen arbeid verrichten, maar een nieuwe machine aan het programmeren zijn omdat ze het gaaf vinden om te programmeren. Maar wanneer ze niet nadenken over de gevolgen en/of wanneer de samenleving bepaalt dat ze deze machine niet willen (te gevaarlijk of gewoon niet nuttig), dan kan de werkende techneut boos worden omdat hij niet kan creëren. Hij kan dan het gevoel hebben niet vrijgelaten te worden in zijn of haar streven iets te creëren. Vrijheid zit niet, in lijn met Arendt, in het creëren van iets, maar dus in het politieke spel waarbij we samen bepalen wat het goede is… in het ethische handelen dus!

Problematisch is, zoals Arendt analyseert een paar honderd jaar na Locke, Marx en Hegel, het gegeven dat de protestantse ethiek (zie week 6 over de opkomst van het protestantisme en burgerrechten) heeft gezorgd voor juist het centraal stellen van de arbeidsethos: het is goed om hard te werken. Zo vergaat je bezit en kun je als autonome burger worden wie je wil worden. Hoeveel mensen zijn wel niet opgevoed met het idee dat arbeid “vrij maakt”? Cynisch genoeg staat bij binnenkomst van het concentratiekamp Auswitch: “Arbeit macht frei”. Het is niet per definitie verkeerd om hard te werken, maar het protestantisme ten tijden van Locke en later Marx (Marx zette de arbeider zelfs centraal – de arbeider moet zich bewust worden van zijn noodzakelijke plek in de samenleving en dan in opstand komen), zetten het harde werken, de arbeid specifiek, centraal.
Het is misschien een beetje plat, maar wellicht verhelderend. Loop eens door de school en kijk naar leerlingen en leraren. Creëren ze iets nieuws (werk), zijn ze aan het handelen (ethiek en onderlinge afstemming) of doen ze dingen die louter noodzakelijk zijn (arbeid)? En in hoeverre zijn deze zaken echt noodzakelijk? Een van de mogelijke kritieken op Marx zou ook kunnen zijn of er nog wel echte noodzaak bestaat. Is er nog wel zoiets als arbeid? Toch kan ik me niet van de indruk onttrekken dat ik vaak mensen zogenaamde noodzakelijkheden die doen, die ze zelf noodzakelijk vinden, maar waarbij het nut onduidelijk is. Mensen die 10x per dag (verslaving) schoonmaken of ’s avonds nog even een schoolopdracht in elkaar gaan zetten of weer controleren of het stappenplan voor morgen duidelijk is. Er zijn zelfs mensen die figuurlijk gesproken met de hamer door de straat lopen, hopende ergens iets vast te kunnen timmeren.

Loop dus eens door de school. Wat denk jij? Had Hannah Arendt een punt toen ze aangaf dat de oude Grieken qua ontwikkeling op het gebied van het mens-zijn verder ontwikkeld waren dan de moderne mens in de hedendaagse consumptiemaatschappij?

Primaire tekst (12): Hannah Arendt – De menselijke conditie
59. De kandidaten kunnen uitleggen dat Arendt de kunstenaar de enige overgebleven ‘werker’ in een maatschappij van arbeiders noemt en dat in de moderne tijd alle activiteiten van de mens die geen arbeid zijn, spel of hobby genoemd worden.

Arendt (p. 428) stelt dat “we er bijna in zijn geslaagd alle menselijke activiteiten te herleiden tot die ene activiteit”. Deze activiteit bestaat uit het in overvloed verschaffen van middelen (producten) (voor consumptie). Mensen worden arbeiders. Arbeiders maken producten. Hoe harder arbeiders werken, hoe meer producten ze kunnen maken, hoe meer geld ze kunnen verdienen en hoe meer ze weer kunnen consumeren.
De mens wordt geacht “de kost te verdienen” (p. 428).
Arbeid is de serieuze activiteit waarvan het resultaat niet interessant is, behalve dat het geld oplevert (voor consumptie) door verkoopbare producten te maken (de kwaliteit doet er niet toe en ook niet wie het product consumeert. Wat telt is dat het geconsumeerd wordt).

Het enige “beroep” wat niet gericht is op de kost verdienen en productie, is het beroep van de kunstenaar. De kunstenaar werkt aan iets nieuws. Hij (of zij) probeert iets te creëren omwille van de creatie en niet omwille van de noodzakelijkheid om geld te verdienen om te kunnen consumeren.
Hier ontvouwt zich het verschil tussen de arbeider en de werker! Echter, in de moderne samenleving staat, sinds Locke, Smith en Marx, het arbeidersideaal en haar protestantse werk-/arbeidersethiek centraal met als gevolg dat het werken aan iets nieuws gelijkgeschakeld wordt aan een hobby. Twee jaar geleden was minister Wiebes te gast bij het tv-programma Zomergasten. Wiebes werd gevraagd naar zijn opvatting over kunst en kunstsubsidies. Zijn antwoord was: “De ene hobby is niet beter dan de andere.” Arendt lijkt een punt te hebben wanneer ze op pagina 429 analyseert hoe het spel (van de kunstenaar) zijn “wereldse betekenis” heeft verloren. Verloren aan het arbeidsideaal voor wie maar één activiteit telt: hard werken (arbeiten) om het werken (niet omwille van wat je wilt creëren) en de rest is vrije tijd/hobby… De homo ludens (spelende mens) is een leuke hobby, maar niet het primaire doel van een samenleving waarin de arbeider hard moet arbeiten.

60. De kandidaten kunnen uitleggen dat Marx’ ideaal van de animal laborans volgens Arendt op een verkeerde vooronderstelling berust en dat dit ideaal noodzakelijk leidt tot een economie van verspilling, waardoor de mens uiteindelijk zijn tehuis zal verliezen. Tevens kunnen zij deze opvattingen van Arendt herkennen, toepassen en beoordelen.

Marx stelde dat wanneer de Arbeider bewust zou worden van zijn noodzakelijke positie, dat deze in opstand zou komen en de macht naar zich toe zou trekken. De arbeider verricht het noodzakelijke werk. Zonder de arbeider, is er geen leven mogelijk. Marx, zo stelt Arendt, ging er wellicht vanuit dat de arbeider zijn macht zou inzetten om ook als een kunstenaar aan het werk te gaan door nog betere technieken te bouwen, waardoor er minder lagere arbeid nodig is. En uiteindelijk zou de Arbeider via politiek dus bepalen/handelen in lijn met wat het goede is om te doen.

Maar, zo stelt Arendt, deze hogere bevrijding van de Arbeider heeft niet plaatsgevonden. Een nieuwe onvrijheid is hierdoor juist ontstaan. De arbeider moest hard gaan werken om zichzelf te bevrijden van het juk van de bourgeoisie. In werkelijkheid zorgde dit voor arbeiders die harder gingen produceren om nog meer geld te verdienen om nog meer te consumeren. Omdat er nog meer werd geconsumeerd, moest er nog meer worden geproduceerd, waardoor de arbeiders nog harder moesten werken. Waardoor de arbeiders nog meer geld gingen verdienen voor consumptie, waardoor er nog meer producten geproduceerd moesten worden, etc. etc. Het mag duidelijk zijn dat hier 1. geen sprake is van een manier van werken waarbij de kunstenaar voorop staat, 2. het politieke debat nauwelijks wordt gevoerd omdat individuen vooral bezig zijn met nog harder produceren om nog meer en sneller te consumeren, 3. waardoor er een armoedige samenleving/cultuur ontstaat die de samenleving en de natuur (te veel consumptie) verbruikt (met nauwelijks ruimte voor mensen die met elkaar vorm geven aan de wereld maar vooral voor zichzelf produceren en consumeren) en 4. de mens en zijn cultuur niet alleen minder ontwikkeld lijkt te zijn in vergelijking met de Oude Grieken, maar ook nog eens in een vicieuze cirkel is beland met alle mogelijke gevolgen van dien. En als laatste is een wereld waarin één visie op het active leven (vita activa) in termen van de mens die arbeid verricht, een wereld zonder andere perspectieven en visies. Een wereld zonder een diversiteit aan visies en denken, is een wereld die totalitair kan worden. Totalitarisme/fascisme/nazisme kan niet bestaat in een pluriforme wereld met een diversiteit aan visies en denkwijzen. In de moderne tijd dreigt de arbeidsethiek en het daaraan gekoppelde vicieuze cirkel van productie en consumptie dé visie op samenleving te worden.

Hannah Arendt omschrijft in dit artikel de voorboden van de consumptiemaatschappij… een vicieuze product- en consumptiepatroon, gebouwd op een protestantse arbeidsethiek die door vrijwel iedereen op individueel is overgenomen en waar nauwelijks nog aan getornd wordt. Ze is wellicht een van de strijders voor de natuur en de mens avant la lettre!

Geef een reactie

elf + 9 =